Internationaal en Europees recht 2
Week D1
hoorcollege internationaal recht
De 2 definities van het internationaal recht:
1. Internationaal publiekrecht of volkenrecht: de betrekkingen tussen staten en
internationale organisaties, waarbij het gaat om gebieden als de mensenrechten, het
verdragsrecht, het zeerecht, het internationaal strafrecht en het internationaal
humanitair recht.
2. Internationaal privaatrecht of conflictenrecht: een samenstel van procesrechtregels
die bepalen welk rechtsstelsel en welk recht op een gegeven juridisch geschil van
toepassing zijn (bij een grensoverschrijdend element)
Rechtsbronnen internationaal publiek recht:
Verdragen algemene rechtsbeginselen
Internationaal gewoonterecht rechterlijke beslissingen, doctrines, eenzijdige
handelingen en verklaringen en bindende besluiten van internationale organisaties.
Rechtssubjecten:
1. Staten
2. Internationale organisaties (zoals de Europese unie)
3. Natuurlijke personen
4. Volken
5. Internationale ondernemingen
6. De-factor regeringen
7. Bevrijdingsbewegingen
8. Non-gouvernementele organisaties (NGO’s)
Wanneer word je erkend als staat?
3 voorwaarden
1. Er is sprake van een grondgebied
2. Er moet een bevolking zijn
3. Er is een regering/bestuur met het hoogste gezag
(erkenning) hoeft niet altijd het geval te zijn, geen constituerend element
Internationale organisaties:
De VN
De raad van Europa (46 landen)
Alleen een politieke samenwerking
De Europese unie (27 lidstaten)
Een politieke en een juridische samenwerking
, Week D2
hoorcollege Europeesrecht
Verdrag van Lissabon:
Geen grondwet, maar herziening en integratie van bestaande verdragen (art. 1
VWEU)
VEU: beginselen structuur van de EU
VWEU: interne markt bijvoorbeeld
Doelstellingen EU (art. 3 VEU):
1. Vrede en welzijn
2. Vrijheid en veiligheid
3. Interne markt
o Monetaire Unie (Euro, rol ECB en eurogroep)
o Externe mensenrechtenbeleid (art. 2 VEU)
Interne markt: werd in 1993 gelanceerd en garandeert het vrije verkeer van goederen,
dienstverlening, vermogen en mensen.
Onderdelen interne markt:
Vrij verkeer (fundamentele vrijheden EU)
Mededing recht (consumentenrecht en ondernemingen kartel – macht)
Staatssteun (overheid – ondernemingen)
Aanbestedingsrecht
Het EU-bestuur (samenwerkende organen)
1. Wetgevende macht: commissie Raad en Europees parlement
2. Uitvoerende macht: commissie en lidstaten
3. Rechterlijke macht: Hof van Justitie en nationale rechters
Doorwerking EU recht:
Overdracht soevereiniteit van de LS aan de EU = supranationale organisatie
1) Van Gend & Loos en 2) Costa/ENEL directe werking verdrag?
o Europeesrecht heeft altijd voorrang boven alle vormen van nationaal recht
Rechtsbronnen Europees recht:
Primair recht: verdragsbepalingen
Secundair recht:
1. Verordening rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten
2. Richtlijn moet worden omgezet in nationaal recht) =
3. Besluit individuele besluiten gericht tot 1 iemand of een bedrijf
4. Aanbevelingen en adviezen (soft law)
Europese rechtsbescherming:
Week D1
hoorcollege internationaal recht
De 2 definities van het internationaal recht:
1. Internationaal publiekrecht of volkenrecht: de betrekkingen tussen staten en
internationale organisaties, waarbij het gaat om gebieden als de mensenrechten, het
verdragsrecht, het zeerecht, het internationaal strafrecht en het internationaal
humanitair recht.
2. Internationaal privaatrecht of conflictenrecht: een samenstel van procesrechtregels
die bepalen welk rechtsstelsel en welk recht op een gegeven juridisch geschil van
toepassing zijn (bij een grensoverschrijdend element)
Rechtsbronnen internationaal publiek recht:
Verdragen algemene rechtsbeginselen
Internationaal gewoonterecht rechterlijke beslissingen, doctrines, eenzijdige
handelingen en verklaringen en bindende besluiten van internationale organisaties.
Rechtssubjecten:
1. Staten
2. Internationale organisaties (zoals de Europese unie)
3. Natuurlijke personen
4. Volken
5. Internationale ondernemingen
6. De-factor regeringen
7. Bevrijdingsbewegingen
8. Non-gouvernementele organisaties (NGO’s)
Wanneer word je erkend als staat?
3 voorwaarden
1. Er is sprake van een grondgebied
2. Er moet een bevolking zijn
3. Er is een regering/bestuur met het hoogste gezag
(erkenning) hoeft niet altijd het geval te zijn, geen constituerend element
Internationale organisaties:
De VN
De raad van Europa (46 landen)
Alleen een politieke samenwerking
De Europese unie (27 lidstaten)
Een politieke en een juridische samenwerking
, Week D2
hoorcollege Europeesrecht
Verdrag van Lissabon:
Geen grondwet, maar herziening en integratie van bestaande verdragen (art. 1
VWEU)
VEU: beginselen structuur van de EU
VWEU: interne markt bijvoorbeeld
Doelstellingen EU (art. 3 VEU):
1. Vrede en welzijn
2. Vrijheid en veiligheid
3. Interne markt
o Monetaire Unie (Euro, rol ECB en eurogroep)
o Externe mensenrechtenbeleid (art. 2 VEU)
Interne markt: werd in 1993 gelanceerd en garandeert het vrije verkeer van goederen,
dienstverlening, vermogen en mensen.
Onderdelen interne markt:
Vrij verkeer (fundamentele vrijheden EU)
Mededing recht (consumentenrecht en ondernemingen kartel – macht)
Staatssteun (overheid – ondernemingen)
Aanbestedingsrecht
Het EU-bestuur (samenwerkende organen)
1. Wetgevende macht: commissie Raad en Europees parlement
2. Uitvoerende macht: commissie en lidstaten
3. Rechterlijke macht: Hof van Justitie en nationale rechters
Doorwerking EU recht:
Overdracht soevereiniteit van de LS aan de EU = supranationale organisatie
1) Van Gend & Loos en 2) Costa/ENEL directe werking verdrag?
o Europeesrecht heeft altijd voorrang boven alle vormen van nationaal recht
Rechtsbronnen Europees recht:
Primair recht: verdragsbepalingen
Secundair recht:
1. Verordening rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten
2. Richtlijn moet worden omgezet in nationaal recht) =
3. Besluit individuele besluiten gericht tot 1 iemand of een bedrijf
4. Aanbevelingen en adviezen (soft law)
Europese rechtsbescherming: