Doelstellingen
De student kent en begrijpt…
1. De drie kenmerken van de wetenschappelijke benadering
● Systematisch empirisme -> waarnemingen doen om conclusies te trekken over
verschijnselen. Ze moeten systematisch zijn, zodat ze daadwerkelijk iets zeggen
over de echte wereld.
● Publieke verificatie -> onderzoek moet zo worden uitgevoerd dat de bevindingen
kunnen worden waargenomen, gerepliceerd en geverifieerd door anderen. Dit bewijst
dat de bevindingen ‘echt’ zijn en maakt de wetenschap zelfcorrigerend.
● Oplosbare problemen -> het moet gaan over dingen die we ook echt kunnen zien,
horen, etc.
2. De doelen van wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappers doen 2 dingen:
1. Ontdekken en beschrijven van verschijnselen, patronen en relaties hiertussen
2. Verklaringen en theorieën opstellen, toetsen en evalueren
Ook een doel: beschrijven, voorspellen en verklaren van variabiliteit (= verschillen in
gedrag en mentale processen tussen mensen)
3. De vier categorieën van psychologisch onderzoek en hun kenmerken
★ Descriptief -> beschrijvend, inventariserend, hoe vaak komt iets voor? Dit vormt het
fundament voor al het andere onderzoek.
★ Correlationeel -> kijken naar relaties en samenhang tussen verschijnselen. Dit is
geen causaliteit, het is geen oorzaak-gevolg.
★ Experimenteel -> dit gaat wel om causale relaties. Hierbij hoort ook manipulatie,
random toewijzen en experimentele controle. Bij een experiment wordt 1
(onafhankelijke) variabele gemanipuleerd om te kijken of dit effect heeft op een
andere (afhankelijke) variabele.
★ Quasi-experimenteel -> dit is bijna hetzelfde als experimenteel, maar dan zonder
random toewijzing en minder strenge controle. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer
controle en random toewijzing niet mogelijk is.
4. De vijf fasen van de empirische cyclus (de Groot, 1961)
● Observatie: het idee van de onderzoeksvraag ontstaat door een specifieke
observatie.
● Inductie: het idee wordt uitgewerkt tot algemene theorie / hypothese. Hierbij is een
theorie een verzameling uitspraken (propositions) die de relatie beschrijven tussen
een aantal begrippen (concepts)
● Deductie: de algemene theorie / hypothese wordt uitgewerkt tot een algemene
toetsbare werkhypothese (onderzoeksvraag). Deductie = logica, de voorspelling volgt
logisch uit de theorie.
○ Onderzoeker: “als theorie waar is, wat verwachten we dan te zien?” Hierbij
hoort de voorspelling: “if …, then …”
● Toetsingsfase -> hier wordt de werkhypothese getest door onderzoek uit te voeren
(data verzamelen, analyseren, conclusies trekken).
, ● Evaluatiefase -> wat zegt het resultaat over de algemene theorie / hypothese? Hier
bepaal je of de theorie bevestigd kan worden of verworpen moet worden. Op basis
hiervan wordt de theorie aangepast, uitgebreid, etc.
5. Het verschil tussen een algemene hypothese en een werkhypothese
Een algemene hypothese geeft vooral een denkrichting weer, zoals ‘leerlingen die meer
gemotiveerd zijn, halen hogere cijfers’. Een werkhypothese is duidelijk toetsbaar en
meetbaar, zoals: ‘leerlingen met een motivatie-score van 4 of hoger (op een schaal van 1–5)
halen gemiddeld hogere cijfers dan leerlingen met een score lager dan 4’.
6. Het verschil tussen een conceptuele en een operationele definitie
➔ Conceptuele definitie: wat wordt er (abstract) met een begrip bedoeld?
➔ Operationele definitie: hoe wordt dat begrip waargenomen, gemeten, of
gemanipuleerd (concreet)?
7. Het verschil tussen bewijzen en ondersteunen van een theorie met behulp van onderzoek
Methodological pluralism -> gevarieerdheid in methoden, dus meerdere methoden
gebruiken
Strategy of strong interference -> 2 theorieën die het tegenovergestelde beweren tegen
elkaar testen
- Positief bewijs (waar) = logisch onmogelijk. Theorieën kunnen niet worden bewezen,
want empirisch bewijs voor een hypothese wil nog niet zeggen dat de volledige
theorie waaruit de hypothese voortkwam correct is.
- Negatief bewijs (niet waar) = praktisch onmogelijk. Het niet vinden van bewijs kan
ook komen door dingen als meetfouten of andere fouten, het hoeft niet te bewijzen
dat de theorie fout is.
Null findings -> resultaten die aantonen dat bepaalde variabelen niet gerelateerd zijn aan
bijvoorbeeld gedrag
File drawer problem -> het feit dat veel onderzoeken met null findings niet worden
gepubliceerd. Waarom maakt dit uit? Onderzoekers weten dan niet dat een concept al is
onderzocht, het kost dus onnodige tijd.
8. Het begrip variabiliteit met betrekking tot gedrag en mentale processen
Variabiliteit = verschillen in gedrag en mentale processen tussen mensen
9. Het begrip variantie als maat voor variabiliteit
Variantie is de maat van spreiding rond het gemiddelde. Het bekijkt de scores ten opzichte
van een standaard (het gemiddelde)
Extra:
Bauer (1992): the scientific filter. Afbeelding met per stap binnen een artikel publiceren hoe
bepaalde zaken worden gefilterd.
Verschillende typen onderzoek:
- Basic -> het doel is het vergroten van kennis, dus wordt gedaan om concepten beter
te begrijpen.
, - Applied -> oplossingen voor bepaalde problemen
- Evaluation -> het meten van de effecten van bepaalde gedragsprogramma’s
(bijvoorbeeld).
Range -> het verschil tussen de hoogste en de laagste score. Een nadeel is dat je hier niet
kijkt naar de scores die er tussenin zitten en hoe die t.o.v. elkaar variëren.