Nederlands periode 1 samenvatting
Spelling deel 1:
Er zijn drie soorten werkwoordvormen: een persoonsvorm, een voltooid deelwoord
of een infinitief. Bij deze werkwoorden gelden de gewone regels. Bij onregelmatige
werkwoorden zoals willen, zullen, mogen en kunnen krijg je in de tegenwoordige tijd
bij de derde persoon enkelvoud geen ik vorm + t. je krijgt hij wil, hij zal, hij mag en zij
kan.
In het Nederlands zitten veel woorden die eigenlijk uit een andere taal komen.
Meestal zijn dat Engelse woorden, de spelling kan nog weleens moeilijk zijn. De regels
voor Engelse werkwoorden zijn hetzelfde als die van Nederlandse. De stam moet wel
goed blijven, daarom kan die eindigen op een –e. Als je de regel van ’t ex-kofschip
gebruikt moet je die –e laten staan, de letter voor de –e is belangrijk.
Je hebt een samenstelling als je van twee of meer woorden een nieuw woord maakt.
Alle regels op een rijtje:
De basisregels
1. Schrijf samenstelling zoveel mogelijk aan elkaar, als die moeilijk te lezen
is zet je een streepje (video-installatie)
2. Schrijf wat je hoort (hogesnelheidstrein)
Samenstellingen met een tussen –n
1. Je schrijft –en als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig
naamwoord is dat een meervoud op –en heeft (krantenlezer)
2. Schrijf een –n als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is en die
eindigt op een toonloze e. En alleen een meervoud op –n heeft.
(invalidenparkeerplaats)
Samenstellingen zonder tussen –n
1. Het eerste deel heeft geen meervoud (tarwebrood)
2. Het eerste deel heeft alleen een meervoud op –s (scorekaart)
3. Het eerste deel heeft een meervoud op –s en –n (groentesoep)
4. Het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord maar een
werkwoordsvorm of versterkend woord (beresterk, huilebalk)
5. Het woord is niet goed meer herkenbaar als samenstelling of het is
geen samenstelling (papegaai)
6. Het eerste deel noemt een persoon of zaak waar er maar een van is
(maneschijn, zonnebrand, Onze-Lieve-Vrouwekerk)
Samenstellingen met tussen –s
Spelling deel 1:
Er zijn drie soorten werkwoordvormen: een persoonsvorm, een voltooid deelwoord
of een infinitief. Bij deze werkwoorden gelden de gewone regels. Bij onregelmatige
werkwoorden zoals willen, zullen, mogen en kunnen krijg je in de tegenwoordige tijd
bij de derde persoon enkelvoud geen ik vorm + t. je krijgt hij wil, hij zal, hij mag en zij
kan.
In het Nederlands zitten veel woorden die eigenlijk uit een andere taal komen.
Meestal zijn dat Engelse woorden, de spelling kan nog weleens moeilijk zijn. De regels
voor Engelse werkwoorden zijn hetzelfde als die van Nederlandse. De stam moet wel
goed blijven, daarom kan die eindigen op een –e. Als je de regel van ’t ex-kofschip
gebruikt moet je die –e laten staan, de letter voor de –e is belangrijk.
Je hebt een samenstelling als je van twee of meer woorden een nieuw woord maakt.
Alle regels op een rijtje:
De basisregels
1. Schrijf samenstelling zoveel mogelijk aan elkaar, als die moeilijk te lezen
is zet je een streepje (video-installatie)
2. Schrijf wat je hoort (hogesnelheidstrein)
Samenstellingen met een tussen –n
1. Je schrijft –en als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig
naamwoord is dat een meervoud op –en heeft (krantenlezer)
2. Schrijf een –n als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is en die
eindigt op een toonloze e. En alleen een meervoud op –n heeft.
(invalidenparkeerplaats)
Samenstellingen zonder tussen –n
1. Het eerste deel heeft geen meervoud (tarwebrood)
2. Het eerste deel heeft alleen een meervoud op –s (scorekaart)
3. Het eerste deel heeft een meervoud op –s en –n (groentesoep)
4. Het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord maar een
werkwoordsvorm of versterkend woord (beresterk, huilebalk)
5. Het woord is niet goed meer herkenbaar als samenstelling of het is
geen samenstelling (papegaai)
6. Het eerste deel noemt een persoon of zaak waar er maar een van is
(maneschijn, zonnebrand, Onze-Lieve-Vrouwekerk)
Samenstellingen met tussen –s