Samenvatting
ontwikkelingsstoornissen
HC 1 Inleiding in de psychopathologie
50% van bevolking krijgt te maken met stoornissen, 13,4% is jeugd
Seculaire trends = door vroeggeboortes is de kans groter op ontwikkelingsstoornissen
Stoornis vroeg vastgesteld biologische oorzaak
Stoornis later vastgesteld omgevingsgericht
Sommige stoornissen komen pas tot uiting wanneer er druk van de maatschappij komt
Externaliserend probleemgedrag bij jongens neurobiologische stoornissen
Internaliserende problematiek bij meisjes
Opvoeding van ouders belangrijke rol als beschermingsfactor
Behandeling gaat meer richting de online-wereld
Cultuur en tijdsgeest spelen een rol bij de beoordeling van abnormaliteit
Zes criteria van abnormaliteit (= gedrag dat afwijkt van de norm):
1. Cultuur/etniciteit
2. Geslacht
3. Leeftijd/ontwikkelingsnormen
4. Sociale factoren/situationele normen
5. Veranderingen in levensstijl (social media, samenleving)/tijdsgeest
6. Perspectief van volwassene/rol van ouders
Ontwikkelingsstoornis = observeerbare gedrag dat ooit, maar niet langer, binnen het
ontwikkelingsniveau van het kind past. Kernvragen:
Aard van stoornis: classificatie, prevalentie en prognose/continuïteit
Wie loopt risico?: oorzaak, gevaar, bescherming, factoren
Mogelijke targets voor preventie/interventie: voorkomen, behandelen
Ontwikkelingspsychopathologie = studie van ontwikkelingsprocessen die bijdragen aan of
beschermen tegen psychopathologie (per individu kijken)
Etiologie = oorzaak
Pathofysiologie = ontwikkeling van stoornis
Transactioneel en ecologisch model van Sameroff & Bronfenbrenner = ontwikkeling
van het kind is het resultaat van voortdurende, wederkerige transacties tussen het individu en
de omgeving
1) Individu = kind zelf
2) Microsysteem = directe omgeving van het individu
3) Mesosysteem = interacties tussen verschillende microsystemen
4) Exosysteem = buurt of gemeenschap (werk, media, sociale organisaties)
, 5) Macrosysteem = politiek, cultuur, wetten, economie
6) Chronosysteem = leefgeschiedenis en historische tijd (cohort)
Ecologische theorieën = focus op verandering doorheen levensloop; transactioneel
(omgeving en individu)
Proximale risicofactoren = vroeg in de ontwikkeling; dichtbij het kind
Distale risicofactoren = op latere leeftijd invloed; verder weg van het kind
Vijf modellen psychopathologie bij kinderen
1. Medische model = organisch disfunctioneren; alleen individu, geen context
classificatie en diagnose (ICD-10 en DSM)
2. Gedragsgeoriënteerde model = gedrag wordt aangeleerd; leerprincipes;
psychopathologie door overmatige of onvoldoende frequentie/intensiteit. Vier
leerprincipes:
- Klassieke conditionering (Pavlov & Watson)
- Operante conditionering/Thorndike’s Law of Effect (Skinner): bekrachtiging, straffen
en extinctie
- Imitatie/observationeel leren
- Sociaal leren (Bandura): modelling/cognitieve processen
3. Cognitieve model (Piaget – ontwikkeling van kinderen):
1) Sensomotorische fase (zintuigen en motorische activiteiten, objectpermanentie)
2) Pre-operationele fase (symbolisch denken en notie van conservatie)
3) Concreet-operationele fase (logisch redeneren en behoud/categorisatie)
4) Formeel-operationele fase (abstract en wetenschappelijk denken)
Schema’s = kleine bouwstenen van ons begrip van de wereld om nieuwe situaties te
interpreteren
Assimilatie = veranderen van nieuwe informatie zodat het in een schema past.
Bestaande kennis kan gebruikt worden in een nieuwe situatie
Accommodatie = bestaande kennisstructuur herzien of aanpassen
Maladaptieve cognitieve schema’s = tekortkomingen en hoe deze vervormd
kunnen worden informatieverwerkingstheorie en cognitieve gedragstherapie (5G)
(SIP-model Crick en Dodge)
4. Psychoanalytische modellen
- Klassieke psychoanalyse (Freud): ID, Ego en Superego
- Psychoseksuele ontwikkelingsfases: fixaties en terugvallen
- Egopsychologie (Erikson) = acht ontwikkelingsfases met elk een andere behoefte
1) Vertrouwen vs. wantrouwen
2) Autonomie vs. schaamte en twijfel
3) Initiatief vs. schuld
4) Vlijt vs. minderwaardigheid
5) Identiteit vs. identiteitsverwarring
6) Intimiteit vs. isolement
7) Generativiteit vs. stagnatie
8) Ego-integriteit vs. wanhoop
- Objectrelatie theorie (Bowlby & Mahler) = Harlow’s experiment met aapjes
fysieke troost en veiligheid > eten hechtingstheorie van Ainsworth (strange
situation test). Vier verschillende soorten hechting:
1) Veilige hechting
2) Onveilig-vermijdende hechting
3) Onveilig-ambivalente hechting
4) Gedesorganiseerde hechting
, 5. Gezinssysteemtheorie = gezin als ontwikkelend systeem; dynamisch geheel
- Structurele gezinssysteemtheorie (Minuchin) = gezin bestaat uit
subsystemen. Psychopathologie is gelokaliseerd in het relatiepatroon,
gezinsstructuur en/of triangulatie (= verstrengeling van kind in subsystemen van
relatie van ouders)
HC 2 Empirische basis en classificatie
Ontwikkelingspsychopathologie = studie van ontwikkelingsprocessen die bijdragen aan of
beschermen tegen psychopathologie
Microparadigma’s (Dante Cicchetti):
Biologisch
Gedragsmatig
Psychoanalytisch
Cognitief
Gezinssystemen
Sociologisch
Sleutelprincipes binnen de ontwikkelingspsychopathologie
1. Integratieve kijk
2. (Ab)normaal gedrag op een continuüm
3. Risico- en beschermingsfactoren
4. Ontwikkelingspaden
5. Transacties
3,4,5 waarom loopt de ontwikkeling verkeerd?
Risicofactoren = vergroten de kans op het ontwikkelen van psychopathologie: intensiteit,
frequentie en duur
Fetal Alcohol syndrome (FAS) cognitie, uiterlijke kenmerken en intense emoties
Kwetsbaarheid = vergroot de kans dat een specifiek kind problemen ontwikkelt na
blootstelling aan een risicofactor
Beschermende factoren = helpen een normale/gezonde ontwikkeling ondanks blootstelling
aan een risicofactor bij het resulteren in veerkracht
Kindfactoren
Gezinsfactoren
Ecologisch
Oorzaken van psychopathologie:
Noodzakelijke factoren = moeten aanwezig zijn
Voldoende factoren = op zichzelf verantwoordelijk
Bijdragende factoren = één van de mogelijke oorzaken
Multideterminisme = wanneer er meerdere factoren verantwoordelijk zijn
Equifinaliteit = verschillende oorzaken, hetzelfde resultaat
Multifinaliteit = dezelfde oorzaak, verschillende resultaten. Belangrijk factoren zijn:
- Veerkracht = het vermogen om ons aan te passen wanneer er geconfronteerd
wordt met tegenslagen
, - Temperament = individuele verschillen in stijl van reageren op de omgeving. Drie
dimensies:
1) Emotionaliteit
2) Activiteit
3) Aandacht/regulaties
Diathese-stress-/duale risicomodel (veerkracht) = er kan een onderscheid gemaakt
worden tussen veerkrachtige en kwetsbare individuen. Of de stoornis tot uiting komt is
afhankelijk van omgevingsfactoren en stressfactoren
Differentiële gevoeligheidsmodel (temperament) = onderscheid tussen stabiele en
kneedbare individuen. Kneedbaar betekent gevoelig voor positieve en negatieve invloeden uit
de omgeving gevoeliger voor risicofactoren, maar ook meer baat bij beschermende
factoren
Continuïteit van maladaptief gedrag:
Homotypisch = hetzelfde probleem behoudt dezelfde uiting
Heterotypisch = hetzelfde probleem, maar andere uiting
Is het een proces of mechanisme?
Cumulatief = sneeuwbaleffect: het wordt versterkt en verergerd
Repetitief = een individu gaat de volwassenheid in met dezelfde onderliggende
trekken die vroeger problemen veroorzaakten
Transacties = factoren zijn coherent en beïnvloeden elkaar (moderatie/mediatie)
- Bidirectionaliteit = twee factoren beïnvloeden elkaar beide kanten op
Empirische cyclus bestaat uit:
Theorie
Hypothese vanuit theorie (deductie)
Waarnemingen
Hypothese vanuit waarneming (inductie)
Falsificeerbaarheid, operationalisatie en meta-analyses
Vier belangrijke pijlers:
Observeerbaar gedrag
Multivariate designs
Grote steekproef: meta-analyses
Kwantitatief (& kwalitatief) onderzoek: meta-analyses
Representatieve steekproef = steekproef met dezelfde kenmerken als de populatie
Selectiebias = wanneer deelnemers worden geselecteerd op een manier die de kans op het
verkrijgen van een niet-representatieve steekproef vergroot betrouwbaarheid en validiteit
(inductie)
Cohort-effecten = verwijzen naar verschillen of invloeden die specifiek zijn voor een groep
mensen die in dezelfde tijdsperiode geboren zijn of een vergelijkbare historische ervaring
hebben gedeeld
Confounders = variabelen die de relatie tussen twee andere variabelen kunnen beïnvloeden
(derde variabele)
ontwikkelingsstoornissen
HC 1 Inleiding in de psychopathologie
50% van bevolking krijgt te maken met stoornissen, 13,4% is jeugd
Seculaire trends = door vroeggeboortes is de kans groter op ontwikkelingsstoornissen
Stoornis vroeg vastgesteld biologische oorzaak
Stoornis later vastgesteld omgevingsgericht
Sommige stoornissen komen pas tot uiting wanneer er druk van de maatschappij komt
Externaliserend probleemgedrag bij jongens neurobiologische stoornissen
Internaliserende problematiek bij meisjes
Opvoeding van ouders belangrijke rol als beschermingsfactor
Behandeling gaat meer richting de online-wereld
Cultuur en tijdsgeest spelen een rol bij de beoordeling van abnormaliteit
Zes criteria van abnormaliteit (= gedrag dat afwijkt van de norm):
1. Cultuur/etniciteit
2. Geslacht
3. Leeftijd/ontwikkelingsnormen
4. Sociale factoren/situationele normen
5. Veranderingen in levensstijl (social media, samenleving)/tijdsgeest
6. Perspectief van volwassene/rol van ouders
Ontwikkelingsstoornis = observeerbare gedrag dat ooit, maar niet langer, binnen het
ontwikkelingsniveau van het kind past. Kernvragen:
Aard van stoornis: classificatie, prevalentie en prognose/continuïteit
Wie loopt risico?: oorzaak, gevaar, bescherming, factoren
Mogelijke targets voor preventie/interventie: voorkomen, behandelen
Ontwikkelingspsychopathologie = studie van ontwikkelingsprocessen die bijdragen aan of
beschermen tegen psychopathologie (per individu kijken)
Etiologie = oorzaak
Pathofysiologie = ontwikkeling van stoornis
Transactioneel en ecologisch model van Sameroff & Bronfenbrenner = ontwikkeling
van het kind is het resultaat van voortdurende, wederkerige transacties tussen het individu en
de omgeving
1) Individu = kind zelf
2) Microsysteem = directe omgeving van het individu
3) Mesosysteem = interacties tussen verschillende microsystemen
4) Exosysteem = buurt of gemeenschap (werk, media, sociale organisaties)
, 5) Macrosysteem = politiek, cultuur, wetten, economie
6) Chronosysteem = leefgeschiedenis en historische tijd (cohort)
Ecologische theorieën = focus op verandering doorheen levensloop; transactioneel
(omgeving en individu)
Proximale risicofactoren = vroeg in de ontwikkeling; dichtbij het kind
Distale risicofactoren = op latere leeftijd invloed; verder weg van het kind
Vijf modellen psychopathologie bij kinderen
1. Medische model = organisch disfunctioneren; alleen individu, geen context
classificatie en diagnose (ICD-10 en DSM)
2. Gedragsgeoriënteerde model = gedrag wordt aangeleerd; leerprincipes;
psychopathologie door overmatige of onvoldoende frequentie/intensiteit. Vier
leerprincipes:
- Klassieke conditionering (Pavlov & Watson)
- Operante conditionering/Thorndike’s Law of Effect (Skinner): bekrachtiging, straffen
en extinctie
- Imitatie/observationeel leren
- Sociaal leren (Bandura): modelling/cognitieve processen
3. Cognitieve model (Piaget – ontwikkeling van kinderen):
1) Sensomotorische fase (zintuigen en motorische activiteiten, objectpermanentie)
2) Pre-operationele fase (symbolisch denken en notie van conservatie)
3) Concreet-operationele fase (logisch redeneren en behoud/categorisatie)
4) Formeel-operationele fase (abstract en wetenschappelijk denken)
Schema’s = kleine bouwstenen van ons begrip van de wereld om nieuwe situaties te
interpreteren
Assimilatie = veranderen van nieuwe informatie zodat het in een schema past.
Bestaande kennis kan gebruikt worden in een nieuwe situatie
Accommodatie = bestaande kennisstructuur herzien of aanpassen
Maladaptieve cognitieve schema’s = tekortkomingen en hoe deze vervormd
kunnen worden informatieverwerkingstheorie en cognitieve gedragstherapie (5G)
(SIP-model Crick en Dodge)
4. Psychoanalytische modellen
- Klassieke psychoanalyse (Freud): ID, Ego en Superego
- Psychoseksuele ontwikkelingsfases: fixaties en terugvallen
- Egopsychologie (Erikson) = acht ontwikkelingsfases met elk een andere behoefte
1) Vertrouwen vs. wantrouwen
2) Autonomie vs. schaamte en twijfel
3) Initiatief vs. schuld
4) Vlijt vs. minderwaardigheid
5) Identiteit vs. identiteitsverwarring
6) Intimiteit vs. isolement
7) Generativiteit vs. stagnatie
8) Ego-integriteit vs. wanhoop
- Objectrelatie theorie (Bowlby & Mahler) = Harlow’s experiment met aapjes
fysieke troost en veiligheid > eten hechtingstheorie van Ainsworth (strange
situation test). Vier verschillende soorten hechting:
1) Veilige hechting
2) Onveilig-vermijdende hechting
3) Onveilig-ambivalente hechting
4) Gedesorganiseerde hechting
, 5. Gezinssysteemtheorie = gezin als ontwikkelend systeem; dynamisch geheel
- Structurele gezinssysteemtheorie (Minuchin) = gezin bestaat uit
subsystemen. Psychopathologie is gelokaliseerd in het relatiepatroon,
gezinsstructuur en/of triangulatie (= verstrengeling van kind in subsystemen van
relatie van ouders)
HC 2 Empirische basis en classificatie
Ontwikkelingspsychopathologie = studie van ontwikkelingsprocessen die bijdragen aan of
beschermen tegen psychopathologie
Microparadigma’s (Dante Cicchetti):
Biologisch
Gedragsmatig
Psychoanalytisch
Cognitief
Gezinssystemen
Sociologisch
Sleutelprincipes binnen de ontwikkelingspsychopathologie
1. Integratieve kijk
2. (Ab)normaal gedrag op een continuüm
3. Risico- en beschermingsfactoren
4. Ontwikkelingspaden
5. Transacties
3,4,5 waarom loopt de ontwikkeling verkeerd?
Risicofactoren = vergroten de kans op het ontwikkelen van psychopathologie: intensiteit,
frequentie en duur
Fetal Alcohol syndrome (FAS) cognitie, uiterlijke kenmerken en intense emoties
Kwetsbaarheid = vergroot de kans dat een specifiek kind problemen ontwikkelt na
blootstelling aan een risicofactor
Beschermende factoren = helpen een normale/gezonde ontwikkeling ondanks blootstelling
aan een risicofactor bij het resulteren in veerkracht
Kindfactoren
Gezinsfactoren
Ecologisch
Oorzaken van psychopathologie:
Noodzakelijke factoren = moeten aanwezig zijn
Voldoende factoren = op zichzelf verantwoordelijk
Bijdragende factoren = één van de mogelijke oorzaken
Multideterminisme = wanneer er meerdere factoren verantwoordelijk zijn
Equifinaliteit = verschillende oorzaken, hetzelfde resultaat
Multifinaliteit = dezelfde oorzaak, verschillende resultaten. Belangrijk factoren zijn:
- Veerkracht = het vermogen om ons aan te passen wanneer er geconfronteerd
wordt met tegenslagen
, - Temperament = individuele verschillen in stijl van reageren op de omgeving. Drie
dimensies:
1) Emotionaliteit
2) Activiteit
3) Aandacht/regulaties
Diathese-stress-/duale risicomodel (veerkracht) = er kan een onderscheid gemaakt
worden tussen veerkrachtige en kwetsbare individuen. Of de stoornis tot uiting komt is
afhankelijk van omgevingsfactoren en stressfactoren
Differentiële gevoeligheidsmodel (temperament) = onderscheid tussen stabiele en
kneedbare individuen. Kneedbaar betekent gevoelig voor positieve en negatieve invloeden uit
de omgeving gevoeliger voor risicofactoren, maar ook meer baat bij beschermende
factoren
Continuïteit van maladaptief gedrag:
Homotypisch = hetzelfde probleem behoudt dezelfde uiting
Heterotypisch = hetzelfde probleem, maar andere uiting
Is het een proces of mechanisme?
Cumulatief = sneeuwbaleffect: het wordt versterkt en verergerd
Repetitief = een individu gaat de volwassenheid in met dezelfde onderliggende
trekken die vroeger problemen veroorzaakten
Transacties = factoren zijn coherent en beïnvloeden elkaar (moderatie/mediatie)
- Bidirectionaliteit = twee factoren beïnvloeden elkaar beide kanten op
Empirische cyclus bestaat uit:
Theorie
Hypothese vanuit theorie (deductie)
Waarnemingen
Hypothese vanuit waarneming (inductie)
Falsificeerbaarheid, operationalisatie en meta-analyses
Vier belangrijke pijlers:
Observeerbaar gedrag
Multivariate designs
Grote steekproef: meta-analyses
Kwantitatief (& kwalitatief) onderzoek: meta-analyses
Representatieve steekproef = steekproef met dezelfde kenmerken als de populatie
Selectiebias = wanneer deelnemers worden geselecteerd op een manier die de kans op het
verkrijgen van een niet-representatieve steekproef vergroot betrouwbaarheid en validiteit
(inductie)
Cohort-effecten = verwijzen naar verschillen of invloeden die specifiek zijn voor een groep
mensen die in dezelfde tijdsperiode geboren zijn of een vergelijkbare historische ervaring
hebben gedeeld
Confounders = variabelen die de relatie tussen twee andere variabelen kunnen beïnvloeden
(derde variabele)