Arresten Notariswet
Week 1
Wever-Arubabank
Wever was gerechtigd tot het recht van erfpacht op een perceel op Aruba met
het daarop gebouwde, door haar bewoonde huis. Bij notariële akte van die datum
heeft zij dit recht van erfpacht verbonden met het recht van eerste hypotheek
ten behoeve van de Arubabank, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de
Arubabank te vorderen had of te eniger tijd te vorderen mocht hebben van de op
Aruba gevestigde naamloze vennootschap De Kort Construction N.V. wegens aan
deze vennootschap verleend credit of uit welken anderen hoofde ook.
Wever vordert een bevel aan de Arubabank om de inschrijving van de hypotheek
in het register te doen doorhalen, omdat tussen haar en de bank overeen zou zijn
gekomen dat de hypothecaire zekerheid uitsluitend zou dienen voor het geval
enig directeur en aandeelhouder van De Kort Construction N.V. het
aannemingscontract voor de bouw van een pand voor de Sociale
Verzekeringsbank zou krijgen en de bank hem in verband daarmee zou
financieren. Dit is niet gebeurt, dus bestaat de onderzetting rechtens niet meer
volgens Wever.
R.o. 3.2: Het middel berust op de stelling dat de Bank redelijkerwijze niet, althans
niet zonder nader onderzoek naar de opvatting die bij Wever over de inhoud van
de te sluiten hypotheekovereenkomst bestond, 'de letterlijke inhoud van de akte
(…) kon opvatten als de betekenis die Wever aan de te sluiten overeenkomst
toekende en (noch) op de inhoud van die akte, noch op het enkele feit dat Wever
die ondertekende, mocht afgaan'.
Rechtsvraag: mag een hypotheeknemer erop vertrouwen dat de ondertekende
notariële akte de bedoelingen van de hypotheekgever juist weergeeft?
In casu waren de volgende getuigen: De Kort en haar neef Lopez. De verklaringen
van deze partijen mogen niet te zwaar worden gewogen, want De Kort is immers
nauw bij de transactie betrokken en Lopez kan evenmin onbevooroordeeld
worden genoemd. De notaris is de derde getuige. Als notaris moet hij geacht
worden geheel onafhankelijk te zijn van pp. Het tegendeel is ook niet gesteld of
gebleken. Nu hij uitdrukkelijk heeft ontkend dat tijdens de betreffende bespreking
bovenbedoelde (nadere) afspraak is gemaakt, zal daarvan daarom moeten
worden uitgegaan. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat Wever
het bewijs voor het door haar gestelde niet heeft geleverd. Zie r.o. 6.
Aan het bovenstaande doet niet af dat heel goed mogelijk is dat Wever ook
tijdens het ondertekenen van de akte in de veronderstelling heeft verkeerd dat
de hypotheek slechts ten behoeve van de eventuele financiering van het door
haar genoemde project werd gevestigd. Door het ondertekenen van de
betreffende akte heeft zij in dat geval echter het vertrouwen gewekt dat de
inhoud daarvan haar bedoelingen goed weergaf. De bank mocht daarop afgaan,
,nu ook niet is gebleken dat de bank van de tussen De Kort en Wever gemaakte
afspraken afwist.
Rechtsregel: Het eerste lid van art. 1197 BW Ned. Antillen bepaalt dat hypotheek,
uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk aangewezen, alleen bij
notariële akte kan worden verleend; dit ter bescherming van de hypotheekgever
en waarborg van de rechtszekerheid. De hypotheeknemer kan ervan uitgaan dat
in de akte bedoelingen van de hypotheekgever juist en volledig zijn weergeven.
Slechts onder bijzondere omstandigheden kan de hypotheeknemer wellicht
verplicht zijn tot een nader onderzoek.
Veldhof-Leonhard-Woltjerstichting
Veldhof voert werkzaamheden uit voor het inmiddels overleden echtpaar Woltjer
en de stichting. De stichting is enig erfgenaam van het echtpaar. Veldhof vordert
betaling van bepaalde bedragen en afgifte van een aantal goederen. Veldhof
beroept zich daarvoor op diverse geschriften met daaronder de handtekening van
mevrouw Woltjer. De stichting voert als verweer aan dat de tekst later boven de
handtekening is geplaatst.
Rechtsvraag: bij wie ligt de bewijslast van de echtheid van geschriften?
Men moet aannemen dat de tekst van de geschriften later boven de
handtekening is geplaatst. De bewijslast ter zake van de valsheid van de
onderhavige geschriften ligt bij de stichting. De stichting is geslaagd in het
verstrekken van dit bewijs.
Rechtsregel: de bewijslast ligt bij de stichting, aangezien de stichting de echtheid
van de geschriften in twijfel trekt, art. 150 Rv.
Brooke/Overes q.q.
Brooke heeft een pand gekocht van Vegter. In de leveringsakte is een verklaring
opgenomen waarin de verkoopster de koopster kwijting voor de koopsom
verleent. Nadien heeft een bank een verklaring omtrent de ontvangst van een
geldbedrag gegeven. Vervolgens gaat verkoopster (Vegter) failliet. Stellende dat
Brooke slechts een deel van de koopsom heeft voldaan, vordert de curator
(Overes) ontbinding van de koopovereenkomst.
Rechtsvraag: biedt de leveringsakte voldoende bewijs?
Vaststaat dat de notariële akte van levering betreffende de in het geding zijnde
transactie meldt dat de koopsom is voldaan en dat Vegter aan Brooke kwijting
verleent. Op de voet van het bepaalde in art. 157 lid 2 Rv levert deze in de
notariële akte van levering opgenomen verklaring tussen Vegter en Brooke
dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring.
Nu Brooke zich ter onderbouwing van haar stelling dat zij de volledige koopsom
bevrijdend heeft betaald op de akte heeft beroepen, moet dit worden
,aangenomen, met dien verstande dat voor Vegter op grond van art. 151 lid 2 Rv
tegenbewijs openstaat.
Rechtsregel: hetgeen dat in de leveringsakte is opgenomen dient als bewezen te
worden aangemerkt. Tegenbewijs is mogelijk.
Aard en Herbert Wooning (Wooning/Wooning)
Aard en Herbert zijn broers. Zij hebben via een besloten vennootschap waarvan
zij ieder afzonderlijk enig aandeelhouder en bestuurder waren in een vof een
tuinbouwbedrijf uitgeoefend. In de vennootschapsakte was bepaald dat indien de
vennootschap door opzegging een einde zou nemen, Aard het recht had de zaken
van de vennootschap voort te zetten.
Opdracht naar de notaris luidt dat er een aanbiedingsverplichting van Herbert
aan Aad moet zijn in het geval de vof wordt beëindigd voor een bepaalde datum
en Aad besluit zijn tuinbedrijf voort te zetten. De voorwaarde dat Aad het bedrijf
voortzet wordt in de notariële akte niet opgenomen.
Ingevolge art. 157 lid 2 Rv levert een authentieke of onderhandse akte,
behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de
verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van
de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid
van deze verklaring. Op grond van art. 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend
bewijs tegenbewijs open en dit tegenbewijs mag volgens art. 152 lid 1 Rv door
alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter
vrij dit bewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding
gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is.
De rechter mag daarbij aan ieder gebleken feitelijk gegeven in het geding de
bewijskracht hechten die hem goeddunkt (vgl. Brooke/Overes q.q.). In het
onderhavige geval betekent dit dat eiser bewijs moest leveren van feiten en
omstandigheden op grond waaruit valt af te leiden dat de in de akte opgenomen
tekst van de door partijen afgelegde verklaringen niet strookt met de werkelijke
bedoeling van partijen.
Rechtsvraag: wanneer is er voldoende bewijs tegen de akte geleverd?
Rechtsregel: De rechter heeft de mogelijkheid om aan ieder gegeven bewijs
bewijskracht toe te kennen. Het te leveren tegenbewijs tegen dwingend bewijs
van een authentieke of onderhandse akte mag geslaagd worden geacht als op
grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd. Voor de
beantwoording of eiser in het bewijs is geslaagd, zijn alle omstandigheden van
belang.
Kamerman/Arolease
Kamerman (directrice van een basisschool) liet op verzoek en ten behoeve van
haar partner Choo, maar op eigen naam als eigenaresse, een eenmanszaak in
, het handelsregister inschrijven. Nadien werden de ingeschreven gegevens op
verzoek van Choo gewijzigd. Uiteindelijk is het bedrijf verkocht aan Choo, die kort
daarna failleerde. Choo tekende bij de overdracht onder valse naam en in
hoedanigheid van directeur van het bedrijf een overeenkomst met Aro Lease met
betrekking tot de lease van een personenauto. Vervolgens heeft hij de
handtekening van Kamerman vervalst onder het contract.
Rechtsvraag: wat is het gevolg van een vervalste handtekening?
Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets
voor die ander verklaart, kan deze ander zich in het algemeen tegen degene tot
wie de verklaring is gericht, erop beroepen dat de handtekening en daarmee de
verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring
was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat de
handtekening echt was.
Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36, 3:61 lid 2 BW, in
samenhang met art. 6:147, vloeit evenwel voort dat dit anders kan zijn onder
bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat aan
degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de
handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.
Rechtsregel: bij een vervalste handtekening heeft de persoon waarvan de
handtekening is vervalst de mogelijkheid om niet gebonden te worden aan de
overeenkomst door een beroep te doen op deze vervalsing. In bijzondere
gevallen kan dit echter anders zijn.
Egelinck (NJ 2019/88)
Egelinck heeft een geldleningsovereenkomst met wederpartij gesloten. De
wederpartij heeft zich beroepen op dit twee bladzijden tellend stuk dat volgens
haar een onderhandse akte als bedoeld in art. 156 Rv zou zijn. Egelinck erkend
dat hij zijn handtekening op de tweede bladzijde heeft gezet, maar hij betwist de
inhoud daarvan. Hij heeft aangevoerd dat de tekst boven zijn naam en
handtekening is gezet en dus een beroep gedaan op valsheid van het geschrift.
Rechtsvraag: dient een akte die bestaat uit meerdere bladzijden ook tot bewijs
indien slechts aan het slot is ondertekend?
De Hoge Raad oordeelt dat art. 156 lid 1 Rv ook op een meer bladzijden tellend
stuk ziet dat uitsluitend aan het slot is ondertekend. Nu vaststaat dat de
handtekening van verweerder (Egelinck) op de tweede bladzijde staat en dat de
tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte als bedoeld in dat
artikel.
Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als
wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd overeenkomt met
het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze
valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast hiervan heeft.
Week 1
Wever-Arubabank
Wever was gerechtigd tot het recht van erfpacht op een perceel op Aruba met
het daarop gebouwde, door haar bewoonde huis. Bij notariële akte van die datum
heeft zij dit recht van erfpacht verbonden met het recht van eerste hypotheek
ten behoeve van de Arubabank, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de
Arubabank te vorderen had of te eniger tijd te vorderen mocht hebben van de op
Aruba gevestigde naamloze vennootschap De Kort Construction N.V. wegens aan
deze vennootschap verleend credit of uit welken anderen hoofde ook.
Wever vordert een bevel aan de Arubabank om de inschrijving van de hypotheek
in het register te doen doorhalen, omdat tussen haar en de bank overeen zou zijn
gekomen dat de hypothecaire zekerheid uitsluitend zou dienen voor het geval
enig directeur en aandeelhouder van De Kort Construction N.V. het
aannemingscontract voor de bouw van een pand voor de Sociale
Verzekeringsbank zou krijgen en de bank hem in verband daarmee zou
financieren. Dit is niet gebeurt, dus bestaat de onderzetting rechtens niet meer
volgens Wever.
R.o. 3.2: Het middel berust op de stelling dat de Bank redelijkerwijze niet, althans
niet zonder nader onderzoek naar de opvatting die bij Wever over de inhoud van
de te sluiten hypotheekovereenkomst bestond, 'de letterlijke inhoud van de akte
(…) kon opvatten als de betekenis die Wever aan de te sluiten overeenkomst
toekende en (noch) op de inhoud van die akte, noch op het enkele feit dat Wever
die ondertekende, mocht afgaan'.
Rechtsvraag: mag een hypotheeknemer erop vertrouwen dat de ondertekende
notariële akte de bedoelingen van de hypotheekgever juist weergeeft?
In casu waren de volgende getuigen: De Kort en haar neef Lopez. De verklaringen
van deze partijen mogen niet te zwaar worden gewogen, want De Kort is immers
nauw bij de transactie betrokken en Lopez kan evenmin onbevooroordeeld
worden genoemd. De notaris is de derde getuige. Als notaris moet hij geacht
worden geheel onafhankelijk te zijn van pp. Het tegendeel is ook niet gesteld of
gebleken. Nu hij uitdrukkelijk heeft ontkend dat tijdens de betreffende bespreking
bovenbedoelde (nadere) afspraak is gemaakt, zal daarvan daarom moeten
worden uitgegaan. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat Wever
het bewijs voor het door haar gestelde niet heeft geleverd. Zie r.o. 6.
Aan het bovenstaande doet niet af dat heel goed mogelijk is dat Wever ook
tijdens het ondertekenen van de akte in de veronderstelling heeft verkeerd dat
de hypotheek slechts ten behoeve van de eventuele financiering van het door
haar genoemde project werd gevestigd. Door het ondertekenen van de
betreffende akte heeft zij in dat geval echter het vertrouwen gewekt dat de
inhoud daarvan haar bedoelingen goed weergaf. De bank mocht daarop afgaan,
,nu ook niet is gebleken dat de bank van de tussen De Kort en Wever gemaakte
afspraken afwist.
Rechtsregel: Het eerste lid van art. 1197 BW Ned. Antillen bepaalt dat hypotheek,
uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk aangewezen, alleen bij
notariële akte kan worden verleend; dit ter bescherming van de hypotheekgever
en waarborg van de rechtszekerheid. De hypotheeknemer kan ervan uitgaan dat
in de akte bedoelingen van de hypotheekgever juist en volledig zijn weergeven.
Slechts onder bijzondere omstandigheden kan de hypotheeknemer wellicht
verplicht zijn tot een nader onderzoek.
Veldhof-Leonhard-Woltjerstichting
Veldhof voert werkzaamheden uit voor het inmiddels overleden echtpaar Woltjer
en de stichting. De stichting is enig erfgenaam van het echtpaar. Veldhof vordert
betaling van bepaalde bedragen en afgifte van een aantal goederen. Veldhof
beroept zich daarvoor op diverse geschriften met daaronder de handtekening van
mevrouw Woltjer. De stichting voert als verweer aan dat de tekst later boven de
handtekening is geplaatst.
Rechtsvraag: bij wie ligt de bewijslast van de echtheid van geschriften?
Men moet aannemen dat de tekst van de geschriften later boven de
handtekening is geplaatst. De bewijslast ter zake van de valsheid van de
onderhavige geschriften ligt bij de stichting. De stichting is geslaagd in het
verstrekken van dit bewijs.
Rechtsregel: de bewijslast ligt bij de stichting, aangezien de stichting de echtheid
van de geschriften in twijfel trekt, art. 150 Rv.
Brooke/Overes q.q.
Brooke heeft een pand gekocht van Vegter. In de leveringsakte is een verklaring
opgenomen waarin de verkoopster de koopster kwijting voor de koopsom
verleent. Nadien heeft een bank een verklaring omtrent de ontvangst van een
geldbedrag gegeven. Vervolgens gaat verkoopster (Vegter) failliet. Stellende dat
Brooke slechts een deel van de koopsom heeft voldaan, vordert de curator
(Overes) ontbinding van de koopovereenkomst.
Rechtsvraag: biedt de leveringsakte voldoende bewijs?
Vaststaat dat de notariële akte van levering betreffende de in het geding zijnde
transactie meldt dat de koopsom is voldaan en dat Vegter aan Brooke kwijting
verleent. Op de voet van het bepaalde in art. 157 lid 2 Rv levert deze in de
notariële akte van levering opgenomen verklaring tussen Vegter en Brooke
dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring.
Nu Brooke zich ter onderbouwing van haar stelling dat zij de volledige koopsom
bevrijdend heeft betaald op de akte heeft beroepen, moet dit worden
,aangenomen, met dien verstande dat voor Vegter op grond van art. 151 lid 2 Rv
tegenbewijs openstaat.
Rechtsregel: hetgeen dat in de leveringsakte is opgenomen dient als bewezen te
worden aangemerkt. Tegenbewijs is mogelijk.
Aard en Herbert Wooning (Wooning/Wooning)
Aard en Herbert zijn broers. Zij hebben via een besloten vennootschap waarvan
zij ieder afzonderlijk enig aandeelhouder en bestuurder waren in een vof een
tuinbouwbedrijf uitgeoefend. In de vennootschapsakte was bepaald dat indien de
vennootschap door opzegging een einde zou nemen, Aard het recht had de zaken
van de vennootschap voort te zetten.
Opdracht naar de notaris luidt dat er een aanbiedingsverplichting van Herbert
aan Aad moet zijn in het geval de vof wordt beëindigd voor een bepaalde datum
en Aad besluit zijn tuinbedrijf voort te zetten. De voorwaarde dat Aad het bedrijf
voortzet wordt in de notariële akte niet opgenomen.
Ingevolge art. 157 lid 2 Rv levert een authentieke of onderhandse akte,
behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de
verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van
de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid
van deze verklaring. Op grond van art. 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend
bewijs tegenbewijs open en dit tegenbewijs mag volgens art. 152 lid 1 Rv door
alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter
vrij dit bewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding
gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is.
De rechter mag daarbij aan ieder gebleken feitelijk gegeven in het geding de
bewijskracht hechten die hem goeddunkt (vgl. Brooke/Overes q.q.). In het
onderhavige geval betekent dit dat eiser bewijs moest leveren van feiten en
omstandigheden op grond waaruit valt af te leiden dat de in de akte opgenomen
tekst van de door partijen afgelegde verklaringen niet strookt met de werkelijke
bedoeling van partijen.
Rechtsvraag: wanneer is er voldoende bewijs tegen de akte geleverd?
Rechtsregel: De rechter heeft de mogelijkheid om aan ieder gegeven bewijs
bewijskracht toe te kennen. Het te leveren tegenbewijs tegen dwingend bewijs
van een authentieke of onderhandse akte mag geslaagd worden geacht als op
grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd. Voor de
beantwoording of eiser in het bewijs is geslaagd, zijn alle omstandigheden van
belang.
Kamerman/Arolease
Kamerman (directrice van een basisschool) liet op verzoek en ten behoeve van
haar partner Choo, maar op eigen naam als eigenaresse, een eenmanszaak in
, het handelsregister inschrijven. Nadien werden de ingeschreven gegevens op
verzoek van Choo gewijzigd. Uiteindelijk is het bedrijf verkocht aan Choo, die kort
daarna failleerde. Choo tekende bij de overdracht onder valse naam en in
hoedanigheid van directeur van het bedrijf een overeenkomst met Aro Lease met
betrekking tot de lease van een personenauto. Vervolgens heeft hij de
handtekening van Kamerman vervalst onder het contract.
Rechtsvraag: wat is het gevolg van een vervalste handtekening?
Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets
voor die ander verklaart, kan deze ander zich in het algemeen tegen degene tot
wie de verklaring is gericht, erop beroepen dat de handtekening en daarmee de
verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring
was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat de
handtekening echt was.
Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36, 3:61 lid 2 BW, in
samenhang met art. 6:147, vloeit evenwel voort dat dit anders kan zijn onder
bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat aan
degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de
handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.
Rechtsregel: bij een vervalste handtekening heeft de persoon waarvan de
handtekening is vervalst de mogelijkheid om niet gebonden te worden aan de
overeenkomst door een beroep te doen op deze vervalsing. In bijzondere
gevallen kan dit echter anders zijn.
Egelinck (NJ 2019/88)
Egelinck heeft een geldleningsovereenkomst met wederpartij gesloten. De
wederpartij heeft zich beroepen op dit twee bladzijden tellend stuk dat volgens
haar een onderhandse akte als bedoeld in art. 156 Rv zou zijn. Egelinck erkend
dat hij zijn handtekening op de tweede bladzijde heeft gezet, maar hij betwist de
inhoud daarvan. Hij heeft aangevoerd dat de tekst boven zijn naam en
handtekening is gezet en dus een beroep gedaan op valsheid van het geschrift.
Rechtsvraag: dient een akte die bestaat uit meerdere bladzijden ook tot bewijs
indien slechts aan het slot is ondertekend?
De Hoge Raad oordeelt dat art. 156 lid 1 Rv ook op een meer bladzijden tellend
stuk ziet dat uitsluitend aan het slot is ondertekend. Nu vaststaat dat de
handtekening van verweerder (Egelinck) op de tweede bladzijde staat en dat de
tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte als bedoeld in dat
artikel.
Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als
wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd overeenkomt met
het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze
valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast hiervan heeft.