definitie van “theorie” en de kenmerken van
een goede theorie
1. Inleiding – in dit hoofdstuk:
2. Het begrip criminaliteit
Enkele basisprincipes van conceptvorming
Meeste criminologen: ‘criminaliteit als handelingen of nalaten die in strijd zijn met het
strafrecht’
Voorbeelden zijn diefstal, mensenhandel, belastingontduiking of het nalaten om in te
grijpen bij een moord die men had kunnen voorkomen…
MAAR er bestaan echter talrijke andere definities, DUS wat is nu een “goede” definitie?
Definities
= conventies over de betekenis van termen
kunnen niet waar of onwaar zijn, enkel nuttig of niet nuttig
waarde hangt af van hun bruikbaarheid voor theoretische doeleinden
OPGELET: onderscheid tussen taalkundige conventies en empirische hypothesen
= afsprakelijke betekenis van een woord, is niet toetsbaar, bv. criminaliteit = overtreding vd
strafwet
= uitspraken over de werkelijkheid, is wel toetsbaar, bv. ‘armoede vergoot de kans op
criminaliteit’
MAAR veel auteurs vermengen deze
Een theoretisch nuttige definitie
1. Moet precies zijn en bijdragen aan de formulering van verklarende en voorspellende
wetten of theorieën
Onduidelijke definities zijn niet toetsbaar en daardoor theoretisch onvruchtbaar
2. Mag niet tautologisch zijn
Bv. Gottfredson: ‘criminaliteit als gedrag met kortetermijnvoordelen en
langetermijnkosten’ TERWIJL hij lage zelfbeheersing definieert als de neiging om
kortetermijnvoordelen te verkiezen boven langetermijnbelangen
Verklaring wordt circulair
Complexe definities en hun problemen
1. Sommige auteurs formuleren complexe of “geïntegreerde” definities van criminaliteit
Bv. Agnew stelt dat ‘misdaad een handeling is die schade veroorzaakt (1), door het
publiek wordt veroordeeld (2) en door de staat wordt gesanctioneerd (3)’
Wanneer deze eigenschappen cumulatief worden vereist, ontstaat een smalle
categorie verschijnselen, MAAR worden ze alternatief gesteld (= één eigenschap
volstaat), dan wordt het concept te breed
DUS In beide gevallen vermindert dit de informatiewaarde van de theorie, omdat de
definities verklaringen beperken of tautologisch maken
, 2. Verklaringen mogen niet in definities worden opgenomen
Wanneer men zegt dat misdaden “handelingen zijn die schadelijk zijn en door de
staat worden gesanctioneerd”, maakt men van een empirische wet een conventie,
waardoor toetsing onmogelijk wordt
Hier zit al een verklaring in: ‘omdat ze schade veroorzaken’
DUS kun je later niet meer empirisch onderzoeken of misdaden gestraft worden omdat
ze schade veroorzaken, WANT dat heb je al in de definitie vastgelegd
Side note:
Conventie = een afspraak of een taalregel die we met elkaar overeenkomen om iets aan te
duiden.
Het zegt niets over de werkelijkheid zelf, maar alleen over hoe we woorden gebruiken om
die werkelijkheid te beschrijven.
Bv: “We noemen handelingen die in strijd zijn met het strafrecht criminaliteit.”
Waarom de juridische definitie van misdaad nuttig is
Juridische definitie van misdaad: ‘Overtreding van het strafrecht’
Is precies, eenvoudig en theoretisch vruchtbaar
Definitie is breed genoeg om onder RCT te vallen, maar ook smal genoeg om toetsbaar te
blijven
WANT: gedrag kan worden verklaard door de prikkels die eraan ten grondslag liggen
3. Het concept van theorie en verwante concepten
Theorie
= een universele voorwaardelijke uitspraak die empirisch bevestigd of weerlegd kan worden
- Hoeven niet waar te zijn, moeten toetsbaar zijn
- Kunnen deterministisch of probabilistisch zijn
= wanneer een verschijnsel altijd optreedt bij bepaalde omstandigheden
= wanneer het waarschijnlijk optreedt
- Algemene uitspraken worden vaak “wetten” genoemd, singuliere uitspraken verwijzen
naar specifieke situaties
- Veel stromingen zijn geen echte theorieën maar verzamelingen van uitspraken,
paradigma’s of metatheorieën
4. Vereisten voor een ‘goede’ theorie
1. De precisie van concepten en de structuur van een theorie
Een theorie moet precieze concepten hebben zodat duidelijk is welke verschijnselen eronder
vallen. Ook moet de structuur helder zijn: de afhankelijke en onafhankelijke variabelen en hun
relaties moeten expliciet zijn.
2. De waarheid van een theorie
Hoewel theorieën waar zouden moeten zijn, kan hun waarheid nooit volledig worden
vastgesteld omdat ze verwijzen naar oneindig veel gevallen. Theorieën kunnen enkel
gefalsifieerd of voorlopig bevestigd worden. Een theorie wordt geldig genoemd zolang ze
empirisch ondersteund wordt en niet weerlegd is.
3. De informatieve inhoud van een theorie
Een theorie is informatierijk wanneer ze veel en specifieke verschijnselen verklaart.
Een brede, maar vage theorie (bv. Gottfredson en Hirschi, die stelt dat elk gedrag
voortkomt uit lage zelfbeheersing) is minder informatief dan een theorie die specifieke
verbanden verklaart. Tautologieën en tegenstellingen zijn niet-informatief.
4. De armoede van oriënterende hypothesen
Veel uitspraken in de criminologie zijn te algemeen, zoals “anomie is een belangrijke factor
,voor criminaliteit”. Zulke oriënterende hypothesen specificeren geen causale richting en zijn
daarom theoretisch zwak. Ze hebben hoogstens heuristische waarde, maar leveren weinig
empirisch toetsbare kennis op.
5. Tegenstrijdige doelen
Soms kunnen precisie, geldigheid en informatiewaarde niet tegelijk gerealiseerd worden. Als
een theorie zeer informatief is maar onjuist blijkt, moet de geldigheid voorrang krijgen
DUS het maakt niet uit hoe interessant of gedetailleerd een theorie is
als ze onjuist blijkt, is ze waardeloos als verklaring
5. Hoe theorieën toe te passen: het Hempel-Oppenheim-
schema
Het Hempel-Oppenheim-schema (HO-schema) beschrijft hoe theorieën worden gebruikt om
verschijnselen te verklaren. Een verklaring bevat:
Een algemene wet
Specifieke beginvoorwaarden
Het te verklaren verschijnsel (het explanandum)
Bijvoorbeeld: “Als de mogelijkheden om misdaden te plegen afnemen (beginvoorwaarden),
dan zal criminaliteit afnemen (explanandum).”
Schema maakt duidelijk dat verklaringen niet ad hoc mogen zijn, maar logisch moeten
voortvloeien uit een wet.
= verklaring die specifiek voor een bepaald moment of een specifieke situatie wordt afgelegd,
zonder dat deze deel uitmaakt van een breder beleid of plan
6. Mechanismeverklaringen
In de analytische sociologie worden mechanismeverklaringen vaak voorgesteld als alternatief
voor het HO-schema.
= verklaren de processen die tot een verschijnsel leiden
Het hoofdstuk stelt echter dat het HO-schema en mechanismeverklaringen verenigbaar
zijn: mechanismen kunnen met behulp van theorieën (zoals RCT) worden beschreven.
Verduidelijking:
Bijvoorbeeld: in plaats van te zeggen “armoede leidt tot criminaliteit” (HO-schema), kijkt een
mechanismeverklaring naar de stappen en interacties waardoor armoede bepaalde
gedragingen beïnvloedt
Bv. sociale isolatie minder kansen grotere kans op criminaliteit
Ze focussen op het ‘hoe’ en ‘waarom’, niet alleen op het verband.
- HO-schema “dit verband bestaat”
- Mechanisme “zo werkt het verband in de praktijk”
- Samen je kunt een causale hypothese opstellen én het onderliggende proces
beschrijven
7. Samenvatting en conclusies
Misdaad wordt gedefinieerd als overtreding van het strafrecht, een precieze en theoretisch
vruchtbare definitie. Theorieën zijn universele uitspraken die toetsbaar en informatief moeten
zijn. Een goede theorie heeft precieze concepten, is voorlopig geldig en verklaart veel
specifieke verschijnselen. Oriënterende hypothesen en tautologieën zijn te vermijden. Het HO-
, schema biedt een systematische methode om theorieën toe te passen en te testen, terwijl
mechanismeverklaringen daarmee gecombineerd kunnen worden.
Chapter 3: De theoriechaos in de criminologie
1. Inleiding
Criminologische wetenschap heeft te kampen met grote theoretische tekortkomingen
Er bestaan talrijke theorieën over criminaliteit
Bv. de anomie-, spanning-, leertheorie, sociale controletheorie, etiketteringsbenadering en
situationele actietheorie)
MAAR er is geen consensus over welke het meest geldig is
De discipline wordt gekenmerkt door theoretisch pluralisme, fragmentatie en chaos
2. Het gebrek aan duidelijkheid van de structuur en concepten
van theorieën
Veel criminologische theorieën hebben een onduidelijke logische structuur:
1. Vaak niet duidelijk wat de afhankelijke en onafhankelijke variabelen zijn of hoe ze zich
tot elkaar verhouden
2. Vaak zijn er meerdere versies van eenzelfde theorie
Bv. de zelfcontroletheorie van Hirschi en Gottfredson
3. Het ontbreken van duidelijke inter-theoretische relaties
De relaties tussen theorieën zijn niet gespecificeerd DUS onduidelijk of ze elkaar
tegenspreken of aanvullen
GEVOLG: sommige theorieën, zoals de leertheorie en controletheorie bestaan naast elkaar
4. Tekortkomingen in de informatieve inhoud van
criminologische theorieën
Veel theorieën verklaren slechts “criminaliteit” in algemene zin, zonder onderscheid te maken
naar type, context of omstandigheden.
GEVOLG: hun informatieve waarde is laag
5. De problemen bij het bepalen van de geldigheid van
theorieën
1. Er bestaan wel veel empirische studies, MAAR weinig vergelijkende toetsingen tussen
theorieën
2. Vaak worden slechts enkele variabelen getest (“variabele picking”), zonder rekening te
houden met de interne structuur van de theorie
GEVOLG: blijft onduidelijk welke theorie superieur is
3. Theoretische kaders worden zelden gefalsifieerd, waardoor de meeste theorieën blijven
bestaan, ongeacht hun empirische onderbouwing
6. Waarom theoretische kaders een slechte theoretische basis
zijn