,Inhoud
Module 5...................................................................................................7
Benoemen welke psychische functies er zijn; ............................................7
Psychische functiestoornissen...............................................................7
De verschillende groepen stoornissen binnen de psychiatrie
indelen volgens de DSM 5 .....................................................................9
Benoemen wat de verschillende aspecten van angst zijn; .....................9
Benoemen welke angststoornissen er zijn volgens DSM-5,
en wat de uitlokkende factoren hiervan zijn; ..........................................9
Benoemen wat de (niet-)medicamenteuze behandeling is
van angststoornissen. .........................................................................10
Formuleren wat persoonlijkheid is; ......................................................11
De persoonlijkheidsstoornissen indelen volgens de DSM-5; ................12
Benoemen welke factoren een rol spelen bij het ontstaan en instandhoud
en van persoonlijkheidsstoornissen. ...................................................12
Uitleggen wat een psychose is ...........................................................14
De psychotische stoornissen indelen volgens de DSM-5;......................14
Benoemen wat de oorzaken, de behandeling en
het voorkomen van psychotische stoornissen zijn. ...............................14
De student kent de MDR, AVG en NEN ................................................16
De symptomen van de verschillende stemmingsstoornissen
bij een zorgvrager herkennen (met behulp van indeling volgens DSM-5)
.............................................................................................................16
Benoemen welke factoren een rol spelen bij het ontstaan
van stemmingsstoornissen; ................................................................17
Benoemen welke behandelingsmogelijkheden er zijn bij stemmingsstoor
nissen..................................................................................................18
Motiveren waarom een gezonde voedingstoestand voor zorgvragers
van belang is (vervolg module 3). .....................................................20
Benoemen wat indicaties zijn voor het inbrengen van een neus-
maagsonde of een sonde door de buikwand. .....................................20
Benoemen welke soorten sondevoeding er zijn...................................20
Er zijn verschillende soorten sondevoeding, elk afgestemd op
specifieke behoeften van patiënten:....................................................21
, De juiste keuze hangt af van de medische conditie en
voedingsbehoeften van de patiënt......................................................21
Benoemen op welke manieren sondevoeding toegediend kan worden,
verschillende soorten sondes..............................................................21
Benoemen wat de procedure is voor het toedienen van sondevoeding
via de neus-maagsonde en voeding via de buikwand.........................21
Uitleggen welke problemen/ complicaties zich voor kunnen doen en
hoe je dan moet handelen. ................................................................22
Uitleggen welke veiligheidsaspecten van belang zijn en hoe je veilig
kunt werken en risico’s voorkomen.....................................................23
Benoemen hoe en of wanneer een neus-maag sonde of sonde via de
buik mogelijk weer verwijderd kan en mag worden. ...........................23
Module 6.................................................................................................24
Benoemen wat de verschillende onderdelen van het hart zijn............24
Uitleggen hoe het hart bloed rondpompt en begrijp je welke
mechanismen daarvoor nodig zijn (pompfunctie en hartcyclus
(systole/diastole).................................................................................24
Uitleggen welke factoren het hartminuutvolume bepalen...................25
Benoemen wat de centrale elementen van zelfmanagement bij een
chronische aandoening zijn.................................................................26
Kun je uitleggen wat een stoma is, welke soorten stoma's er zijn en
wat indicaties voor het krijgen van een stoma kunnen zijn.................26
Kun je uitleggen welke problemen en complicaties zich kunnen
voordoen bij stomazorg en hoe je dan moet handelen........................27
Kun je uitleggen welke veiligheidsaspecten belangrijk zijn bij
stomazorg............................................................................................28
Kun je volgens protocol een huidplaat en een stomazakje bij een één-
en tweedelig systeem verwisselen......................................................29
Kun je verpleegkundige aandachtspunten benoemen en toelichten bij
het verwisselen van de huidplaat en het stomazakje bij een één- en
tweedelig systeem...............................................................................29
Klachten en symptomen van angina pectoris en een myocardinfarct
herkennen bij een willekeurige zorgvrager..........................................30
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van angina pectoris en een myocardinfarct;.......................................30
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor angina pectoris en myocardinfarct, en weet je eventuele
complicaties van de beide aandoeningen te benoemen......................30
, Uitleg geven over de kenmerken van een rode, gele en zwarte wond.
.............................................................................................................32
Benoemen wat aandachtspunten zijn bij het beoordelen en verzorgen
van wonden (TIME-model)...................................................................32
Benoemen wat de oorzaken van wonden zijn en hoe wonden genezen
en welke factoren van invloed zijn op het ontstaan en genezen van
wonden................................................................................................33
Uitleggen welke typen verbandmiddelen er zijn en de kenmerken van
de verschillende verbandmiddelen benoemen....................................33
Complicaties bij wondbehandeling herkennen en proactief handelen
om mogelijke risico's bij de verzorging van rode, gele en zwarte
wonden te verminderen.......................................................................34
Uitleggen op welke wijze de verschillende soorten hechtingen moeten
worden verwijderd, wat hierbij aandachtspunten zijn en hoe
complicaties kunnen worden voorkomen, en je kunt deze complicaties
herkennen in een voorbeeld................................................................35
Herkennen welke klachten en symptomen bij een willekeurige
zorgvrager passen bij ritmestoornissen en hartfalen; .........................36
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van een ritmestoornis en hartfalen;.....................................................36
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor ritmestoornissen en hartfalen, en weet je eventuele
complicaties van de beide aandoeningen te benoemen......................37
Kun je benoemen welke vormen van voorlichting er zijn en kun je dit
koppelen aan cliëntsituaties................................................................38
Kun je de stappen van Intervention Mapping toelichten......................38
Indicaties en aandachtspunten voor steunkousen toelichten..............38
Een onderbeen zwachtelen volgens de Ambulante Compressie
Techniek (ACT)-techniek......................................................................39
Indicaties en aandachtspunten voor compressietherapie toelichten...40
Herkennen welke klachten en symptomen bij een willekeurige
zorgvrager typisch zijn voor diabetes mellitus type 1 en 2;................40
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van diabetes mellitus type 1 en 2;.......................................................41
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor diabetes mellitus type 1 en 2, en weet je eventuele
complicaties te verklaren.....................................................................41
Module 5...................................................................................................7
Benoemen welke psychische functies er zijn; ............................................7
Psychische functiestoornissen...............................................................7
De verschillende groepen stoornissen binnen de psychiatrie
indelen volgens de DSM 5 .....................................................................9
Benoemen wat de verschillende aspecten van angst zijn; .....................9
Benoemen welke angststoornissen er zijn volgens DSM-5,
en wat de uitlokkende factoren hiervan zijn; ..........................................9
Benoemen wat de (niet-)medicamenteuze behandeling is
van angststoornissen. .........................................................................10
Formuleren wat persoonlijkheid is; ......................................................11
De persoonlijkheidsstoornissen indelen volgens de DSM-5; ................12
Benoemen welke factoren een rol spelen bij het ontstaan en instandhoud
en van persoonlijkheidsstoornissen. ...................................................12
Uitleggen wat een psychose is ...........................................................14
De psychotische stoornissen indelen volgens de DSM-5;......................14
Benoemen wat de oorzaken, de behandeling en
het voorkomen van psychotische stoornissen zijn. ...............................14
De student kent de MDR, AVG en NEN ................................................16
De symptomen van de verschillende stemmingsstoornissen
bij een zorgvrager herkennen (met behulp van indeling volgens DSM-5)
.............................................................................................................16
Benoemen welke factoren een rol spelen bij het ontstaan
van stemmingsstoornissen; ................................................................17
Benoemen welke behandelingsmogelijkheden er zijn bij stemmingsstoor
nissen..................................................................................................18
Motiveren waarom een gezonde voedingstoestand voor zorgvragers
van belang is (vervolg module 3). .....................................................20
Benoemen wat indicaties zijn voor het inbrengen van een neus-
maagsonde of een sonde door de buikwand. .....................................20
Benoemen welke soorten sondevoeding er zijn...................................20
Er zijn verschillende soorten sondevoeding, elk afgestemd op
specifieke behoeften van patiënten:....................................................21
, De juiste keuze hangt af van de medische conditie en
voedingsbehoeften van de patiënt......................................................21
Benoemen op welke manieren sondevoeding toegediend kan worden,
verschillende soorten sondes..............................................................21
Benoemen wat de procedure is voor het toedienen van sondevoeding
via de neus-maagsonde en voeding via de buikwand.........................21
Uitleggen welke problemen/ complicaties zich voor kunnen doen en
hoe je dan moet handelen. ................................................................22
Uitleggen welke veiligheidsaspecten van belang zijn en hoe je veilig
kunt werken en risico’s voorkomen.....................................................23
Benoemen hoe en of wanneer een neus-maag sonde of sonde via de
buik mogelijk weer verwijderd kan en mag worden. ...........................23
Module 6.................................................................................................24
Benoemen wat de verschillende onderdelen van het hart zijn............24
Uitleggen hoe het hart bloed rondpompt en begrijp je welke
mechanismen daarvoor nodig zijn (pompfunctie en hartcyclus
(systole/diastole).................................................................................24
Uitleggen welke factoren het hartminuutvolume bepalen...................25
Benoemen wat de centrale elementen van zelfmanagement bij een
chronische aandoening zijn.................................................................26
Kun je uitleggen wat een stoma is, welke soorten stoma's er zijn en
wat indicaties voor het krijgen van een stoma kunnen zijn.................26
Kun je uitleggen welke problemen en complicaties zich kunnen
voordoen bij stomazorg en hoe je dan moet handelen........................27
Kun je uitleggen welke veiligheidsaspecten belangrijk zijn bij
stomazorg............................................................................................28
Kun je volgens protocol een huidplaat en een stomazakje bij een één-
en tweedelig systeem verwisselen......................................................29
Kun je verpleegkundige aandachtspunten benoemen en toelichten bij
het verwisselen van de huidplaat en het stomazakje bij een één- en
tweedelig systeem...............................................................................29
Klachten en symptomen van angina pectoris en een myocardinfarct
herkennen bij een willekeurige zorgvrager..........................................30
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van angina pectoris en een myocardinfarct;.......................................30
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor angina pectoris en myocardinfarct, en weet je eventuele
complicaties van de beide aandoeningen te benoemen......................30
, Uitleg geven over de kenmerken van een rode, gele en zwarte wond.
.............................................................................................................32
Benoemen wat aandachtspunten zijn bij het beoordelen en verzorgen
van wonden (TIME-model)...................................................................32
Benoemen wat de oorzaken van wonden zijn en hoe wonden genezen
en welke factoren van invloed zijn op het ontstaan en genezen van
wonden................................................................................................33
Uitleggen welke typen verbandmiddelen er zijn en de kenmerken van
de verschillende verbandmiddelen benoemen....................................33
Complicaties bij wondbehandeling herkennen en proactief handelen
om mogelijke risico's bij de verzorging van rode, gele en zwarte
wonden te verminderen.......................................................................34
Uitleggen op welke wijze de verschillende soorten hechtingen moeten
worden verwijderd, wat hierbij aandachtspunten zijn en hoe
complicaties kunnen worden voorkomen, en je kunt deze complicaties
herkennen in een voorbeeld................................................................35
Herkennen welke klachten en symptomen bij een willekeurige
zorgvrager passen bij ritmestoornissen en hartfalen; .........................36
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van een ritmestoornis en hartfalen;.....................................................36
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor ritmestoornissen en hartfalen, en weet je eventuele
complicaties van de beide aandoeningen te benoemen......................37
Kun je benoemen welke vormen van voorlichting er zijn en kun je dit
koppelen aan cliëntsituaties................................................................38
Kun je de stappen van Intervention Mapping toelichten......................38
Indicaties en aandachtspunten voor steunkousen toelichten..............38
Een onderbeen zwachtelen volgens de Ambulante Compressie
Techniek (ACT)-techniek......................................................................39
Indicaties en aandachtspunten voor compressietherapie toelichten...40
Herkennen welke klachten en symptomen bij een willekeurige
zorgvrager typisch zijn voor diabetes mellitus type 1 en 2;................40
Benoemen welke mechanismen ten grondslag liggen aan het ontstaan
van diabetes mellitus type 1 en 2;.......................................................41
Benoemen welke diagnostische en therapeutische mogelijkheden er
zijn voor diabetes mellitus type 1 en 2, en weet je eventuele
complicaties te verklaren.....................................................................41