Renaissance:
Na de middeleeuwen komt de Renaissance, betekent ook wel wedergeboorte. (14e tot 16e eeuw)
De welbekende spreuk memento mori (gedenk te sterven) maakte plaats voor carpe diem (pluk de
dag).
De naam komt van het franse ´renaître ´ en betekent ´opnieuw geboren worden´. Men beschouwde
de Renaissance namelijk als een tijd van wedergeboorte van de mens die uit de duistere
middeleeuwen was ontwaakt.
De term Renaissance verwijst ook naar de nieuwe belangstelling voor de griekse oudheid, de
renaissance is een kunststroming, de verhoudingen en symmetrie waren erg belangrijk. Alles was in
harmonie met elkaar. Ook de mensen die werden afgebeeld, moesten zo realistisch mogelijk
gemaakt worden Wat men in de tijd van de grieken en romeinen mooi en belangrijk vonden, werd nu
ook weer in. Op allerlei gebieden zoals literatuur, muziek, kunst, architectuur vond een sterke
verandering plaats op de klassieke oudheid. Dit veranderde ook het mens-en wereldbeeld.
In 1560 verschenen de eerste veranderingen. De veranderingen begonnen in Italië en breidden
steeds verder uit naar het noorden & rond 1560 kwamen bij ons de eerste veranderingen.
De intellectuele basis van de Renaissance heet het humanisme, een stroming die nadruk legde op
het individu. De humanisten geloofden dat na middeleeuwen, een periode van verval, een nieuwe
bloeiperiode was aangebroken met het mens als middelpunt. In tegenstelling tot de middeleeuwen
waar een godheid centraal stond.
Toneel
Het nadoen van klassieke werken uit vroegere tijden werd vaak gedaan, vaak van de Grieken &
Romeinen:
I_> translatio: De schrijvers gingen het oude stuk vertalen
I_>imitatio: de schrijvers gingen het oude stuk imiteren
I_> aemulatio: De schrijvers wouden het oude stuk overtreffen. Dit was het moeilijkste want de
stukken waren al erg goed.
Ook was er emblematiek, het was raadselachtig, je moest zelf de betekenissen ontdekken.
Goden & mythes waren een inspiratie voor kunstenaars & schrijvers.
Literatuur was er in deze tijd ter leering ende vermeack. Dit wil zeggen dat ze niet alleen wijze lessen
bevatten, want er waren ook genoeg komedies en kluchten, deze waren erg populair. Het houdt wel
in dat toneelstukken, liederen en kluchten over het algemeen een opvoedkundige boodschap
bevatten. Toneelstukken voor het gewone volk werden meestal buiten opgevoerd. Op de markt werd
kwam dan eens een (reizend) toneelgezelschap langs dat voorstellingen deed in de open lucht. De
rijken konden in bijvoorbeeld schouwburgen zitten, het gewone volk moest staan. In schouwburgen
werden vooral tragedies (met een ongelukkig einde voor de hoofdpersoon) en komedies. Daarbij
moest strikt rekening gehouden worden met de regels van Aristoteles:
- 5 bedrijven 5 onderdelen/scenes. Ertussen heb je koorzangen. Elk bedrijf had een eigen
functie. 1 over de uitleg over de voorgeschiedenis, zodat het publiek snapte waar het over
ging (expositie). 2 over de ontwikkeling die spanning opwekten (intrige). 3 opvoering van
spanning (climax). 4 Hoogtepunt van de spanning en begin v.d. ontknoping (catastrofe). 5 de
ontknoping en de afwikkeling (peripetie).
, - Er moest eenheid van tijd, plaats en handeling zijn. Dat betekent dat in een stuk niet meer
dan 24 uur mocht verstrijken, dat alle bedrijven zich op dezelfde plaats moesten afspelen en
dat het stuk maar 1 intrige mocht hebben. In medius res het toneelstuk begint in het
midden van een verhaal.
- De eerste 4 bedrijven moesten afgesloten worden met een koor. Dit vervulde de rol van de
ideale toeschouwer, die meeleefde met wat er op het toneel gebeurde en soms commentaar
gaf, zodat er geen misverstand over de interpretatie kon ontstaan. Het koor bestond uit 12
tot 15 personen en werd begeleid door een muzikant.
Soms kwam er een deus ex machina (god uit een machine) te pas aan de ontknoping van een
tragedie: een goddelijk of bovennatuurlijk personage en deze zorgde voor een wonderlijk en niet-
logische afloop.
Liederen
De meeste schrijvers publiceerden naast toneelstukken ook liederen & gedichten. Dezen gingen
meestal over geloof, liefde en het gewone leven. Ze konden serieus of grappig zijn.
In de 16e en 17e eeuw was er een apart genre: geuzenliederen. Met ´geuzen´ wordt verwezen naar
de opstandige Nederlandse edelen, strijders, tegenstanders van de Spaanse koning Filip II en de
aanhangers van Willem van Oranje. Er bestonden geuzenliederen over hun heldendaden, religieuze
liederen maar ook spot-en strijdliederen. Vooral de laatste werd gezongen door soldaten om de
moed erin te houden. In 1573 werden veel geuzenliederen gebundeld in ´Het Geusen Lieden
boecxken´.
Reisverhalen
Journaal van Bontekoe (1648) beschrijft schipper Willem Ysbrantsz de reis die hij maakte in opdracht
van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). VOC is een nederlandse onderneming met een
monopolie op overzeese handel. Een van de spectaculairste verhalen ging over een explosie op de
Indische oceaan waarbij het hele schip in de lucht vloog. Kapitein Bontekoe en een deel van zijn
bemanning overleefde de ramp. Het Journaal van Bontekoe is een reisverhaal, dit soort verhalen
werden veel gelezen omdat mensen nieuwsgierig waren naar nieuwe dingen in de wereld. Zo
verschenen meerdere reisverhalen.
Sonnet
Een nieuwe genre in deze tijd was het sonnet, het was een vaste vorm. Het is een gedicht van 14
regels, verdeeld over 4 strofen: 4 4 3 3. Eerst dus 2 kwatrijnen die samen een octaaf vormen en erna
2 terzinen die samen het sextet vormen. Een sonnet ging meestal over de liefde, de vrouw waarop de
dichter verliefd was. Het had een expliciet rijmschema. Tussen regel 8 & 9 bevond zich de wending
(volta). De uitvinder van dit genre is Francesco Petrarca (1304-1374), hij schreef talloze gedichten
voor zijn geliefde Laura.
Rederijkerskamers
Rederijkerskamers is een vereniging van schrijvers. Voordrachtkunstenaars, dichters en
toneelschrijvers organiseerden zich aan het eind v.d. Middeleeuwen in verenigingen: de
Rederijkerskamers. Elke stad had zo´n kamer. Leden van de eerste generatie rederijkerskamers
besteedden veel aandacht aan de vorm: ingewikkelde rijmtechnieken en bijzondere literaire
constructies. In deze tijd ontwikkelden deze kamers zich waar bemiddelde mannen op een informele
manier iets konden leren. Ze oefenden o.a. in het schrijven en voordragen van literaire en zakelijke
teksten en in het zingen/spelen van liederen of toneelstukken.
Na de middeleeuwen komt de Renaissance, betekent ook wel wedergeboorte. (14e tot 16e eeuw)
De welbekende spreuk memento mori (gedenk te sterven) maakte plaats voor carpe diem (pluk de
dag).
De naam komt van het franse ´renaître ´ en betekent ´opnieuw geboren worden´. Men beschouwde
de Renaissance namelijk als een tijd van wedergeboorte van de mens die uit de duistere
middeleeuwen was ontwaakt.
De term Renaissance verwijst ook naar de nieuwe belangstelling voor de griekse oudheid, de
renaissance is een kunststroming, de verhoudingen en symmetrie waren erg belangrijk. Alles was in
harmonie met elkaar. Ook de mensen die werden afgebeeld, moesten zo realistisch mogelijk
gemaakt worden Wat men in de tijd van de grieken en romeinen mooi en belangrijk vonden, werd nu
ook weer in. Op allerlei gebieden zoals literatuur, muziek, kunst, architectuur vond een sterke
verandering plaats op de klassieke oudheid. Dit veranderde ook het mens-en wereldbeeld.
In 1560 verschenen de eerste veranderingen. De veranderingen begonnen in Italië en breidden
steeds verder uit naar het noorden & rond 1560 kwamen bij ons de eerste veranderingen.
De intellectuele basis van de Renaissance heet het humanisme, een stroming die nadruk legde op
het individu. De humanisten geloofden dat na middeleeuwen, een periode van verval, een nieuwe
bloeiperiode was aangebroken met het mens als middelpunt. In tegenstelling tot de middeleeuwen
waar een godheid centraal stond.
Toneel
Het nadoen van klassieke werken uit vroegere tijden werd vaak gedaan, vaak van de Grieken &
Romeinen:
I_> translatio: De schrijvers gingen het oude stuk vertalen
I_>imitatio: de schrijvers gingen het oude stuk imiteren
I_> aemulatio: De schrijvers wouden het oude stuk overtreffen. Dit was het moeilijkste want de
stukken waren al erg goed.
Ook was er emblematiek, het was raadselachtig, je moest zelf de betekenissen ontdekken.
Goden & mythes waren een inspiratie voor kunstenaars & schrijvers.
Literatuur was er in deze tijd ter leering ende vermeack. Dit wil zeggen dat ze niet alleen wijze lessen
bevatten, want er waren ook genoeg komedies en kluchten, deze waren erg populair. Het houdt wel
in dat toneelstukken, liederen en kluchten over het algemeen een opvoedkundige boodschap
bevatten. Toneelstukken voor het gewone volk werden meestal buiten opgevoerd. Op de markt werd
kwam dan eens een (reizend) toneelgezelschap langs dat voorstellingen deed in de open lucht. De
rijken konden in bijvoorbeeld schouwburgen zitten, het gewone volk moest staan. In schouwburgen
werden vooral tragedies (met een ongelukkig einde voor de hoofdpersoon) en komedies. Daarbij
moest strikt rekening gehouden worden met de regels van Aristoteles:
- 5 bedrijven 5 onderdelen/scenes. Ertussen heb je koorzangen. Elk bedrijf had een eigen
functie. 1 over de uitleg over de voorgeschiedenis, zodat het publiek snapte waar het over
ging (expositie). 2 over de ontwikkeling die spanning opwekten (intrige). 3 opvoering van
spanning (climax). 4 Hoogtepunt van de spanning en begin v.d. ontknoping (catastrofe). 5 de
ontknoping en de afwikkeling (peripetie).
, - Er moest eenheid van tijd, plaats en handeling zijn. Dat betekent dat in een stuk niet meer
dan 24 uur mocht verstrijken, dat alle bedrijven zich op dezelfde plaats moesten afspelen en
dat het stuk maar 1 intrige mocht hebben. In medius res het toneelstuk begint in het
midden van een verhaal.
- De eerste 4 bedrijven moesten afgesloten worden met een koor. Dit vervulde de rol van de
ideale toeschouwer, die meeleefde met wat er op het toneel gebeurde en soms commentaar
gaf, zodat er geen misverstand over de interpretatie kon ontstaan. Het koor bestond uit 12
tot 15 personen en werd begeleid door een muzikant.
Soms kwam er een deus ex machina (god uit een machine) te pas aan de ontknoping van een
tragedie: een goddelijk of bovennatuurlijk personage en deze zorgde voor een wonderlijk en niet-
logische afloop.
Liederen
De meeste schrijvers publiceerden naast toneelstukken ook liederen & gedichten. Dezen gingen
meestal over geloof, liefde en het gewone leven. Ze konden serieus of grappig zijn.
In de 16e en 17e eeuw was er een apart genre: geuzenliederen. Met ´geuzen´ wordt verwezen naar
de opstandige Nederlandse edelen, strijders, tegenstanders van de Spaanse koning Filip II en de
aanhangers van Willem van Oranje. Er bestonden geuzenliederen over hun heldendaden, religieuze
liederen maar ook spot-en strijdliederen. Vooral de laatste werd gezongen door soldaten om de
moed erin te houden. In 1573 werden veel geuzenliederen gebundeld in ´Het Geusen Lieden
boecxken´.
Reisverhalen
Journaal van Bontekoe (1648) beschrijft schipper Willem Ysbrantsz de reis die hij maakte in opdracht
van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). VOC is een nederlandse onderneming met een
monopolie op overzeese handel. Een van de spectaculairste verhalen ging over een explosie op de
Indische oceaan waarbij het hele schip in de lucht vloog. Kapitein Bontekoe en een deel van zijn
bemanning overleefde de ramp. Het Journaal van Bontekoe is een reisverhaal, dit soort verhalen
werden veel gelezen omdat mensen nieuwsgierig waren naar nieuwe dingen in de wereld. Zo
verschenen meerdere reisverhalen.
Sonnet
Een nieuwe genre in deze tijd was het sonnet, het was een vaste vorm. Het is een gedicht van 14
regels, verdeeld over 4 strofen: 4 4 3 3. Eerst dus 2 kwatrijnen die samen een octaaf vormen en erna
2 terzinen die samen het sextet vormen. Een sonnet ging meestal over de liefde, de vrouw waarop de
dichter verliefd was. Het had een expliciet rijmschema. Tussen regel 8 & 9 bevond zich de wending
(volta). De uitvinder van dit genre is Francesco Petrarca (1304-1374), hij schreef talloze gedichten
voor zijn geliefde Laura.
Rederijkerskamers
Rederijkerskamers is een vereniging van schrijvers. Voordrachtkunstenaars, dichters en
toneelschrijvers organiseerden zich aan het eind v.d. Middeleeuwen in verenigingen: de
Rederijkerskamers. Elke stad had zo´n kamer. Leden van de eerste generatie rederijkerskamers
besteedden veel aandacht aan de vorm: ingewikkelde rijmtechnieken en bijzondere literaire
constructies. In deze tijd ontwikkelden deze kamers zich waar bemiddelde mannen op een informele
manier iets konden leren. Ze oefenden o.a. in het schrijven en voordragen van literaire en zakelijke
teksten en in het zingen/spelen van liederen of toneelstukken.