20 januari 2018 Volgnummer: .....
EXAMEN FMPI - FI
J. Meir
NAAM: ...........................................................
Voornaam: ....................................................
Studentennummer: ………………………………
Handtekening: …………………………………….
Opmerkingen vooraf
- Dit deel (FI) staat op de helft van de totaalscore voor dit opleidingsonderdeel (FMPI).
- Puntenverdeling van dit deel (FI): meerkeuzevragen: 40% ; open vragen: 60%
- Gelieve volgnummer (zie aanwezigheidslijst) te noteren in de rechterbovenhoek.
- Achteraan de bundel zijn een aantal kladbladen opgenomen. De kladbladen moeten aan de
bundel vastgeniet blijven.
I. Meerkeuzevragen
Op pp. 2-4 worden 10 meerkeuzevragen gegeven. Er is per vraag slechts 1 antwoord mogelijk. Bij de
verbetering wordt een systeem van ‘standard setting’ toegepast (wat impliceert dat zes vragen juist
moeten worden beantwoord om de helft van de punten te behalen op de meerkeuzevragen). Vergeet
niet de antwoorden in te vullen in onderstaand antwoordraster.
Kruis het correcte antwoord aan
Vraag Antwoord
A B C D
1 X
2 X
3 X
4 X
5 X
6 X
7 X
8 X
9 X
10 X
II. Open vragen
Op pp. 5-9 worden 5 open vragen gegeven. Gelieve de oplossingen voor de open vragen te noteren
na de respectievelijke vragen (waar steeds voldoende plaats is voorzien). Iedere vraag heeft een
zelfde gewicht bij de beoordeling.
, I. Meerkeuzevragen
1. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de verwachte kredietverliezen.
b. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de onverwachte kredietverliezen.
c. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de som van de verwachte en onverwachte
kredietverliezen.
d. Het economisch eigen vermogen is niet gelijk aan de verwachte kredietverliezen en ook niet
gelijk aan de onverwachte kredietverliezen.
2. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de inventariswaarde per
deelbewijs met de bank als tegenpartij.
b. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de inventariswaarde per
deelbewijs niet met de bank als tegenpartij.
c. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de prijs/koers op de financiële
markt met de bank als tegenpartij.
d. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de prijs/koers op de financiële
markt niet met de bank als tegenpartij.
3. Stel dat de rente op een termijnrekening met een looptijd van twee jaar lager is dan de rente
op een spaarboekje (basisrente + getrouwheidspremie). Onder welke hypothese kan een belegging in
de termijnrekening toch interessanter zijn dan een belegging in het spaarboekje ?
a. Indien de marktrente gedurende de komende twee jaar gaat dalen.
b. Indien de marktrente gedurende de komende twee jaar gaat stijgen.
c. Indien de overheid de roerende voorheffing zou verhogen.
d. Onder geen enkele hypothese kan een belegging in de termijnrekening interessanter zijn dan
een belegging in het spaarboekje.
4. Veronderstel dat B gelijk is aan de omvang van de cliëntendeposito’s bij een bank en A gelijk
is aan het verschil tussen schulden en vorderingen op de interbankenmarkt bij die bank. Wat is dan de
ondergrens respectievelijk de bovengrens van de ratio A/B ?
a. Ondergrens = -∞ ; bovengrens = +∞
b. Ondergrens = -∞ ; bovengrens = +1
c. Ondergrens = -1 ; bovengrens = +∞
d. Ondergrens = -1 ; bovengrens = +1
2
EXAMEN FMPI - FI
J. Meir
NAAM: ...........................................................
Voornaam: ....................................................
Studentennummer: ………………………………
Handtekening: …………………………………….
Opmerkingen vooraf
- Dit deel (FI) staat op de helft van de totaalscore voor dit opleidingsonderdeel (FMPI).
- Puntenverdeling van dit deel (FI): meerkeuzevragen: 40% ; open vragen: 60%
- Gelieve volgnummer (zie aanwezigheidslijst) te noteren in de rechterbovenhoek.
- Achteraan de bundel zijn een aantal kladbladen opgenomen. De kladbladen moeten aan de
bundel vastgeniet blijven.
I. Meerkeuzevragen
Op pp. 2-4 worden 10 meerkeuzevragen gegeven. Er is per vraag slechts 1 antwoord mogelijk. Bij de
verbetering wordt een systeem van ‘standard setting’ toegepast (wat impliceert dat zes vragen juist
moeten worden beantwoord om de helft van de punten te behalen op de meerkeuzevragen). Vergeet
niet de antwoorden in te vullen in onderstaand antwoordraster.
Kruis het correcte antwoord aan
Vraag Antwoord
A B C D
1 X
2 X
3 X
4 X
5 X
6 X
7 X
8 X
9 X
10 X
II. Open vragen
Op pp. 5-9 worden 5 open vragen gegeven. Gelieve de oplossingen voor de open vragen te noteren
na de respectievelijke vragen (waar steeds voldoende plaats is voorzien). Iedere vraag heeft een
zelfde gewicht bij de beoordeling.
, I. Meerkeuzevragen
1. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de verwachte kredietverliezen.
b. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de onverwachte kredietverliezen.
c. Het economisch eigen vermogen is gelijk aan de som van de verwachte en onverwachte
kredietverliezen.
d. Het economisch eigen vermogen is niet gelijk aan de verwachte kredietverliezen en ook niet
gelijk aan de onverwachte kredietverliezen.
2. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de inventariswaarde per
deelbewijs met de bank als tegenpartij.
b. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de inventariswaarde per
deelbewijs niet met de bank als tegenpartij.
c. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de prijs/koers op de financiële
markt met de bank als tegenpartij.
d. Bij een bevak wordt een deelbewijs gekocht en verkocht tegen de prijs/koers op de financiële
markt niet met de bank als tegenpartij.
3. Stel dat de rente op een termijnrekening met een looptijd van twee jaar lager is dan de rente
op een spaarboekje (basisrente + getrouwheidspremie). Onder welke hypothese kan een belegging in
de termijnrekening toch interessanter zijn dan een belegging in het spaarboekje ?
a. Indien de marktrente gedurende de komende twee jaar gaat dalen.
b. Indien de marktrente gedurende de komende twee jaar gaat stijgen.
c. Indien de overheid de roerende voorheffing zou verhogen.
d. Onder geen enkele hypothese kan een belegging in de termijnrekening interessanter zijn dan
een belegging in het spaarboekje.
4. Veronderstel dat B gelijk is aan de omvang van de cliëntendeposito’s bij een bank en A gelijk
is aan het verschil tussen schulden en vorderingen op de interbankenmarkt bij die bank. Wat is dan de
ondergrens respectievelijk de bovengrens van de ratio A/B ?
a. Ondergrens = -∞ ; bovengrens = +∞
b. Ondergrens = -∞ ; bovengrens = +1
c. Ondergrens = -1 ; bovengrens = +∞
d. Ondergrens = -1 ; bovengrens = +1
2