De conflicttheorie (Ralf Dahrendorf) bouwt op de theorieën van Marx en
Weber voort.
- Marx: stelde dat conflict zich voordoet bij de strijd tussen arbeiders
en kapitaalbezitters, die voortkomt uit economische ongelijkheden.
Het gaat om stratificatie een hiërarchie in de samenleving naar
economische middelen of andere hulpbronnen
- Weber: stratificatie bestaat in de economische middelen, sociale
status en politieke macht
Dahrendorf stelde dat we conflict niet moeten vermijden, maar dat het
hoort bij de samenleving. Het is een alomtegenwoordig fenomeen in de
samenleving en daarom moet het als normaal worden gezien. Dit staat
tegenover het idee van Parsons die uitleg geeft over het belang van
gedeelde waarden voor stabiliteit.
Gelaagdheid (en dus stratificatie) is er altijd, want mensen die minder van
iets hebben zullen daar altijd meer van willen; daarom is er altijd conflict
in de samenleving (net als dat er altijd stratificatie is in de theorieën van
Marx en Weber).
Tegenwoordig wordt veel d.m.v. het democratische systeem op een niet-
gewelddadige manier aan de orde gesteld. Wij lossen conflicten niet
zelfstandig op, maar we worden vertegenwoordigd in de politiek die dat
vervolgens voor ons oplost. Deze niet-gewelddadige conflicten (debatten
in de Tweede Kamer) zijn de drijfveren van de democratische
samenlevingen. Je zou daarom kunnen zeggen dat conflict een feit is,
omdat het letterlijk is geïnstitutionaliseerd: onze samenleving is erop
gebouwd. Belangen worden dus vertegenwoordigd door belangengroepen
en politieke partijen die met elkaar op democratische wijze strijden. Het
idee is daarom dat conflict beter beheersbaar is als het
geïnstitutionaliseerd is. De vorm van stratificatie hangt erg samen met
hoe mensen stemmen op politieke partijen.
Marx ging ook uit van een dichotomie, maar in de conflicttheorie wordt
gesteld dat er meer mobiliteit is dan Marx verwachtte. Dat bestaat zowel
intragenerationeel (mobiliteit die je in je leven door kan maken) als
intergenerationeel (in hoeverre jouw positie verschillend is van die van
jouw ouders).
Er is door de jaren heen een middenklasse ontstaan, de sociale structuur
bestaat dus niet alleen meer uit een arbeidersklasse en kapitaalbezitters.
Dahrendorf zegt ook dat een klasse alleen gebaseerd op economische
stratificatie niet voldoende is, maar dat ook dingen als cultuur en sociale
netwerken daar deel van uitmaken (zoals Weber ook al stelde).
, Elke tegenstelling tussen (georganiseerde) groepen die verklaard kan
worden uit de sociale structuur is wat groepsconflict is. Er zijn diverse
belangen van groepen, met competitie over beschikbare hulpbronnen.
Conflict tussen groepen ontstaat wanneer de ene groep een bedreiging
van de belangen door een andere groep waarneemt. Deze bedreiging kan
zowel echt als waargenomen zijn.
Mills legt de nadruk op een grote middenklasse zonder echte macht. De
middenklasse is in contrast met de ‘elite van de macht’: de besluitvormers
in de hoogste regionen van de politieke, economische en militaire
instituties. ‘Elite van de macht’ zijn mensen waarbij: macht, vermogen en
bekendheid samenkomen. De institutionele compositie van macht
verandert door de tijd (militair – economisch – politiek – media –
economisch-technologisch). Verschillende vormen van macht kunnen op
verschillende manieren samenkomen.
Er is volgens Mills geen sprake van een revolutie (zoals Marx wel
voorspelde) en geen sociale verandering door groepsconflict (Dahrendorf),
want er is onbekwaamheid van degene buiten de machtselite om sociale
verandering in gang te zetten. Mills stelt dat de middenklasse
gemanipuleerd wordt passief te blijven. Instituties (zoals onderwijs)
zouden eerder leiden tot grotere fascinatie met media-vermaak dan met
politiek.
H13 – Pierre Bourdieu: de reproductie van ongelijkheid
Volgens Pierre Bourdieu is er een overdraging van ongelijkheden van
generatie op generatie. Ongelijkheid bestaat door cultureel en sociaal
kapitaal, maar alle vormen van kapitaal gaan samen. Er zijn verschillende
vormen van kapitaal in de samenleving die een rol spelen in het
overdragen van ongelijkheid:
- Economisch (goed meetbaar)
- Cultureel (de juiste kennis hebben tot hoe je je moet gedragen in de
samenleving) – opleiding is hierbij belangrijk
- Sociaal (hoe groot is je netwerk en wie zit daarin?)
School of een opleiding zou deze ongelijkheid gelijk moeten trekken,
omdat iedereen daarin de kans heeft om voor zichzelf een goede
opleiding en vervolgens een goede baan te fiksen. Bourdieu ziet het
anders in. Door opleiding heeft niet iedereen gelijke kansen, want ouders
en families verschillen ook in cultureel kapitaal waardoor sommige
mensen de opleiding veel makkelijker doorlopen dan andere mensen. Het
onderwijssysteem sluit volgens Bourdieu dus beter aan bij mensen met