Pedagogiek hoorcollege 1 tm hoorcollege 3
Opvoedingselementen
Opvoedeling -> de personen/kinderen die worden opgevoed.
Bijvoorbeeld: kinderen.
Opvoeder -> de persoon die de opvoeding op zich heeft genomen, naar
zijn/haar kinderen. Bijvoorbeeld: ouders, professionele opvoeders.
Omgeving -> ruimere omgeving, de samenleving waarin je opgroeit. De
omgeving heeft invloed op de manier waarop je opgevoed wordt.
Bijvoorbeeld: de wijk waar je woont/ maar ook binnen in je gezin.
Opvoedingsmilieus
= de omgeving waarin een kind opgroeit en zich ontwikkelt.
Primaire opvoedingsmilieu -> het gaat hier om de directe opvoeders.
Het gezin waarin het kind in is geboren. Het is voor de opvoeding de
belangrijkste plek waarin opgevoed wordt. Bijvoorbeeld: eigen ouders,
samengestelde gezinnen, stief- en pleeggezinnen.
Secundaire opvoedingsmilieu -> hier gaat het om de
beroepsopvoeder, de professional. Bijvoorbeeld: de school en de
kinderopvang waar het kind heen gaat.
Tertiaire opvoedingsmilieu -> hier gaat het om in welke omgeving je
opgroeit en met welke mensen je omgaat. Invloed van ouders wordt
minder belangrijk. Bijvoorbeeld: de buurt en leeftijdsgenoten (ze
beïnvloeden je, maar voeden je niet op)
Quartaire opvoedingsmilieu -> de invloed van de digitale wereld,
brengt een hoop negativiteit met zich mee, zoals online pesten en
verslaving. Bijvoorbeeld: telefoon, internet, televisie etc.
Pedagogische visie
Kindbeeld -> dit is het algemene beeld dat men heeft van kinderen
(vooral de opvoeder, over alle kinderen niet specifiek 1 kind).
Bijvoorbeeld: kinderen zijn gevoelig, kinderen moeten gestimuleerd en
uitgedaagd worden.
Object = het kind moet naar je luisteren, de opvoeder/volwassene neemt
de beslissingen en niet het kind.
Subject = je erkent het kind als een mens en je luistert naar de mening
van het kind.
Het beeld van de pedagogische relatie en de opvoeder
, De pedagogische relatie = de relatie tussen de opvoeder en de
opvoedeling. (met kinderen/jeugdigen, niet ouders)
Metaforen
Een tuinier -> de zaadjes worden geplant, waar een de kinderen zelf
kunnen groeien en ontwikkelen.
Een beeldhouwer -> ideeën die worden opgedragen aan het kind, het kind
heeft weinig inspraak en er is weinig tot geen ruimte om een eigen
mening te vormen.
Opvoedingsdoelen-> de doelen die jij voor het kind formuleert, dat jij
belangrijk vind. Het zijn doelen die jij vind dat je kind moet
kunnen/bereiken. Bijvoorbeeld: zelfstandigheid, respect hebben,
zelfredzaamheid etc.
Opvoedingsmiddelen-> de dingen die jij als opvoeder bewust doet om
de doelen te behalen die je hebt opgesteld. Bijvoorbeeld: aandacht geven,
je kind geruststellen, in bescherming nemen etc.
Opvoedingsvoorwaarden -> de omstandigheden/condities die jij als
opvoeder mogelijk maakt om te kunnen opvoeden. Dingen die aanwezig
moeten zijn bij een opvoeding. Bijvoorbeeld: een veilig omgeving/situatie,
ruimte geven om de wereld te ontdekken.
Opvoeding middeleeuwen (500-1500)
- Kind wordt gezien als een ‘klein volwassene.’
- Vanaf 7 jaar gezien en behandeld als volwassene (wel in broekzak
formaat)
- Gingen werken en sommige werden als directeur van een fabriek.
Humanisme (ca. 1400-1650)
- Elitebeweging door christelijke denkers die de klassieke cultuur
wilden vernieuwen.
- Pedagogische optimisme = het idee dat mens, hoewel van nature
slecht, door studie en onderwijs een beter persoon worden.
- Desiderius Erasmus (1466-1536) een belangrijke humanist.
Pedagogische visie Erasmus
Kindbeeld: Van nature slecht en zondig geboren. Natte klei, het kind is
nog vormbaar /ontwikkelbaar en als het de juiste kennis geeft, kan je er
een goed mens van ‘kneden’.
Beeld van de opvoeder: Een beeldhouwer, door het goede voorbeeld te
geven en de juiste kennis over te brengen, door klassieke teksten te laten
voorlezen/lezen.
Opvoedingselementen
Opvoedeling -> de personen/kinderen die worden opgevoed.
Bijvoorbeeld: kinderen.
Opvoeder -> de persoon die de opvoeding op zich heeft genomen, naar
zijn/haar kinderen. Bijvoorbeeld: ouders, professionele opvoeders.
Omgeving -> ruimere omgeving, de samenleving waarin je opgroeit. De
omgeving heeft invloed op de manier waarop je opgevoed wordt.
Bijvoorbeeld: de wijk waar je woont/ maar ook binnen in je gezin.
Opvoedingsmilieus
= de omgeving waarin een kind opgroeit en zich ontwikkelt.
Primaire opvoedingsmilieu -> het gaat hier om de directe opvoeders.
Het gezin waarin het kind in is geboren. Het is voor de opvoeding de
belangrijkste plek waarin opgevoed wordt. Bijvoorbeeld: eigen ouders,
samengestelde gezinnen, stief- en pleeggezinnen.
Secundaire opvoedingsmilieu -> hier gaat het om de
beroepsopvoeder, de professional. Bijvoorbeeld: de school en de
kinderopvang waar het kind heen gaat.
Tertiaire opvoedingsmilieu -> hier gaat het om in welke omgeving je
opgroeit en met welke mensen je omgaat. Invloed van ouders wordt
minder belangrijk. Bijvoorbeeld: de buurt en leeftijdsgenoten (ze
beïnvloeden je, maar voeden je niet op)
Quartaire opvoedingsmilieu -> de invloed van de digitale wereld,
brengt een hoop negativiteit met zich mee, zoals online pesten en
verslaving. Bijvoorbeeld: telefoon, internet, televisie etc.
Pedagogische visie
Kindbeeld -> dit is het algemene beeld dat men heeft van kinderen
(vooral de opvoeder, over alle kinderen niet specifiek 1 kind).
Bijvoorbeeld: kinderen zijn gevoelig, kinderen moeten gestimuleerd en
uitgedaagd worden.
Object = het kind moet naar je luisteren, de opvoeder/volwassene neemt
de beslissingen en niet het kind.
Subject = je erkent het kind als een mens en je luistert naar de mening
van het kind.
Het beeld van de pedagogische relatie en de opvoeder
, De pedagogische relatie = de relatie tussen de opvoeder en de
opvoedeling. (met kinderen/jeugdigen, niet ouders)
Metaforen
Een tuinier -> de zaadjes worden geplant, waar een de kinderen zelf
kunnen groeien en ontwikkelen.
Een beeldhouwer -> ideeën die worden opgedragen aan het kind, het kind
heeft weinig inspraak en er is weinig tot geen ruimte om een eigen
mening te vormen.
Opvoedingsdoelen-> de doelen die jij voor het kind formuleert, dat jij
belangrijk vind. Het zijn doelen die jij vind dat je kind moet
kunnen/bereiken. Bijvoorbeeld: zelfstandigheid, respect hebben,
zelfredzaamheid etc.
Opvoedingsmiddelen-> de dingen die jij als opvoeder bewust doet om
de doelen te behalen die je hebt opgesteld. Bijvoorbeeld: aandacht geven,
je kind geruststellen, in bescherming nemen etc.
Opvoedingsvoorwaarden -> de omstandigheden/condities die jij als
opvoeder mogelijk maakt om te kunnen opvoeden. Dingen die aanwezig
moeten zijn bij een opvoeding. Bijvoorbeeld: een veilig omgeving/situatie,
ruimte geven om de wereld te ontdekken.
Opvoeding middeleeuwen (500-1500)
- Kind wordt gezien als een ‘klein volwassene.’
- Vanaf 7 jaar gezien en behandeld als volwassene (wel in broekzak
formaat)
- Gingen werken en sommige werden als directeur van een fabriek.
Humanisme (ca. 1400-1650)
- Elitebeweging door christelijke denkers die de klassieke cultuur
wilden vernieuwen.
- Pedagogische optimisme = het idee dat mens, hoewel van nature
slecht, door studie en onderwijs een beter persoon worden.
- Desiderius Erasmus (1466-1536) een belangrijke humanist.
Pedagogische visie Erasmus
Kindbeeld: Van nature slecht en zondig geboren. Natte klei, het kind is
nog vormbaar /ontwikkelbaar en als het de juiste kennis geeft, kan je er
een goed mens van ‘kneden’.
Beeld van de opvoeder: Een beeldhouwer, door het goede voorbeeld te
geven en de juiste kennis over te brengen, door klassieke teksten te laten
voorlezen/lezen.