COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN
1. Hoofdstuk 1: bouwstenen van een discipline en een praktijk
1.1 Inleiding
Communicatie: complex samengaan van verschillende sociale, culturele, gedragsmatige en cognitieve
aspecten.
1.2 Teken als basis voor betekenisvol communiceren
1.2.1 Semiotiek
= leer van tekens.
Wetenschappelijk veld rond teken, betekenis en taal.
Bestudeert de wijze waarop tekens functioneren en hoe ze betekenis doen ontstaan.
Grondleggers:
a) Zwitserland: Ferdinand de Saussure (1857-1913)
Semiologie: sociale functie en relevantie van teken
b) Amerika: Charles Sanders Peirce (1839-1914)
Semiotiek: logische, formele of ‘technische’ functie van teken (+sociale)
3 centrale domeinen van studie
1. Tekens zelf en hun indeling in soorten
2. Codes of systemen waarbinnen tekens georganiseerd zijn
3. Brede cultuur waarbinnen tekens en codes opereren
Subdomeinen in semiotiek:
Fonologie: studie van klanken en kleinste eenheden (letters)
Syntaxis: linguïstische studie van taalconventies, betekenisvolle patronen van tekens
Semantiek: relatie tussen teken en betekenis die aan het teken wordt toegekend
Pragmatiek: relatie tussen betekenis en de gebruiker van het teken, contextuele en sociale
factoren in proces betekeniscreatie
Carnap onderscheid:
Intensie: geheel van criteria of kenmerken dat bepaalt of een term wel kan worden toegepast
(vb. alle eigenschappen horrorfilm)
Extensie: klasse van zaken waarop de term correct is toegepast (vb. verwijzing concrete films bv.
Halloween - Carpenter,1978)
1.2.2 Teken, tekensysteem en tekenindeling
Teken = allerkleinste eenheid
Saussure twee kernelementen;
Betekenaar (signifiant, signifier): materiële tekenvorm of (fysieke) verschijningsvorm (beeld, klank,
neergeschreven woord). Betekenisdrager
Betekende (signifié, signified): dat waar de materiële tekenvorm naar verwijst zoals concept, begrip,
beeld of idee.
Vb. Woord hond is een betekenaar, het idee of concept is een dier met vier poten en
een staart
Op basis van historische en etymologische afspraak uit sociale behoefte
,Saussure: Relatie tussen betekenaar en betekende is puur toeval met code en conventies om
betekenis te verlenen
Het referent = eigenlijke fysieke object waarnaar het teken verwijst, hoeft niet aanwezig te zijn
(bv. liefde, engel, vrijheid…)
Roland Barthes: volledige betekenis of significatie door denotatie en connotatie
1. De standaard, neutrale of primaire betekenis denotatie = letterlijke of objectieve betekenis
van een teken, voor elke tekengebruiker hetzelfde (‘wikipedia’-definitie) met sociale
consensus
2. Secundair betekenisniveau connotatie = figuurlijke of subjectieve betekenis v.e. woord,
bijbetekenis of associatie. Evaluatieve lading: goed, slecht of neutraal
Referentiële lading: variabele betekenis of verwijzing. (persoon, tijd, cultuur…)
3. Derde betekenisniveau: Ideologie = dieperliggende, verscholen betekenis door de sturing en
organisatie van de media in de maatschappij, gelinkt aan concept mythe
1.2.2.1 Tekensystemen
Peirce: filosofisch en psychologisch perspectief, hoe mensen de wereld waarnemen en over
communiceren door hun representaties
1. Representamen of tekenvorm
2. Object waar teken naar verwijst
3. Interpretant of betekenis die aan teken wordt gegeven
Relatie tussen 1 en 2 heeft een betekeniseffect in de geest vd tekengebruiker, het mentale concept is
dan 3 bepaald door persoonlijke ervaringen vd gebruiker (additioneel).
Dus, in tekensysteem van Peirce is de relatie tussen het teken en het materiële object de
meest determinerende component voor het ontstaan van betekenis.
Samen 1 driehoek; dynamisch, open en tijdelijk gegeven. (<->)
De Saussure: taalkundige
Betekenis van een teken wordt bepaald door de verhouding tov andere tekens, op basis van
onderscheid, niet met object. De betekenis van een woord of teken ligt in zijn tegengestelde(n). (koud
en warm) Maakt een fundamenteel onderscheid tussen betekenaar en betekende.
In zijn tekensysteem wordt de betekende ve bepaald teken telkens een betekenaar - in de zin van een
betekenisdrager - voor een ander teken.
Betekenis = ‘Een relationeel en associatief proces’. (bv. peuter tav tiener), categorie grenzen door de
mens zelf gemaakt.
Twee soorten relaties:
1. Syntagma: betekenisvolle combinatie of keten van tekeneenheden volgens een bepaalde
volgorde (bv. de zin ‘ik drink koffie’ = horizontale relatie van drie elementen ‘ik’, ‘drink’ en
‘koffie’. Als je hier de zin ‘drink koffie ik’ van maakt is het dat niet meer)
Volgorde en combinatie is belangrijk!
2. Paradigma: selectie, verticale relatie tussen de tekens, hoe betekenis geconstrueerd wordt
door substitutie en afwezigheid (vb. het woord ‘koffie’ in de zin
hierboven kan je ook vervangen door ‘bier’ of ‘limonade’ maar niet door ‘gras’ omdat
koffie en limonade tot dezelfde selectie van woorden behoren)
1.2.2.2 Tekenindelingen
Peirce: relatie tussen teken en object, triadische tekendefinitie
1. Icoon = teken dat op visueel, auditief en zelfs olfactorisch vlak een gelijkenis vertoont met het
object waarnaar het verwijst -> vaak imitaties die herkenbaar zijn vb. landkaart, foto,
onomatopee (koekoek)
, haalt betekenis uit relatie van gelijkenis
2. Index = teken met een rechtstreeks, ‘existentieel’ of natuurlijk verband met een object ->
aanleren via ervaring of kennis vb. koorts voor ziekte, rook voor vuur
haalt betekenis uit relatie van oorzaak-effect
3. Symbool = teken dat betekenis heeft obv een conventie of afspraak, arbitrair of toevallig (vb.
woorden die we dagelijks gebruiken, olympische ringen, logo van rode kruis)
Peters:
Index: teken is op natuurlijke wijze verbonden met datgene naar waar het verwijst, geen
tussenkomst van de mens
Wanneer er een kunstmatige verbondenheid is met tussenkomst van de mens dan onderscheid tussen
arbitrair (obv afspraak) of conventioneel en een gemotiveerd verband (niet obv van afspraak, wel met
motief of reden)
Gebaseerd op gelijkenis, door object dat representeert = icoon
Gebaseerd op associatie = symbool bv. wit als kleur van puurheid en onschuld
1.3 Elementen van het communicatieproces
bouwstenen: communicator, de boodschap, de fase van encoderen en decoderen, de transmissie en
de ontvanger.
1.3.1 Communicator
of zender die (on)bewust een boodschap met informatie uitzendt, in een georganiseerd geheel van
data en feiten over een bepaald onderwerp.
Onderscheid met een bron! (wanneer info niet verzonden wordt)
Watzlawick, Beavin en Jackson, we kunnen niet niet communiceren: elk gedrag inc. stilte of inactiviteit
in een situatie van sociale interactie, een bepaalde boodschap omvat of uitdraagt.
Individu – groep/organisatie
Vastgelegde rol?
feedback = de manier waarop de communicator wordt beïnvloed door de eigenlijke reactie van
ontvanger op de boodschap (onbewust door ontvanger via non-verbale communicatie) en
feedforward = communicator zal anticiperen op reactie van ontvanger
Tot slot selectie (uitvergroten of minimaliseren) en belang van copresence (aanwezigheid van zender)
om zo het individueel gedrag te beïnvloeden. Lichaamstaal communicator voor geloofwaardigheid,
extra info voor ontvanger.
1.3.2 Boodschap
= bewustzijnsinhoud (idee, kennis, ervaring, gevoelens, waarden en normen…)
gaan we externaliseren, omzetten of coderen in tekens
Mogelijkheid dat ooit iemand de boodschap kan ontvangen dan kunnen we van communicatie
spreken, dagboek: zielenroerselen is de bewustzijnsinhoud en externalisatie door neerschrijven
Kan ook als het een onbedoelde ontvanger bereikt (afluisteren)
, Schema van Muylle: 4 aspecten; referentiële, expressieve, relationele en appellerende
1.3.2.1 Het referentiële of inhoudelijke aspect
Eerste betekenislaag of zakelijke inhoud van de boodschap
Representationele verwijzingsfunctie: taal verwijst naar een bepaald begrip dat we van een teken
hebben (immaterieel of abstract zoals ‘waarheid’) referent
Referentiële verwijzingsfunctie: teken verwijst naar iets in onze omringende werkelijkheid (materieel
zoals een ‘stoel’)
1.3.2.2 Het expressieve of vormelijke aspect
Vorm van boodschap heeft veel invloed op inhoud (lay-out, intonatie, perspectieven)
Hier kun je in tegenstelling tot eerste niveau wel duidelijk betekenis geven, gaat om verwerking van
inhoudelijk aspect.
1.3.2.3 Relationele en appellerende aspect
Relatie met de ontvanger uitdrukken (vb. u/gij/jij/hij/zij), sociale positie
Zowel verbaal als impliciet en non-verbaal en ook cognitief, affectief en of cognitief appellerend of
handelingsaspect.
Handeling uitvoeren of oproepen bv. reclameboodschappen
1.3.3 Encoderen en decoderen
Bij het communiceren moeten we een vooraf afgesproken code hanteren en dat we de boodschap
(idee, gedachte) moeten coderen, vormen een systeem.
De code = de manier waarop een set van tekens systematisch georganiseerd is in een systeem. Bestaat
uit eenheden (a-z) en patronen (grammatica).
Danesi: A) digitale of conventionele codes zoals letter-, taal- en cijfertekens waar er geen nuancering
of gradatie is in betekenisintnsiteit, moeten aangeleerd worden, op basis van afspraak (conventie)
geen gelijkenis teken en betekenis.
B) analoge of natuurlijke code: beeldende taal met nuancering en gradatie in betekenisintensiteit,
code is situatiegebonden.
Hall:
Encoderen : het omzetten van inhoud in symbolen of tekens (verbaal of non verbaal) door
communicator zodat het via een geschikt kanaal verstuurd kan worden naar de ontvanger
Decoderen : het omzetten van inhoud in symbolen of tekens bij ontvanger, dubbel proces namelijk
Syntactisch proces: ontcijferen van code die zender gebruikt heeft
Semantisch proces: toekennen van betekenis of interpreteren van boodschap
Zender en ontvanger moeten over gemeenschappelijke code beschikken om tot geslaagde
communicatie te komen (vb. Nederlandse taal)
Verschillende vormen van decoderen
1. Dominante of hegemonische decodering (preferred reading of voorkeurslezing) -> zender en
ontvanger kennen eenzelfde betekenis toe aan boodschap, geen vraagstelling
2. Aberrante decodering (opposite or counter-hegemonic reading) -> ontvanger geeft andere of
afwijkende betekenis aan boodschap dan dat zender bedoelde (vb. botsende waarden,
normen, visie)
3. Onderhandelende decodering (negotiated reading) -> onderhandeling tussen twee
verschillende betekenissen, interpretatie wordt aangepast aan situatie, eigen ervaring,
waarden, niet veel afwijken van de voorkeurslezing vd communicator.
Context (media-logic): evenwicht productie-conventies en publieksverwachtingen, media zijn
dus niet helemaal vrij
1. Hoofdstuk 1: bouwstenen van een discipline en een praktijk
1.1 Inleiding
Communicatie: complex samengaan van verschillende sociale, culturele, gedragsmatige en cognitieve
aspecten.
1.2 Teken als basis voor betekenisvol communiceren
1.2.1 Semiotiek
= leer van tekens.
Wetenschappelijk veld rond teken, betekenis en taal.
Bestudeert de wijze waarop tekens functioneren en hoe ze betekenis doen ontstaan.
Grondleggers:
a) Zwitserland: Ferdinand de Saussure (1857-1913)
Semiologie: sociale functie en relevantie van teken
b) Amerika: Charles Sanders Peirce (1839-1914)
Semiotiek: logische, formele of ‘technische’ functie van teken (+sociale)
3 centrale domeinen van studie
1. Tekens zelf en hun indeling in soorten
2. Codes of systemen waarbinnen tekens georganiseerd zijn
3. Brede cultuur waarbinnen tekens en codes opereren
Subdomeinen in semiotiek:
Fonologie: studie van klanken en kleinste eenheden (letters)
Syntaxis: linguïstische studie van taalconventies, betekenisvolle patronen van tekens
Semantiek: relatie tussen teken en betekenis die aan het teken wordt toegekend
Pragmatiek: relatie tussen betekenis en de gebruiker van het teken, contextuele en sociale
factoren in proces betekeniscreatie
Carnap onderscheid:
Intensie: geheel van criteria of kenmerken dat bepaalt of een term wel kan worden toegepast
(vb. alle eigenschappen horrorfilm)
Extensie: klasse van zaken waarop de term correct is toegepast (vb. verwijzing concrete films bv.
Halloween - Carpenter,1978)
1.2.2 Teken, tekensysteem en tekenindeling
Teken = allerkleinste eenheid
Saussure twee kernelementen;
Betekenaar (signifiant, signifier): materiële tekenvorm of (fysieke) verschijningsvorm (beeld, klank,
neergeschreven woord). Betekenisdrager
Betekende (signifié, signified): dat waar de materiële tekenvorm naar verwijst zoals concept, begrip,
beeld of idee.
Vb. Woord hond is een betekenaar, het idee of concept is een dier met vier poten en
een staart
Op basis van historische en etymologische afspraak uit sociale behoefte
,Saussure: Relatie tussen betekenaar en betekende is puur toeval met code en conventies om
betekenis te verlenen
Het referent = eigenlijke fysieke object waarnaar het teken verwijst, hoeft niet aanwezig te zijn
(bv. liefde, engel, vrijheid…)
Roland Barthes: volledige betekenis of significatie door denotatie en connotatie
1. De standaard, neutrale of primaire betekenis denotatie = letterlijke of objectieve betekenis
van een teken, voor elke tekengebruiker hetzelfde (‘wikipedia’-definitie) met sociale
consensus
2. Secundair betekenisniveau connotatie = figuurlijke of subjectieve betekenis v.e. woord,
bijbetekenis of associatie. Evaluatieve lading: goed, slecht of neutraal
Referentiële lading: variabele betekenis of verwijzing. (persoon, tijd, cultuur…)
3. Derde betekenisniveau: Ideologie = dieperliggende, verscholen betekenis door de sturing en
organisatie van de media in de maatschappij, gelinkt aan concept mythe
1.2.2.1 Tekensystemen
Peirce: filosofisch en psychologisch perspectief, hoe mensen de wereld waarnemen en over
communiceren door hun representaties
1. Representamen of tekenvorm
2. Object waar teken naar verwijst
3. Interpretant of betekenis die aan teken wordt gegeven
Relatie tussen 1 en 2 heeft een betekeniseffect in de geest vd tekengebruiker, het mentale concept is
dan 3 bepaald door persoonlijke ervaringen vd gebruiker (additioneel).
Dus, in tekensysteem van Peirce is de relatie tussen het teken en het materiële object de
meest determinerende component voor het ontstaan van betekenis.
Samen 1 driehoek; dynamisch, open en tijdelijk gegeven. (<->)
De Saussure: taalkundige
Betekenis van een teken wordt bepaald door de verhouding tov andere tekens, op basis van
onderscheid, niet met object. De betekenis van een woord of teken ligt in zijn tegengestelde(n). (koud
en warm) Maakt een fundamenteel onderscheid tussen betekenaar en betekende.
In zijn tekensysteem wordt de betekende ve bepaald teken telkens een betekenaar - in de zin van een
betekenisdrager - voor een ander teken.
Betekenis = ‘Een relationeel en associatief proces’. (bv. peuter tav tiener), categorie grenzen door de
mens zelf gemaakt.
Twee soorten relaties:
1. Syntagma: betekenisvolle combinatie of keten van tekeneenheden volgens een bepaalde
volgorde (bv. de zin ‘ik drink koffie’ = horizontale relatie van drie elementen ‘ik’, ‘drink’ en
‘koffie’. Als je hier de zin ‘drink koffie ik’ van maakt is het dat niet meer)
Volgorde en combinatie is belangrijk!
2. Paradigma: selectie, verticale relatie tussen de tekens, hoe betekenis geconstrueerd wordt
door substitutie en afwezigheid (vb. het woord ‘koffie’ in de zin
hierboven kan je ook vervangen door ‘bier’ of ‘limonade’ maar niet door ‘gras’ omdat
koffie en limonade tot dezelfde selectie van woorden behoren)
1.2.2.2 Tekenindelingen
Peirce: relatie tussen teken en object, triadische tekendefinitie
1. Icoon = teken dat op visueel, auditief en zelfs olfactorisch vlak een gelijkenis vertoont met het
object waarnaar het verwijst -> vaak imitaties die herkenbaar zijn vb. landkaart, foto,
onomatopee (koekoek)
, haalt betekenis uit relatie van gelijkenis
2. Index = teken met een rechtstreeks, ‘existentieel’ of natuurlijk verband met een object ->
aanleren via ervaring of kennis vb. koorts voor ziekte, rook voor vuur
haalt betekenis uit relatie van oorzaak-effect
3. Symbool = teken dat betekenis heeft obv een conventie of afspraak, arbitrair of toevallig (vb.
woorden die we dagelijks gebruiken, olympische ringen, logo van rode kruis)
Peters:
Index: teken is op natuurlijke wijze verbonden met datgene naar waar het verwijst, geen
tussenkomst van de mens
Wanneer er een kunstmatige verbondenheid is met tussenkomst van de mens dan onderscheid tussen
arbitrair (obv afspraak) of conventioneel en een gemotiveerd verband (niet obv van afspraak, wel met
motief of reden)
Gebaseerd op gelijkenis, door object dat representeert = icoon
Gebaseerd op associatie = symbool bv. wit als kleur van puurheid en onschuld
1.3 Elementen van het communicatieproces
bouwstenen: communicator, de boodschap, de fase van encoderen en decoderen, de transmissie en
de ontvanger.
1.3.1 Communicator
of zender die (on)bewust een boodschap met informatie uitzendt, in een georganiseerd geheel van
data en feiten over een bepaald onderwerp.
Onderscheid met een bron! (wanneer info niet verzonden wordt)
Watzlawick, Beavin en Jackson, we kunnen niet niet communiceren: elk gedrag inc. stilte of inactiviteit
in een situatie van sociale interactie, een bepaalde boodschap omvat of uitdraagt.
Individu – groep/organisatie
Vastgelegde rol?
feedback = de manier waarop de communicator wordt beïnvloed door de eigenlijke reactie van
ontvanger op de boodschap (onbewust door ontvanger via non-verbale communicatie) en
feedforward = communicator zal anticiperen op reactie van ontvanger
Tot slot selectie (uitvergroten of minimaliseren) en belang van copresence (aanwezigheid van zender)
om zo het individueel gedrag te beïnvloeden. Lichaamstaal communicator voor geloofwaardigheid,
extra info voor ontvanger.
1.3.2 Boodschap
= bewustzijnsinhoud (idee, kennis, ervaring, gevoelens, waarden en normen…)
gaan we externaliseren, omzetten of coderen in tekens
Mogelijkheid dat ooit iemand de boodschap kan ontvangen dan kunnen we van communicatie
spreken, dagboek: zielenroerselen is de bewustzijnsinhoud en externalisatie door neerschrijven
Kan ook als het een onbedoelde ontvanger bereikt (afluisteren)
, Schema van Muylle: 4 aspecten; referentiële, expressieve, relationele en appellerende
1.3.2.1 Het referentiële of inhoudelijke aspect
Eerste betekenislaag of zakelijke inhoud van de boodschap
Representationele verwijzingsfunctie: taal verwijst naar een bepaald begrip dat we van een teken
hebben (immaterieel of abstract zoals ‘waarheid’) referent
Referentiële verwijzingsfunctie: teken verwijst naar iets in onze omringende werkelijkheid (materieel
zoals een ‘stoel’)
1.3.2.2 Het expressieve of vormelijke aspect
Vorm van boodschap heeft veel invloed op inhoud (lay-out, intonatie, perspectieven)
Hier kun je in tegenstelling tot eerste niveau wel duidelijk betekenis geven, gaat om verwerking van
inhoudelijk aspect.
1.3.2.3 Relationele en appellerende aspect
Relatie met de ontvanger uitdrukken (vb. u/gij/jij/hij/zij), sociale positie
Zowel verbaal als impliciet en non-verbaal en ook cognitief, affectief en of cognitief appellerend of
handelingsaspect.
Handeling uitvoeren of oproepen bv. reclameboodschappen
1.3.3 Encoderen en decoderen
Bij het communiceren moeten we een vooraf afgesproken code hanteren en dat we de boodschap
(idee, gedachte) moeten coderen, vormen een systeem.
De code = de manier waarop een set van tekens systematisch georganiseerd is in een systeem. Bestaat
uit eenheden (a-z) en patronen (grammatica).
Danesi: A) digitale of conventionele codes zoals letter-, taal- en cijfertekens waar er geen nuancering
of gradatie is in betekenisintnsiteit, moeten aangeleerd worden, op basis van afspraak (conventie)
geen gelijkenis teken en betekenis.
B) analoge of natuurlijke code: beeldende taal met nuancering en gradatie in betekenisintensiteit,
code is situatiegebonden.
Hall:
Encoderen : het omzetten van inhoud in symbolen of tekens (verbaal of non verbaal) door
communicator zodat het via een geschikt kanaal verstuurd kan worden naar de ontvanger
Decoderen : het omzetten van inhoud in symbolen of tekens bij ontvanger, dubbel proces namelijk
Syntactisch proces: ontcijferen van code die zender gebruikt heeft
Semantisch proces: toekennen van betekenis of interpreteren van boodschap
Zender en ontvanger moeten over gemeenschappelijke code beschikken om tot geslaagde
communicatie te komen (vb. Nederlandse taal)
Verschillende vormen van decoderen
1. Dominante of hegemonische decodering (preferred reading of voorkeurslezing) -> zender en
ontvanger kennen eenzelfde betekenis toe aan boodschap, geen vraagstelling
2. Aberrante decodering (opposite or counter-hegemonic reading) -> ontvanger geeft andere of
afwijkende betekenis aan boodschap dan dat zender bedoelde (vb. botsende waarden,
normen, visie)
3. Onderhandelende decodering (negotiated reading) -> onderhandeling tussen twee
verschillende betekenissen, interpretatie wordt aangepast aan situatie, eigen ervaring,
waarden, niet veel afwijken van de voorkeurslezing vd communicator.
Context (media-logic): evenwicht productie-conventies en publieksverwachtingen, media zijn
dus niet helemaal vrij