HOORCOLLEGES
Fiscaal ondernemingsrecht voor Notariëlen
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
College 1. VPB – Subjectieve belastingplicht en winst....................................................2
College 2. VPB – deelnemingsvrijstelling.......................................................................12
Week 2........................................................................................................ 19
College 3. VPB – Fiscale eenheid...................................................................................19
College 4. VPB – Verliesverrekening..............................................................................24
Week 3........................................................................................................ 28
College 5. IB – Ondernemer, onderneming....................................................................28
College 6. CV, TBS, totale winst, GKG...........................................................................35
Week 4........................................................................................................ 44
College 7. Staking......................................................................................................... 44
College 8. Toetreding en inbreng personenvennootschappen.......................................55
Week 5........................................................................................................ 63
College 9 en 10. Aanmerkelijk belang...........................................................................63
Week 6........................................................................................................ 77
College 11. AB-TBS....................................................................................................... 77
College 12. Bedrijfsopvolging en herstructurering in de AB/Vpb-sfeer..........................80
,Week 1.
College 1. VPB – Subjectieve belastingplicht en winst
Subjectieve belastingplicht
Vennootschapsbelasting wordt geheven van de lichamen genoemd in art. 2 en 3
VPB (art. 1 VPB). Er staat in de Wet VPB geen definitie van het begrip ‘lichaam’,
maar er worden verschillende rechtsvromen genoemd die hieraan onderworpen
zijn. Staat de rechtsvorm hier niet in, dan niet onderworpen aan de vpb. De VOF
en maatschap vallen hier niet onder (dus niet elke vennootschap is onderworpen
aan de vpb).
Onderscheid tussen binnenlandse belastingplichtige lichamen (art. 2 VPB) die zijn
gevestigd in Nederland voor het wereldinkomen, en buitenlandse
belastingplichtige lichamen (art. 3 VPB) die niet gevestigd zijn in Nederland voor
het Nederlands inkomen.
In eerste instantie bij een binnenlandse belastingplichtige is een BV die in
Nederland is gevestigd belast voor het wereldinkomen, maar door Verdragen
wordt dubbele belasting voorkomen, waardoor uiteindelijk toch resultaat is dat
over het Nederlands inkomen belasting wordt betaald. Voor buitenlands inkomen
betalen ze dan in het buitenland door de Verdragen.
Cruciaal is dus waar een vennootschap is gevestigd (art. 4 AWR). NV en BV staan
in dit vak centraal.
Binnenlandse belastingplicht
Waar een vennootschap is gevestigd wordt beoordeeld aan de hand van art. 4
AWR (en art. 2 VPB), dus beoordeeld naar de omstandigheden. De rechtspraak
(BNB 1993/193) heeft dat als volgt ingevuld: de plaats van de feitelijke leiding is
doorslaggevend. Dus als een BV feitelijke wordt bestuurd vanuit Nederland
(kernbeslissingen, feitelijke beslissingen omtrent het beleid), dan is een lichaam
in Nederland gevestigd.
Als het bestuur van een BV wekelijks bijeenkomt in Groningen, en daar
beslissingen neemt omtrent het beleid, dan is die BV gevestigd in Nederland.
Geldt echter ook een vestigingsplaatsfictie ex art. 2 lid 5 VPB: als een lichaam
naar Nederlands recht is opgericht, dan wordt hij geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Dit is een hoofdregel, geen onbeperkte toepassing, er worden ook
bepalingen uitgesloten.
Dus stel naar Nederlands opgerichte BV, maar het bestuur komt altijd samen in
Bremen. Feitelijke leiding is dus Duitsland, maar toch binnenlands
belastingplichtig door die vestigingsplaatsfictie, omdat het naar Nederlands recht
is opgericht. Dan maakt de feitelijke leiding niet meer uit.
Lichamen:
NV en BV (art. 2 lid 1a VPB, zijn ‘belangrijkste’), naar Nederlands recht
opgericht;
En daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen (art. 1a lid 1 VPB),
mits hun feitelijke leiding ook daadwerkelijk in Nederland plaatsvindt.
2
,Art. 2 lid 6 VPB de lichamen worden geacht hun gehele onderneming te drijven
met behulp van hun gehele vermogen. NV en BV worden dus altijd geacht een
onderneming te drijven. Alles wat een NV en BV doet is ondernemingsvermogen.
Dus ook al houdt een NV of BV zich alleen maar bezig met beleggen, zij worden
geacht altijd een onderneming te drijven, dus voor alle resultaten die zij behalen
zijn ze onderworpen aan de vpb (dus ook beleggingsverliezen en - winsten) –
‘ondernemingsfictie’.
Alle verschillende soort activiteiten die een BV uitvoert wordt voor de vpb
beschouwd als één en dezelfde onderneming (anders bij de IB), door art. 2 lid 6
VPB. Dus als een BV 10 verschillende activiteiten heeft, kan dit 10 verschillende
ondernemingen opleveren, maar door lid 6 wordt dit beschouwd als één en
dezelfde onderneming. Er is altijd maar één onderneming.
Buitenlandse belastingplicht (art. 3 VPB)
Lichamen:
Niet in Nederland gevestigde (niet naar Nederlands recht opgerichte)
lichamen;
Nederlands inkomen in de zin van hoofdstuk III VPB
o Winst uit Nederlandse onderneming (vaste inrichting)
o Inkomen uit een Nederlands aanmerkelijk belang (alleen in
misbruiksituaties)
Wordt niet getoetst op het tentamen, binnenlandse belastingplicht van belang.
Subjectieve vrijstellingen
Art. 5 t/m 6b VPB noemen situaties die vallen onder de vrijstellingen.
Bijvoorbeeld stichtingen en verenigingen met een jaarlijks kleine winst.
Kenmerkend voor een stichting en een vereniging is dat zij alleen aan de vpb zijn
onderworpen indien, en voor zover zij een onderneming drijven. Belastingplicht
dus beperkter dan bij de BV en NV (waarbij alle activiteiten in het resultaat vallen
waarvoor vpb verschuldigd is).
Art. 6 VPB – verenigingen en stichtingen die culturele instellingen zijn (en een
onderneming drijven) worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting, mits de
winst in een jaar niet hoger is dan € 15.000 of, samen met de vier voorgaande
jaren, niet hoger dan € 75.000. Dus ‘kleine winst’.
Emigratie
Stel dat een BV in Nederland is gevestigd d.m.v. de feitelijke leiding, maar deze
feitelijke leiding wordt verplaatst naar België. Dit wordt gezien als emigratie. De
BV blijft binnenlands belastingplichtig, want naar Nederlands recht opgericht.
Probleem voor de fiscus, want België zal ook willen heffen over de winst dat
wordt gemaakt in België. Voor die situaties geldt een belastingverdrag, waarin zal
worden gezegd dat het land waar de feitelijke leiding plaatsvindt,
heffingsbevoegd is (hoofdregel). BV blijft binnenlands belastingplichtig, maar
door het verdrag kan Nederland niet meer heffen.
Dus als de BV dus emigreert naar een Verdragsland, dan dreigt Nederland het
heffingsrecht te verliezen over meerwaarde die in Nederland zijn opgebouwd
door het verdrag. Dan moet worden afgerekend ex art. 15c VPB (eindafrekening).
Moet worden afgerekend over alle meerwaarde die voortaan niet meer in
Nederland kunnen worden belast. Alleen de meerwaarde in die spullen die
mee de grens over gaan. Stel dat er in Nederland een pand met machines
3
, staat. Pand blijft achter in Nederland, waardoor Nederland heffingsbevoegd
blijft over dat pand. Over de meerwaarde van het pand hoeft niet te
worden afgerekend, omdat het niet op de rug mee kan en Nederland het
heffingsrecht niet ‘verliest’. De machines die wel de grens mee over gaan
verliest Nederland heffingsrecht, dus daarover moet de meerwaarde wel
worden afgerekend.
Als de emigratie naar een derde land is, dan geen afrekening, want geen Verdrag,
dus blijft binnenlands belastingplichtig en Nederland mag heffen over
wereldinkomen.
Wanneer een naar vreemd recht opgericht lichaam emigreert vindt altijd
afrekening ex art. 15c VPB plaats, maar ook alleen maar weer over die
meerwaarde waar Nederland het heffingsrecht over verliest.
Let op art. 25b IW! Stel dat de feitelijke leiding wordt verplaatst binnen
Nederland (van Groningen naar Bad Nieuweschans), dan geen afrekening,
want binnen Nederland. Maar een klein stukje verder zit je in Duitsland en
moet dit wel. Kan in strijd zijn met de vrijheid van vestiging. Het HvJ heeft
bepaald dat de eindafrekening van art. 15c wel mag, maar als er moet
worden afgerekend op de voet van dit artikel, en er wordt geëmigreerd
binnen de EU/EER, dan hoef je op verzoek niet direct aan de grens te
betalen, maar mag je opteren voor uitstel op de voet van art. 25b IW (in
termijnen).
Voor 15c VPB van belang het onderscheid Verdragsland of niet, en voor 25b IW
van belang het onderscheid emigratie naar EU/EER of niet.
Voorbeeld
BV emigreert naar Bremen (Duitsland) en heeft een pand met een boekwaarde
van € 1.000 en WEV € 1.500 in Nederland en nog machines met een boekwaarde
van € 100 en WEV € 500. Met Duitsland is er een belastingverdrag. Afrekenen ex
art. 15c VPB over alle meerwaarden die niet meer door Nederland kunnen worden
belast. Er zijn hier twee meerwaardes, namelijk € 400 in machines en € 500 in
het pand (stille reserves). Het pand blijft in Nederland achter, waardoor
Nederland heffingsbevoegd blijft, dus hier hoeft niet over worden afgerekend. De
machines gaan de grens over, Nederland verliest heffingsrecht, dus over de €
400 moet worden afgerekend.
Afrekenen vindt plaats over de meerwaarde, maar hoeft niet aan de grens
betaald te worden, want betreft EU. Mogelijkheid in termijnen (art. 25b IW).
Als de BV zou emigreren naar Amerika moet ook worden afgerekend over de
meerwaarde, want een verdragsland, maar hier wel aan de grens betalen, want
geen EU of EER.
Op tentamen wordt gegeven of het een verdragsland betreft.
Objectieve belastingplicht
De vpb moet worden geheven over de winst. De winst is de opbrengst minus de
kosten.
4
Fiscaal ondernemingsrecht voor Notariëlen
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
College 1. VPB – Subjectieve belastingplicht en winst....................................................2
College 2. VPB – deelnemingsvrijstelling.......................................................................12
Week 2........................................................................................................ 19
College 3. VPB – Fiscale eenheid...................................................................................19
College 4. VPB – Verliesverrekening..............................................................................24
Week 3........................................................................................................ 28
College 5. IB – Ondernemer, onderneming....................................................................28
College 6. CV, TBS, totale winst, GKG...........................................................................35
Week 4........................................................................................................ 44
College 7. Staking......................................................................................................... 44
College 8. Toetreding en inbreng personenvennootschappen.......................................55
Week 5........................................................................................................ 63
College 9 en 10. Aanmerkelijk belang...........................................................................63
Week 6........................................................................................................ 77
College 11. AB-TBS....................................................................................................... 77
College 12. Bedrijfsopvolging en herstructurering in de AB/Vpb-sfeer..........................80
,Week 1.
College 1. VPB – Subjectieve belastingplicht en winst
Subjectieve belastingplicht
Vennootschapsbelasting wordt geheven van de lichamen genoemd in art. 2 en 3
VPB (art. 1 VPB). Er staat in de Wet VPB geen definitie van het begrip ‘lichaam’,
maar er worden verschillende rechtsvromen genoemd die hieraan onderworpen
zijn. Staat de rechtsvorm hier niet in, dan niet onderworpen aan de vpb. De VOF
en maatschap vallen hier niet onder (dus niet elke vennootschap is onderworpen
aan de vpb).
Onderscheid tussen binnenlandse belastingplichtige lichamen (art. 2 VPB) die zijn
gevestigd in Nederland voor het wereldinkomen, en buitenlandse
belastingplichtige lichamen (art. 3 VPB) die niet gevestigd zijn in Nederland voor
het Nederlands inkomen.
In eerste instantie bij een binnenlandse belastingplichtige is een BV die in
Nederland is gevestigd belast voor het wereldinkomen, maar door Verdragen
wordt dubbele belasting voorkomen, waardoor uiteindelijk toch resultaat is dat
over het Nederlands inkomen belasting wordt betaald. Voor buitenlands inkomen
betalen ze dan in het buitenland door de Verdragen.
Cruciaal is dus waar een vennootschap is gevestigd (art. 4 AWR). NV en BV staan
in dit vak centraal.
Binnenlandse belastingplicht
Waar een vennootschap is gevestigd wordt beoordeeld aan de hand van art. 4
AWR (en art. 2 VPB), dus beoordeeld naar de omstandigheden. De rechtspraak
(BNB 1993/193) heeft dat als volgt ingevuld: de plaats van de feitelijke leiding is
doorslaggevend. Dus als een BV feitelijke wordt bestuurd vanuit Nederland
(kernbeslissingen, feitelijke beslissingen omtrent het beleid), dan is een lichaam
in Nederland gevestigd.
Als het bestuur van een BV wekelijks bijeenkomt in Groningen, en daar
beslissingen neemt omtrent het beleid, dan is die BV gevestigd in Nederland.
Geldt echter ook een vestigingsplaatsfictie ex art. 2 lid 5 VPB: als een lichaam
naar Nederlands recht is opgericht, dan wordt hij geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Dit is een hoofdregel, geen onbeperkte toepassing, er worden ook
bepalingen uitgesloten.
Dus stel naar Nederlands opgerichte BV, maar het bestuur komt altijd samen in
Bremen. Feitelijke leiding is dus Duitsland, maar toch binnenlands
belastingplichtig door die vestigingsplaatsfictie, omdat het naar Nederlands recht
is opgericht. Dan maakt de feitelijke leiding niet meer uit.
Lichamen:
NV en BV (art. 2 lid 1a VPB, zijn ‘belangrijkste’), naar Nederlands recht
opgericht;
En daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen (art. 1a lid 1 VPB),
mits hun feitelijke leiding ook daadwerkelijk in Nederland plaatsvindt.
2
,Art. 2 lid 6 VPB de lichamen worden geacht hun gehele onderneming te drijven
met behulp van hun gehele vermogen. NV en BV worden dus altijd geacht een
onderneming te drijven. Alles wat een NV en BV doet is ondernemingsvermogen.
Dus ook al houdt een NV of BV zich alleen maar bezig met beleggen, zij worden
geacht altijd een onderneming te drijven, dus voor alle resultaten die zij behalen
zijn ze onderworpen aan de vpb (dus ook beleggingsverliezen en - winsten) –
‘ondernemingsfictie’.
Alle verschillende soort activiteiten die een BV uitvoert wordt voor de vpb
beschouwd als één en dezelfde onderneming (anders bij de IB), door art. 2 lid 6
VPB. Dus als een BV 10 verschillende activiteiten heeft, kan dit 10 verschillende
ondernemingen opleveren, maar door lid 6 wordt dit beschouwd als één en
dezelfde onderneming. Er is altijd maar één onderneming.
Buitenlandse belastingplicht (art. 3 VPB)
Lichamen:
Niet in Nederland gevestigde (niet naar Nederlands recht opgerichte)
lichamen;
Nederlands inkomen in de zin van hoofdstuk III VPB
o Winst uit Nederlandse onderneming (vaste inrichting)
o Inkomen uit een Nederlands aanmerkelijk belang (alleen in
misbruiksituaties)
Wordt niet getoetst op het tentamen, binnenlandse belastingplicht van belang.
Subjectieve vrijstellingen
Art. 5 t/m 6b VPB noemen situaties die vallen onder de vrijstellingen.
Bijvoorbeeld stichtingen en verenigingen met een jaarlijks kleine winst.
Kenmerkend voor een stichting en een vereniging is dat zij alleen aan de vpb zijn
onderworpen indien, en voor zover zij een onderneming drijven. Belastingplicht
dus beperkter dan bij de BV en NV (waarbij alle activiteiten in het resultaat vallen
waarvoor vpb verschuldigd is).
Art. 6 VPB – verenigingen en stichtingen die culturele instellingen zijn (en een
onderneming drijven) worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting, mits de
winst in een jaar niet hoger is dan € 15.000 of, samen met de vier voorgaande
jaren, niet hoger dan € 75.000. Dus ‘kleine winst’.
Emigratie
Stel dat een BV in Nederland is gevestigd d.m.v. de feitelijke leiding, maar deze
feitelijke leiding wordt verplaatst naar België. Dit wordt gezien als emigratie. De
BV blijft binnenlands belastingplichtig, want naar Nederlands recht opgericht.
Probleem voor de fiscus, want België zal ook willen heffen over de winst dat
wordt gemaakt in België. Voor die situaties geldt een belastingverdrag, waarin zal
worden gezegd dat het land waar de feitelijke leiding plaatsvindt,
heffingsbevoegd is (hoofdregel). BV blijft binnenlands belastingplichtig, maar
door het verdrag kan Nederland niet meer heffen.
Dus als de BV dus emigreert naar een Verdragsland, dan dreigt Nederland het
heffingsrecht te verliezen over meerwaarde die in Nederland zijn opgebouwd
door het verdrag. Dan moet worden afgerekend ex art. 15c VPB (eindafrekening).
Moet worden afgerekend over alle meerwaarde die voortaan niet meer in
Nederland kunnen worden belast. Alleen de meerwaarde in die spullen die
mee de grens over gaan. Stel dat er in Nederland een pand met machines
3
, staat. Pand blijft achter in Nederland, waardoor Nederland heffingsbevoegd
blijft over dat pand. Over de meerwaarde van het pand hoeft niet te
worden afgerekend, omdat het niet op de rug mee kan en Nederland het
heffingsrecht niet ‘verliest’. De machines die wel de grens mee over gaan
verliest Nederland heffingsrecht, dus daarover moet de meerwaarde wel
worden afgerekend.
Als de emigratie naar een derde land is, dan geen afrekening, want geen Verdrag,
dus blijft binnenlands belastingplichtig en Nederland mag heffen over
wereldinkomen.
Wanneer een naar vreemd recht opgericht lichaam emigreert vindt altijd
afrekening ex art. 15c VPB plaats, maar ook alleen maar weer over die
meerwaarde waar Nederland het heffingsrecht over verliest.
Let op art. 25b IW! Stel dat de feitelijke leiding wordt verplaatst binnen
Nederland (van Groningen naar Bad Nieuweschans), dan geen afrekening,
want binnen Nederland. Maar een klein stukje verder zit je in Duitsland en
moet dit wel. Kan in strijd zijn met de vrijheid van vestiging. Het HvJ heeft
bepaald dat de eindafrekening van art. 15c wel mag, maar als er moet
worden afgerekend op de voet van dit artikel, en er wordt geëmigreerd
binnen de EU/EER, dan hoef je op verzoek niet direct aan de grens te
betalen, maar mag je opteren voor uitstel op de voet van art. 25b IW (in
termijnen).
Voor 15c VPB van belang het onderscheid Verdragsland of niet, en voor 25b IW
van belang het onderscheid emigratie naar EU/EER of niet.
Voorbeeld
BV emigreert naar Bremen (Duitsland) en heeft een pand met een boekwaarde
van € 1.000 en WEV € 1.500 in Nederland en nog machines met een boekwaarde
van € 100 en WEV € 500. Met Duitsland is er een belastingverdrag. Afrekenen ex
art. 15c VPB over alle meerwaarden die niet meer door Nederland kunnen worden
belast. Er zijn hier twee meerwaardes, namelijk € 400 in machines en € 500 in
het pand (stille reserves). Het pand blijft in Nederland achter, waardoor
Nederland heffingsbevoegd blijft, dus hier hoeft niet over worden afgerekend. De
machines gaan de grens over, Nederland verliest heffingsrecht, dus over de €
400 moet worden afgerekend.
Afrekenen vindt plaats over de meerwaarde, maar hoeft niet aan de grens
betaald te worden, want betreft EU. Mogelijkheid in termijnen (art. 25b IW).
Als de BV zou emigreren naar Amerika moet ook worden afgerekend over de
meerwaarde, want een verdragsland, maar hier wel aan de grens betalen, want
geen EU of EER.
Op tentamen wordt gegeven of het een verdragsland betreft.
Objectieve belastingplicht
De vpb moet worden geheven over de winst. De winst is de opbrengst minus de
kosten.
4