1. Welk van de volgende pijlen in de diagnostische cyclus worden aangeduid met
stippenlijnen?
. Verklaringsanalyse > indicatieanalyse
. Aanmelding > klachtenanalyse
. Klachtenanalyse > verklaringsanalyse
2. Welk van de volgende aspecten hoort niet bij focaal behandelen?
. Kortdurend
. Klantgericht
. Quality driven
3. Piet heeft de laatste tijd veel last van sombere gedachten. Hij wilt hier graag mee aan de
slag en belt de huisarts. De huisarts concludeert dat Piet psychologisch onderzocht
moet gaan worden en neemt contact op met een psycholoog om een diagnostisch
onderzoek op te starten. Wat is de rol van de huisarts?
. Opdrachtgever
. Betrokkene
. Verwijzer
4. Wat denkt u dat realistisch haalbaar zou zijn binnen u behandeling? Bij welke heuristiek
hoort deze vraag?
. Wie?
. Wat?
. Wanneer?
5. In welke fase van het gesprek wordt de hulpvraag bepaald?
. Aanmelding
. Klachtanalyse
. Diagnostisch scenario
6. Piet wil graag weten wat maakt dat hij zoveel last heeft van zijn sombere gedachten. Wat
voor type vraag past het beste bij de motivatie van Piet?
. Onderkennende vraag
. Verhelderende vraag
. Verklarende vraag
7. Wanneer is er sprake van een 0-scenario bij een vrijwillige aanmelding?
. Wanneer de cliënt enkel wil weten waar de klachten vandaan komen.
. Wanneer de cliënt enkel zijn klachten wil verhelderen.
. Wanneer de cliënt enkel wil weten wat hij het beste kan doen met zijn klachten.
8. Waarom wordt een diagnostisch scenario uitgevoerd?
. Om de cliënt te informeren, waarmee de psycholoog voldoet aan zijn
verantwoordelijkheid en doet aan verwachtingsmanagement.
. Om een onderzoekskader aan te brengen, waarmee de psycholoog voldoet aan
transparantie en verwachtingsmanagement.
. Om de klachten en hulpvragen te ordenen naar importantie.
9. In welke subfase van de probleemanalyse worden classificatieschema’s voor het eerst
toegevoegd aan het proces?
. Beschrijving en inventarisatie
. Ordening en benoeming
. Taxatie van de ernst
10. Welk van de volgende vragen wordt niet gesteld in de criteria van Rutter?
. Specifiek voor psychopathalogie?
. Belemmert probleemgedrag ook andere gebieden?
, . Wat is de oorsprong van het probleemgedrag?
11. Voor welk diagnostisch instrument zouden psychosociale omstandigheden een goed
onderwerp zijn?
. Interview
. Prestatietaken
. Observatie
12. Over welk onderwerp berust geen consensus betreffende intelligentie?
. Snelheid van leren
. Adaptie aan veranderende omgeving
. Creativiteit
13. Wat betekent de indifference of indicator?
. Het maakt niet uit welke intelligentietaken je geeft aan personen, zo lang je maar
kijkt naar de samenhang tussen die intelligentietaken.
. Dit zijn de onderliggende principes van de g-factor: begrijpen van eigen ervaring
en hiervan leren, inductief redeneren.
. Er is één grote factor die intelligentie voorspelt; de g-factor.
14. Welk van de volgende intelligentiemodellen is er sprake van de g-factor?
. Guilfords ‘’Structure of Intellect’’
. Thurstone’s ‘Primary Mental Abilities’’
. Vernoms Hierarchisch model
15. Welk van de volgende tests wordt gezien als een ‘’specifieke’’ test?
. Groninger Intelligentie Test 2
. Raven’s Progressive Matrices
. Kaufman Intelligentietest voor Adolescenten en Volwassenen
16. Voor welk toepassingsgebied is de WISC-V niet bedoeld?
. Kinderen met vermoedelijke cognitieve problemen
. Kinderen die ondersteuning nodig hebben bij passend onderwijs
. Kinderen die onder gemiddeld scoren in de klas.
17. Bij welke subtest past de volgende beschrijving: kind legt binnen een tijdslimiet met
rood-witte blokken een afgebeeld patroon na.
. Figuur samenstellen
. Blokpatronen
. Matrix redeneren
18. Onder welk type indexcijfer valt figuur zoeken?
. VSL
. WGL
. VBI
19. Wat is de juiste volgorde van het berekenen van de intelligentiescores in de WISC-V?
. Ruwe scores > indexscores > geschaalde scores
. Ruwe scores > geschaalde scores > indexscores
. Indexscores > ruwe scores > geschaalde scores
20. Waar is er sprake van bij de scores van het volgende kind.
. Ruwe scores van een kind:
- VSL: 70.
- WGL: 130
- VBI: 130
- FRI: 70
a. Er is sprake van een harmonische resultaten
stippenlijnen?
. Verklaringsanalyse > indicatieanalyse
. Aanmelding > klachtenanalyse
. Klachtenanalyse > verklaringsanalyse
2. Welk van de volgende aspecten hoort niet bij focaal behandelen?
. Kortdurend
. Klantgericht
. Quality driven
3. Piet heeft de laatste tijd veel last van sombere gedachten. Hij wilt hier graag mee aan de
slag en belt de huisarts. De huisarts concludeert dat Piet psychologisch onderzocht
moet gaan worden en neemt contact op met een psycholoog om een diagnostisch
onderzoek op te starten. Wat is de rol van de huisarts?
. Opdrachtgever
. Betrokkene
. Verwijzer
4. Wat denkt u dat realistisch haalbaar zou zijn binnen u behandeling? Bij welke heuristiek
hoort deze vraag?
. Wie?
. Wat?
. Wanneer?
5. In welke fase van het gesprek wordt de hulpvraag bepaald?
. Aanmelding
. Klachtanalyse
. Diagnostisch scenario
6. Piet wil graag weten wat maakt dat hij zoveel last heeft van zijn sombere gedachten. Wat
voor type vraag past het beste bij de motivatie van Piet?
. Onderkennende vraag
. Verhelderende vraag
. Verklarende vraag
7. Wanneer is er sprake van een 0-scenario bij een vrijwillige aanmelding?
. Wanneer de cliënt enkel wil weten waar de klachten vandaan komen.
. Wanneer de cliënt enkel zijn klachten wil verhelderen.
. Wanneer de cliënt enkel wil weten wat hij het beste kan doen met zijn klachten.
8. Waarom wordt een diagnostisch scenario uitgevoerd?
. Om de cliënt te informeren, waarmee de psycholoog voldoet aan zijn
verantwoordelijkheid en doet aan verwachtingsmanagement.
. Om een onderzoekskader aan te brengen, waarmee de psycholoog voldoet aan
transparantie en verwachtingsmanagement.
. Om de klachten en hulpvragen te ordenen naar importantie.
9. In welke subfase van de probleemanalyse worden classificatieschema’s voor het eerst
toegevoegd aan het proces?
. Beschrijving en inventarisatie
. Ordening en benoeming
. Taxatie van de ernst
10. Welk van de volgende vragen wordt niet gesteld in de criteria van Rutter?
. Specifiek voor psychopathalogie?
. Belemmert probleemgedrag ook andere gebieden?
, . Wat is de oorsprong van het probleemgedrag?
11. Voor welk diagnostisch instrument zouden psychosociale omstandigheden een goed
onderwerp zijn?
. Interview
. Prestatietaken
. Observatie
12. Over welk onderwerp berust geen consensus betreffende intelligentie?
. Snelheid van leren
. Adaptie aan veranderende omgeving
. Creativiteit
13. Wat betekent de indifference of indicator?
. Het maakt niet uit welke intelligentietaken je geeft aan personen, zo lang je maar
kijkt naar de samenhang tussen die intelligentietaken.
. Dit zijn de onderliggende principes van de g-factor: begrijpen van eigen ervaring
en hiervan leren, inductief redeneren.
. Er is één grote factor die intelligentie voorspelt; de g-factor.
14. Welk van de volgende intelligentiemodellen is er sprake van de g-factor?
. Guilfords ‘’Structure of Intellect’’
. Thurstone’s ‘Primary Mental Abilities’’
. Vernoms Hierarchisch model
15. Welk van de volgende tests wordt gezien als een ‘’specifieke’’ test?
. Groninger Intelligentie Test 2
. Raven’s Progressive Matrices
. Kaufman Intelligentietest voor Adolescenten en Volwassenen
16. Voor welk toepassingsgebied is de WISC-V niet bedoeld?
. Kinderen met vermoedelijke cognitieve problemen
. Kinderen die ondersteuning nodig hebben bij passend onderwijs
. Kinderen die onder gemiddeld scoren in de klas.
17. Bij welke subtest past de volgende beschrijving: kind legt binnen een tijdslimiet met
rood-witte blokken een afgebeeld patroon na.
. Figuur samenstellen
. Blokpatronen
. Matrix redeneren
18. Onder welk type indexcijfer valt figuur zoeken?
. VSL
. WGL
. VBI
19. Wat is de juiste volgorde van het berekenen van de intelligentiescores in de WISC-V?
. Ruwe scores > indexscores > geschaalde scores
. Ruwe scores > geschaalde scores > indexscores
. Indexscores > ruwe scores > geschaalde scores
20. Waar is er sprake van bij de scores van het volgende kind.
. Ruwe scores van een kind:
- VSL: 70.
- WGL: 130
- VBI: 130
- FRI: 70
a. Er is sprake van een harmonische resultaten