DEEL 4: DE PRODUCENT ECONOMIE
Winstmaximalisatie <> nutsmaximalisatie bij consument
Maatschappelijk nut: creëert tewerkstelling (=inkomen gezin) + biedt G&D aan ter
invulling v behoeften gezinnen
H10: Basisbegrippen productie
10.1 Productie en productiefactoren
Productie = de activiteit waarin PF en intermediaire goederen w ingezet om via een
transformatieproces andere economische goederen voort te brengen
Intermediaire goederen = halfafgewerkte producten, hulpstoffen, advies … die een
verdere verwerking vergen
Economische goederen = materiële zaken of immateriële prestaties die ontstaan uit
de inzet van PF
Productiefactoren (PF) = de schaarse middelen die producenten inzetten om tot
productie te komen
o Arbeid (L): arbeidsprestaties v intellectuele & fysieke aard
o Kapitaal (K): voorraad kapitaalgoederen die w ingezet bv machines, gebouwen
= afgeleide productiefactor, want kapitaal w ingezet om G&D te produceren
die slechts op hun beurt invulling knn geven aan behoeften!
o Natuur (N): natuurlijke rijkdommen
Probleem bij PF: meetbaarheid + aggregeerbaarheid?
10.2 Het productieproces
+ deel vd investeringen
Investeringen = verhogingen vd hoeveelheid
reële kapitaalgoederen (machines, aanleggen
fabriekshal…)
, DEEL 4: DE PRODUCENT ECONOMIE
10.3 De productiefunctie
Productiefunctie = weergave vd technische relatie tss de hoeveelheid PF (inputs) en
de maximale output (de hoeveelheid econ goederen) die met de inzet vd PF kan
gerealiseerd w
Output w bepaald door kwantiteit (en kwaliteit) vd inputs
Met veronderstellingen/aannames:
Keuze welk goed is reeds gemaakt DUS bestuderen vd manier waarop 1 goed w
geproduceerd
Kostenminimalisatie geen verspilling v inpits
o In theorie geen verspilling <> in praktijk: bv 1e lading koekjes nog niet goed
Enkel arbeid & kapitaal als PF
Vaste prijzen vr PF
Wiskundig: Q = f(L, K)
Q = output in aantallen (gewicht, volume)
L = hoeveelheid ingezette eenheden arbeid (uren, dagen, aantal weken)
K = hoeveelheid ingezette hoeveelheid kapitaal (# machines, # uren machinegebruik)
! KT = niet alle PF zijn aanpasbaar (L = variabel/ K= vast)
Bv dubbel zoveel koekjes maken meer ovens (K) nodig maar gaat niet op kort termijn
<>
! LT = alle PF zijn aanpasbaar (L & K = variabel)
KT & LT hangt af v organisatie tot organisatie!
De productiefunctie op KT
Winstmaximalisatie <> nutsmaximalisatie bij consument
Maatschappelijk nut: creëert tewerkstelling (=inkomen gezin) + biedt G&D aan ter
invulling v behoeften gezinnen
H10: Basisbegrippen productie
10.1 Productie en productiefactoren
Productie = de activiteit waarin PF en intermediaire goederen w ingezet om via een
transformatieproces andere economische goederen voort te brengen
Intermediaire goederen = halfafgewerkte producten, hulpstoffen, advies … die een
verdere verwerking vergen
Economische goederen = materiële zaken of immateriële prestaties die ontstaan uit
de inzet van PF
Productiefactoren (PF) = de schaarse middelen die producenten inzetten om tot
productie te komen
o Arbeid (L): arbeidsprestaties v intellectuele & fysieke aard
o Kapitaal (K): voorraad kapitaalgoederen die w ingezet bv machines, gebouwen
= afgeleide productiefactor, want kapitaal w ingezet om G&D te produceren
die slechts op hun beurt invulling knn geven aan behoeften!
o Natuur (N): natuurlijke rijkdommen
Probleem bij PF: meetbaarheid + aggregeerbaarheid?
10.2 Het productieproces
+ deel vd investeringen
Investeringen = verhogingen vd hoeveelheid
reële kapitaalgoederen (machines, aanleggen
fabriekshal…)
, DEEL 4: DE PRODUCENT ECONOMIE
10.3 De productiefunctie
Productiefunctie = weergave vd technische relatie tss de hoeveelheid PF (inputs) en
de maximale output (de hoeveelheid econ goederen) die met de inzet vd PF kan
gerealiseerd w
Output w bepaald door kwantiteit (en kwaliteit) vd inputs
Met veronderstellingen/aannames:
Keuze welk goed is reeds gemaakt DUS bestuderen vd manier waarop 1 goed w
geproduceerd
Kostenminimalisatie geen verspilling v inpits
o In theorie geen verspilling <> in praktijk: bv 1e lading koekjes nog niet goed
Enkel arbeid & kapitaal als PF
Vaste prijzen vr PF
Wiskundig: Q = f(L, K)
Q = output in aantallen (gewicht, volume)
L = hoeveelheid ingezette eenheden arbeid (uren, dagen, aantal weken)
K = hoeveelheid ingezette hoeveelheid kapitaal (# machines, # uren machinegebruik)
! KT = niet alle PF zijn aanpasbaar (L = variabel/ K= vast)
Bv dubbel zoveel koekjes maken meer ovens (K) nodig maar gaat niet op kort termijn
<>
! LT = alle PF zijn aanpasbaar (L & K = variabel)
KT & LT hangt af v organisatie tot organisatie!
De productiefunctie op KT