Samenvatting Basisboek Integrale Veiligheid
Hoofdstuk 3: Werken aan risicoreductie
Een risico is het effect van onzekerheid op het behalen van doelstellingen. Dit kan op een positieve
of negatieve manier worden aangepakt.
Veiligheid houdt in dat mensen beschermd zijn tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke
integriteit. Onveiligheid zijn de mogelijke gevaren voor het bereiken van je doel.
Risico bestaat uit drie elementen:
1. Blootstelling
2. Kans
3. Gevolg
Bij risico is het gevaar (dreiging) datgene dat daadwerkelijk schade kan veroorzaken. Risico loop je
dan pas als je hiermee in aanraking komt. Een risico bevat dus altijd een gevaar, maar een gevaar
bevat niet altijd een risico. (Risico = blootstelling x kans x gevolg.)
Als IVK’er maak je het risiconiveau acceptabel, ten opzichte van de te bereiken doelen. Het begrip
onzekerheid is binnen het begrip ‘risico’ ook van belang.
Positieve veiligheid is dat wat er afwezig moet zijn om van veiligheid te kunnen spreken, zoals
geborgenheid.
Feedback is van belang om te bouwen aan risicobeheersing.
- Incidentverloop: De combinatie van een gevaar, in combinatie met een activiteit/persoon
die kan leiden tot een incident.
- Blootstelling: Wanneer en waar het gevaar zich voordoet.
- Kans: De waarschijnlijkheid dat de gevolgen optreden naar aanleiding van de blootstelling.
- Gevolg: Het effect/gevolg van het incident.
- Maatregelen: Manieren om risico’s te verkleinen.
Het Vlinderdas diagram kan hiermee helpen. Dit geeft de relatie van aspecten van het risico weer.
De oorzaken zijn hierbij gevaren, in combinatie met blootstelling is er een kans op gevolgen. Voor
het incident kan dit aangepakt worden met preventieve maatregelen, en erna met repressieve
maatregelen. Het risico hiermee verkleinen heet risicoreductie.
, Risico’s verschillen op drie onderdelen:
1. Complexiteit: Hoe ingewikkeld is het om
verbanden te leggen tussen oorzaken en gevolgen.
2. Onzekerheid: De omschrijving van kans en gevolg (is er voldoende kennis?).
3. Ambiguïteit: De mate waarin overeenstemming bestaat over de onderbouwing van een
risicoanalyse.
Hieruit komen vier risicoproblemen voort:
1. Eenvoudige risicoproblemen: Weinig onzekerheden, voor- en nadelen zijn bekend, grootte
ook. (Hierbij kan er een beroep worden gedaan op risico assessment en -management.)
2. Complexe risicoproblemen: Veroorzaker is moeilijker op te sporen, meer discussie nodig.
Hierbij kan een high reliability-organisatie helpen, en meer diversiteit in systemen ook.
3. Onzekere risicoproblemen: Gebrek aan kennis, kan niet betrouwbaar beoordeeld worden.
Hierbij werk je met aannames.
4. Ambigue risicoproblemen: Geen overeenstemming. Verschillende belangen stellen andere
prioriteiten. Hierbij speelt ethiek een rol.
Om risico’s te meten heb je een meeteenheid nodig, dit is vanwege vijf redenen lastig:
1. Er is geen algemeen toepasbare meeteenheid. Hierbij kan je de formule van eerder
gebruiken, maar er zijn meer soorten vormen van schade.
2. Er is een grens aan het menselijke vermogen om risico’s in te schatten.
3. Het meten van een risico hangt af van wat we waardevol vinden.
4. Een risico op zichzelf zegt niks.
5. De omschrijving van een risico zorgt voor een groot deel hoe we erop reageren.
Wel zijn er twee handvatten om risico’s in te schatten: De vreesfactor en de onbekendheidsfactor.
Door deze haaks op elkaar te zetten, ontstaat een matrix.
Hoofdstuk 3: Werken aan risicoreductie
Een risico is het effect van onzekerheid op het behalen van doelstellingen. Dit kan op een positieve
of negatieve manier worden aangepakt.
Veiligheid houdt in dat mensen beschermd zijn tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke
integriteit. Onveiligheid zijn de mogelijke gevaren voor het bereiken van je doel.
Risico bestaat uit drie elementen:
1. Blootstelling
2. Kans
3. Gevolg
Bij risico is het gevaar (dreiging) datgene dat daadwerkelijk schade kan veroorzaken. Risico loop je
dan pas als je hiermee in aanraking komt. Een risico bevat dus altijd een gevaar, maar een gevaar
bevat niet altijd een risico. (Risico = blootstelling x kans x gevolg.)
Als IVK’er maak je het risiconiveau acceptabel, ten opzichte van de te bereiken doelen. Het begrip
onzekerheid is binnen het begrip ‘risico’ ook van belang.
Positieve veiligheid is dat wat er afwezig moet zijn om van veiligheid te kunnen spreken, zoals
geborgenheid.
Feedback is van belang om te bouwen aan risicobeheersing.
- Incidentverloop: De combinatie van een gevaar, in combinatie met een activiteit/persoon
die kan leiden tot een incident.
- Blootstelling: Wanneer en waar het gevaar zich voordoet.
- Kans: De waarschijnlijkheid dat de gevolgen optreden naar aanleiding van de blootstelling.
- Gevolg: Het effect/gevolg van het incident.
- Maatregelen: Manieren om risico’s te verkleinen.
Het Vlinderdas diagram kan hiermee helpen. Dit geeft de relatie van aspecten van het risico weer.
De oorzaken zijn hierbij gevaren, in combinatie met blootstelling is er een kans op gevolgen. Voor
het incident kan dit aangepakt worden met preventieve maatregelen, en erna met repressieve
maatregelen. Het risico hiermee verkleinen heet risicoreductie.
, Risico’s verschillen op drie onderdelen:
1. Complexiteit: Hoe ingewikkeld is het om
verbanden te leggen tussen oorzaken en gevolgen.
2. Onzekerheid: De omschrijving van kans en gevolg (is er voldoende kennis?).
3. Ambiguïteit: De mate waarin overeenstemming bestaat over de onderbouwing van een
risicoanalyse.
Hieruit komen vier risicoproblemen voort:
1. Eenvoudige risicoproblemen: Weinig onzekerheden, voor- en nadelen zijn bekend, grootte
ook. (Hierbij kan er een beroep worden gedaan op risico assessment en -management.)
2. Complexe risicoproblemen: Veroorzaker is moeilijker op te sporen, meer discussie nodig.
Hierbij kan een high reliability-organisatie helpen, en meer diversiteit in systemen ook.
3. Onzekere risicoproblemen: Gebrek aan kennis, kan niet betrouwbaar beoordeeld worden.
Hierbij werk je met aannames.
4. Ambigue risicoproblemen: Geen overeenstemming. Verschillende belangen stellen andere
prioriteiten. Hierbij speelt ethiek een rol.
Om risico’s te meten heb je een meeteenheid nodig, dit is vanwege vijf redenen lastig:
1. Er is geen algemeen toepasbare meeteenheid. Hierbij kan je de formule van eerder
gebruiken, maar er zijn meer soorten vormen van schade.
2. Er is een grens aan het menselijke vermogen om risico’s in te schatten.
3. Het meten van een risico hangt af van wat we waardevol vinden.
4. Een risico op zichzelf zegt niks.
5. De omschrijving van een risico zorgt voor een groot deel hoe we erop reageren.
Wel zijn er twee handvatten om risico’s in te schatten: De vreesfactor en de onbekendheidsfactor.
Door deze haaks op elkaar te zetten, ontstaat een matrix.