Bedrijfskunde
Les 1 – 15.02
Wat is een bedrijf?
• Het bedrijf staat centraal in ons leven
• Komen veel voor id nieuwsberichten
• Definitie
⇒ Organisatie die gericht is op leveren van producten aan derden en daarvoor een
economische tegenprestatie krijgen.
• NIET
⇒ Afhankelijk van leden
⇒ De overheid
⇒ Liefdadigheid
⇒ Organisaties die geen bedrijven zijn kunnen wel bedrijfskundige
activiteiten uitvoeren (bv Ugent opzetten van ‘Durf ondernemen’)
⇒ Bedrijven zijn economisch rationeel = Bedrijven kunnen niet tot ih oneindige
geld ‘verspillen’ zonder uiteindelijk failiet te gaan
⇒ Aparte juridische economische entiteit
• Beperkte aansprakelijkheid
⇒ Eigenaars bedrijven zijn maar aansprakelijk voor totaal van hun inleg
• Verschillende types genootschappen en juridische vormen
• Geeft bedrijfsleider rechten:
⇒ Mensen aanwerven zonder beschuldigd van slavernij
• Geeft de bedrijfleider plichten
• Voordelen van een bedrijf
⇒ Innovatie
⇒ Rijkdom vergaren als bedrijf
⇒ Werkgelegenheid
⇒ Beperkt risico
⇒ Samenbrengen van competenties
⇒ Samenwerken, gemeensch doelstelling
⇒ Nobel, visionair
⇒ Rendement voor aandeelhouders
• Nadelen van een bedrijf
⇒ Weinig controle over (grote) bedrijven door overheid of publiek
⇒ Kunnen zo winstgeöriënteerd zijn dat ze winst maken ten kosten van de
maatschappij
⇒ Beperkt verantwoordelijkheidsgevoel
• Ontstaan
1
,⇒ Te koppelen aan transactiekosten theorie
• Het is interessanter om melk te kopen id winkel ipv zelf een koe te
onderhouden
⇒ Chronologie
• Ondernemerschap vanaf 13de-14de eeuw bij de ontdekkingsreizigers
⇒ Reiziger was een ondernemer, met een financierder
⇒ Handelsroutes naar het verre Oosten
• Geldschieter nam financieel risico
• Handelsreiziger nam fysieke en emotionele risico’s
• Winsten tot 75% voor de geldschieter
• Middeleeuwen: geestelijke
⇒ Verantwoordelijk voor grote infrastructuurwerken
• Geen risico’s
• Manager
• Bouwen van kastelen, abdijen, kathedralen,…
• 17de eeuw: hofleverancier
⇒ PERSOON die contract afsluit met overheid
• Leveren van goederen of diensten
• Vaste prijs
• Verliezen of winst zijn voor rekening van de ondernemer
• 18de-19de eeuw: industrialisatie
• 20ste eeuw: innovatie
⇒ Innovatie en vernieuwing als deel van ondernemerschap
⇒ Grote projecten die als individu niet meer haalbaar zijn (bv spoorwegen)
= reden dat bedrijven zijn ontstaan rond 1850
⇒ Rond 1850 ontstaan:
• Technologie- aanbodzijde
⇒ 1830: stoommachines, spoorwegen, hoogovens,…
⇒ Nieuwe producten op de markt
• Sociologische verschuiving- vraagzijde
⇒ Rol van de vrouw in de samenleving -> komt meer centraal te staan
⇒ Investeren in kinderen wordt interessanter
⇒ De consument wordt ‘geboren’
• 1850: apart juridisch statuut
⇒ Beperken van risico’s
⇒ 4de reden waarom bedrijven zijn ontstaan:
• Rechten voor “iedereen” krijgen (ook slaven, zwarten, ...)
⇒ Eigendom, leven, vrijheid -> toegepast op bedrijven! -> een bedrijf is ook
een persoon en moet dezelfde rechten krijgen
• Oorspronkelijk: ten dienste van de gemeenschap
2
, ⇒ “Hinderpalen” werden weggewerkt (14th amendement) zodat ook
bedrijven dezelfde rechten hadden als individuen
• Nadruk ligt hier sterk op eigenaars
• Stakeholders en Stockholders
⇒ Stakeholders -> hebben verwachtingen
• Klant -> bv beschikbaarheid vh product
• Werknemers -> maandelijks betaald worden, goede werkomstandigheden
• Leveranciers
• De maatschappij
• Bedrijv Eterniet loste deze verwachtingen niet in: Asbestos in de producten
⇒ Voor de rechter gesleept
⇒ Stockholders: hebben aandelen, eigenaars van het bedrijf
• Governance
⇒ Is het geheel van activiteiten van een onderneming ‘onder controle’?
⇒ Corporate governance- actueel sinds 1980
• Oorsprong in een aantal schandalen
• The effects of Enron Fraud
⇒ Energiebedrijf die andere activiteit wouden bijnemen die meer winst
maakten -> deden fraude
⇒ Hebben groot verlies gemaakt -> failliet -> veel mensen verliezen hun
job/geld
⇒ Ook effect op bedrijven die samenwerkten met het bedrijf
⇒ Slachtoffer van zijn eigen verlangen naar steeds meer winst
⇒ Goed effect: bedrijven moeten meer gecontroleerd worden -> sarbanes-
oxley wet
• Sarbanes-Oxley (US): bestuurders mee aansprakelijk
⇒ In België: Code Lippens en code Buysse
⇒ Raad van Bestuur/Aandeelhoudersvergadering wordt belangrijker
binnen het bedrijf
Strategie
• Wat is strategie?
⇒ Het proces van het groot en blijvende georganiseerd succes
⇒ Kernwoorden: belangrijk, lange termijn, levensbepalend, beter dan anderen,
allesomvattend, hoog niveau
• Basisprincipes van een goede strategie
⇒ Pro-actief
⇒ Rekening houden met andere spelers
⇒ Maakt gebruik van eigen sterktes
⇒ Buit zwaktes van anderen uit
⇒ Maakt geen nodeloze vijanden
3
, ⇒ Vertrekt vanuit degelijke terreinkennis
• 3 strategische basisvragen
⇒ Waar zullen we actief zijn?
• Welke markten?
• Welke producten?
⇒ IBM: “we are not in the toy business”
⇒ Specifiëren wat het product is, inhoud
• What business are we really in???
⇒ Hoe bieden we het aan? Wat bieden we erbij aan?
• Hoe aantrekkelijk is het gekozen product/markt segment?
⇒ Model van Porter
• Nagaan hoe aantrekkelijk het product is door te kijken naar 5
aspecten
• Voorbeeld: Tommy’s limonade business
⇒ Dreiging door nieuwe toetreders = zwak
• Gemakkelijk voor Tommy + Terry (broer) schrikt competitie af
• Weinig andere kinderen in de wijk
⇒ Macht van leveranciers = zwak
• Moeder + eenvoudige ingrediënten
• Veel andere leveranciers mogelijk
⇒ Macht van klanten = zwak
• Weinig alternatieven + geen behoefte
⇒ Dreiging door substituten = risico
• Water of fruitsap meenemen -> klanten nemen iets anders zelf mee
⇒ Dreiging door concurrentie = klein
4
Les 1 – 15.02
Wat is een bedrijf?
• Het bedrijf staat centraal in ons leven
• Komen veel voor id nieuwsberichten
• Definitie
⇒ Organisatie die gericht is op leveren van producten aan derden en daarvoor een
economische tegenprestatie krijgen.
• NIET
⇒ Afhankelijk van leden
⇒ De overheid
⇒ Liefdadigheid
⇒ Organisaties die geen bedrijven zijn kunnen wel bedrijfskundige
activiteiten uitvoeren (bv Ugent opzetten van ‘Durf ondernemen’)
⇒ Bedrijven zijn economisch rationeel = Bedrijven kunnen niet tot ih oneindige
geld ‘verspillen’ zonder uiteindelijk failiet te gaan
⇒ Aparte juridische economische entiteit
• Beperkte aansprakelijkheid
⇒ Eigenaars bedrijven zijn maar aansprakelijk voor totaal van hun inleg
• Verschillende types genootschappen en juridische vormen
• Geeft bedrijfsleider rechten:
⇒ Mensen aanwerven zonder beschuldigd van slavernij
• Geeft de bedrijfleider plichten
• Voordelen van een bedrijf
⇒ Innovatie
⇒ Rijkdom vergaren als bedrijf
⇒ Werkgelegenheid
⇒ Beperkt risico
⇒ Samenbrengen van competenties
⇒ Samenwerken, gemeensch doelstelling
⇒ Nobel, visionair
⇒ Rendement voor aandeelhouders
• Nadelen van een bedrijf
⇒ Weinig controle over (grote) bedrijven door overheid of publiek
⇒ Kunnen zo winstgeöriënteerd zijn dat ze winst maken ten kosten van de
maatschappij
⇒ Beperkt verantwoordelijkheidsgevoel
• Ontstaan
1
,⇒ Te koppelen aan transactiekosten theorie
• Het is interessanter om melk te kopen id winkel ipv zelf een koe te
onderhouden
⇒ Chronologie
• Ondernemerschap vanaf 13de-14de eeuw bij de ontdekkingsreizigers
⇒ Reiziger was een ondernemer, met een financierder
⇒ Handelsroutes naar het verre Oosten
• Geldschieter nam financieel risico
• Handelsreiziger nam fysieke en emotionele risico’s
• Winsten tot 75% voor de geldschieter
• Middeleeuwen: geestelijke
⇒ Verantwoordelijk voor grote infrastructuurwerken
• Geen risico’s
• Manager
• Bouwen van kastelen, abdijen, kathedralen,…
• 17de eeuw: hofleverancier
⇒ PERSOON die contract afsluit met overheid
• Leveren van goederen of diensten
• Vaste prijs
• Verliezen of winst zijn voor rekening van de ondernemer
• 18de-19de eeuw: industrialisatie
• 20ste eeuw: innovatie
⇒ Innovatie en vernieuwing als deel van ondernemerschap
⇒ Grote projecten die als individu niet meer haalbaar zijn (bv spoorwegen)
= reden dat bedrijven zijn ontstaan rond 1850
⇒ Rond 1850 ontstaan:
• Technologie- aanbodzijde
⇒ 1830: stoommachines, spoorwegen, hoogovens,…
⇒ Nieuwe producten op de markt
• Sociologische verschuiving- vraagzijde
⇒ Rol van de vrouw in de samenleving -> komt meer centraal te staan
⇒ Investeren in kinderen wordt interessanter
⇒ De consument wordt ‘geboren’
• 1850: apart juridisch statuut
⇒ Beperken van risico’s
⇒ 4de reden waarom bedrijven zijn ontstaan:
• Rechten voor “iedereen” krijgen (ook slaven, zwarten, ...)
⇒ Eigendom, leven, vrijheid -> toegepast op bedrijven! -> een bedrijf is ook
een persoon en moet dezelfde rechten krijgen
• Oorspronkelijk: ten dienste van de gemeenschap
2
, ⇒ “Hinderpalen” werden weggewerkt (14th amendement) zodat ook
bedrijven dezelfde rechten hadden als individuen
• Nadruk ligt hier sterk op eigenaars
• Stakeholders en Stockholders
⇒ Stakeholders -> hebben verwachtingen
• Klant -> bv beschikbaarheid vh product
• Werknemers -> maandelijks betaald worden, goede werkomstandigheden
• Leveranciers
• De maatschappij
• Bedrijv Eterniet loste deze verwachtingen niet in: Asbestos in de producten
⇒ Voor de rechter gesleept
⇒ Stockholders: hebben aandelen, eigenaars van het bedrijf
• Governance
⇒ Is het geheel van activiteiten van een onderneming ‘onder controle’?
⇒ Corporate governance- actueel sinds 1980
• Oorsprong in een aantal schandalen
• The effects of Enron Fraud
⇒ Energiebedrijf die andere activiteit wouden bijnemen die meer winst
maakten -> deden fraude
⇒ Hebben groot verlies gemaakt -> failliet -> veel mensen verliezen hun
job/geld
⇒ Ook effect op bedrijven die samenwerkten met het bedrijf
⇒ Slachtoffer van zijn eigen verlangen naar steeds meer winst
⇒ Goed effect: bedrijven moeten meer gecontroleerd worden -> sarbanes-
oxley wet
• Sarbanes-Oxley (US): bestuurders mee aansprakelijk
⇒ In België: Code Lippens en code Buysse
⇒ Raad van Bestuur/Aandeelhoudersvergadering wordt belangrijker
binnen het bedrijf
Strategie
• Wat is strategie?
⇒ Het proces van het groot en blijvende georganiseerd succes
⇒ Kernwoorden: belangrijk, lange termijn, levensbepalend, beter dan anderen,
allesomvattend, hoog niveau
• Basisprincipes van een goede strategie
⇒ Pro-actief
⇒ Rekening houden met andere spelers
⇒ Maakt gebruik van eigen sterktes
⇒ Buit zwaktes van anderen uit
⇒ Maakt geen nodeloze vijanden
3
, ⇒ Vertrekt vanuit degelijke terreinkennis
• 3 strategische basisvragen
⇒ Waar zullen we actief zijn?
• Welke markten?
• Welke producten?
⇒ IBM: “we are not in the toy business”
⇒ Specifiëren wat het product is, inhoud
• What business are we really in???
⇒ Hoe bieden we het aan? Wat bieden we erbij aan?
• Hoe aantrekkelijk is het gekozen product/markt segment?
⇒ Model van Porter
• Nagaan hoe aantrekkelijk het product is door te kijken naar 5
aspecten
• Voorbeeld: Tommy’s limonade business
⇒ Dreiging door nieuwe toetreders = zwak
• Gemakkelijk voor Tommy + Terry (broer) schrikt competitie af
• Weinig andere kinderen in de wijk
⇒ Macht van leveranciers = zwak
• Moeder + eenvoudige ingrediënten
• Veel andere leveranciers mogelijk
⇒ Macht van klanten = zwak
• Weinig alternatieven + geen behoefte
⇒ Dreiging door substituten = risico
• Water of fruitsap meenemen -> klanten nemen iets anders zelf mee
⇒ Dreiging door concurrentie = klein
4