Inleiding
Veralgemeningen (<-> anekdote= 1 ervaring)
Beschrijft beperkt stuk werkelijkheid
Bewijs verzamelen (meerdere contexten)
Resultaten onderzoek≠ ‘realiteit’-> herhalen van studies, meer bewijs
Richting werkelijk, ‘realiteit’ bereiken we nooit
“academische consensus”-> hard bewijs
Vooruitgang: oude modellen= te weinig bewijs nu gebruiken
Sterker bewijs bij grote populatie-> in consensus
Statistisch significant= onwaarschijnlijk door toeval
Vragen?
Hoe steekproef? Aantal? Door wie? Verschil correlatie+ causaliteit
Representatief? Andere variabele verantwoordelijk?
Zichzelf aangemeld?=
Survey? Interview? Selection bias= waarschijnlijke subjectief
deelname doelpubliek= effect Systematisch? Consistent?
resultaten
Wat kenmerkt wetenschap?
Wetenschappelijke kennis ≠ absolute kennis
- Specifiek onderdeel+ onderuitgehaald bij tegenbewijs
Wetenschappelijke controverses bestaan
Stanford prison experiment (geïnstitutionaliseerd= aan verwachtingen voldoen)
- Vragen bij: systematiek+ objectiviteit
- Priming= G wordt beïnvloedt door omgeving=> invloed resultaat
Systematisch+ objectief! Andere bijkomende variabele= geen goed onderzoek
MAAR: Wetenschap levert geen argumenten op bestelling
Wetenschappelijke inzichten zijn gebaseerd op toegepaste regels en procedures
die de kwaliteit en het waarheidsgehalte van die inzichten maximaliseren
Vb. pandemie: op voorhand onderzoek MAAR niet meteen wetenschappelijke
inzichten
Andere bronnen kennis (niet wetenschappelijk)
Persoonlijke ervaring
Mediaberichtgeving
Ideologische overtuigingen en waarden
Wetenschappelijke kennis
Theorie= hypothese, concepten, ideeën
= generaliseren (voor ied)
Empirie= snapshots werkelijkheid (specifiek)
Via inductie (specifiek-> algemeen) en deductie (algemeen-> specifiek)
Methodologie
= wijze wetenschapsbeoefening functioneert (kennis+ beheersing methodes,…)
Institutionele inbedding: WO gebeurt aan gespecialiseerde instellingen (vb. universiteit)
Wijze organisatie+ financiering=> output
De wetenschapper als bokser?
Onderzoeker in wereld ondergedompeld van ‘zwarte’ getto in Chigago
Notities over interacties
Doel: studie transformatie sociale leven in zwarte getto’s
Participerende observatie: van binnenuit beschreven (alsof zelf toebehoort)
Motieven begrijpen van sociale handelen
In zijn concrete context begrijpen
De wetenschappelijke aanpak
Toepassen regels+ procedures-> kwaliteit (waarheidsgehalte) maximaliseren
1
, Keuzes ieder onderzoek: wijze data-verzameling, omschrijving, rapportering,…?
Methodologie ≠ methode
- Methodologie= hele proces wetenschapsbeoefening (institutionele inbedding->
onderzoekspraktijk)
- Methode= technieken om met gegevens om te gaan
Nooit absolute kennis
Alternatieve bronnen van kennis over werkelijkheid
= persoonlijke ervaring, media, ideologische overtuiging
Risico: generaliseren/ doortrekken andere mensen of situaties
Selectieve observatie: vooringenomen ideeën bevestigen
Media: via filter TV=> wetenschappelijke inzichten+ valse/ niet-wetens info
Selectieve berichtgeving: andere aspecten onbelicht
Ideologische overtuigingen: vb. religie, samenhang ras+ intelligentie (racisten=
ideologie)
Wetenschappers=> niet in ideologisch vacuüm (ideologische vooringenomenheid)
Manieren: frappant <-> latent, interpretatie
Wat te verwachten van methodologie?
1. Theorie= o.b.v. empirische data of geg uit werkelijkheid
2. Niveau interacties=> analyse/ theorie…
Microniveau= interpersoonlijk
Macro= ruimere omgeving, maatschappelijk
Meso= tussenin (vb. organisaties, befrijven)
3. Data of gegevens: onmiddellijk<-> met meetinstrument waarneembaar
Empirische data (zintuigen! Zowel meten als observeren)
Kwantitatief of kwalitatief
H2 bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
Inleiding
2
, Doel= theoretische kennis opbouwen over SL
Sociaalwetenschappelijk onderzoek= productie geldige+ betrouwbare kennis
over sociale realiteit door combineren theorie+ empirie waarbij methodologische
spelregels worden toegepast
Systematische observatie realiteit
Geen algemeen aanvaarde definitie SWO (veel visies)
Bouwstenen van sociaalwetenschappelijk onderzoek
Theorie
THEORIE= samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde fenomenen
beschrijven of verklaren
- Leggen terugkerende patronen of regelmatigheden in de wereld rondom ons uit
- Bestaan uit concepten en de verbanden daartussen
Goede wetenschappelijke theorieën
Zijn logisch samenhangend (consistent)
Uitspraken niet tegenspreken (hoe minder uitspraken nodig om te begrijpen, hoe beter)
Beschikken over een zekere mate van veralgemeenbaarheid: ruimere toepassing
Zijn te toetsen door empirische observatie
- verifieerbaar: waarneembaar, observeerbaar
- falsifieerbaar: kunnen ook ontkracht worden, weerleggen (eventueel
onjuistheid aantonen<-> onjuist zijn)
Zijn nooit definitief bewezen
Toetsbare kennis vereist grote openheid en transparantie
Onderzoekers moeten open rapporteren over hoe theorieën tot stand zijn gekomen
Dat maakt onderzoek herhaalbaar (te repliceren) en te controleren
- Moeilijk: identieke gemeenschap<-> makkelijk: experimenten
- Data beschikbaar
2 elementen
1. Concepten= algemeen abstract idee-> concreet waarneembare fenomenen te
categoriseren
2. Relatie tussen die concepten
Sociaalwetenschappelijke theorie= hoe bepaalde concepten met elkaar verbonden
Formele theorie= sociale fenomenen los van concrete inhoud kan verklaren vanuit
vormelijke basisprincipes
Koten-batenanalyse: kosten minimaliseren<-> baten maximaliseren
Grand theory= soc fenomenen vanuit 1 abstract conceptueel kader-> ordenen
concepten> begrijpen soc werkelijkheid
- Universele wetten-> verschillende domeinen SL
- Vb. structurele functionalisme=> alle aspecten soc G vanuit structuur soc
systeem
- Kritiek: moeilijk empirisch getest
Middle range theory= aannames over 1 bepaald soc fenomeen-> daaruit
hypothesen-> die empirisch getoetst
Empirie
EMPIRIE= ervaren wereld door waarneming (in bepaalde context)
- Ons waarnemingsvermogen is altijd gekleurd
- Uitdaging: soms niet rechtsreeks observeerbaar of private sfeer
- Hoe lossen we dat op als sociaalwetenschappelijk onderzoekers?
Positivisme= enkel waarneembare feiten (zoals natuurwetenschapper)
o Subjectieve mening doet er niet toe
o Objectief+ meetbaar antwoord
Correspondentietheorie (kennis= waar: overeenkomt met wat je kan
waarnemen= verificatie)
3
, o Geldigheid en betrouwbaarheid
o Operationalisering= abstracte concepten omzetten in meetbare observaties
o Transparant (vb. prijs, snelheid,…)
Constructivisme= actief construeren door voortbouwen op bestaande
kennis
o Specifieker-> interpretatie, perceptie, ervaringen
o ‘de werkelijkheid’ bestaat NIET
Geen zin waarnemingen vergelijken met ‘werkelijkheid’
o Interview, observatie, eigen ervaring
o Hoe soc realiteit? -> geconstrueerd door mensen die leven in die realiteit
o Falsificatie of weerlegbaarheid (<-> verifieerbaarheid)
Consistente argumentatie=> aanvoeren argumenten/
tegenargumenten
Definitie
Productie geldige+ betrouwbare kennis over soc realiteit=> door combineren theorie en
empirie waarbij methodologische principes rigoureus worden toegepast
Rigoureus= systematisch+ consistent+ reflexief (bewustzijn mogelijke vertekeningen)
Deductie
(gevolgtrekking: van algemene-> bijzondere)
Redeneren van het algemene (theorie) naar het specifieke/ concrete (empirie)
Theorie
Hypothese (verwachting)
Observatie
Hypothese bevestigen of ontkrachten
Vb. alle zwanen zijn wit-> observatie-> wit= bevestigen, zwart= ontkrachten,
verwerpen
Inductie
(specifieke observaties-> algemene theorie)
Uit meerdere observaties een theorie destilleren
Observaties
Data verzamelen (door meerdere concrete observaties)
Patro(o)n(en) ontdekken
Hypothese / theorie
Vb. observatie 1: zwaan X is wit, 2: zwaan Y is wit, 3: zwaan Z is wit
Uit die observaties-> ‘alle zwanen zijn wit’= hypothese/ theorie
Risico: uitsluiten uitzonderingen
- 1 tegenstrijdige observatie= theorie verwerpen
- Geen veralgemeenbare theorie na enkele observaties
Aftoetsen via inductie in verschillende contexten (beide!)
De empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
4 fases: (geïdealiseerd)
1. Observatie: doelgericht+ systematisch gegevens van werkelijkheid verzamelen,
groeperen, beschrijven
o Gevestigd in bestaande kennis=> waaruit vermoedens/ hypotheses worden
gedistilleerd
2. Inductie: vanuit empirische feitenmateriaal=> wetmatigheden+ theoretische
proposities
3. Deductie: die abstracte, algemene kennis=> naar toetsbare hypotheses
4. Toetsing: nagaan vooropgestelde hypotheses door empirisch feitenmateriaal=>
ondersteund of verworpen
4