Welke strategie/gesprekstechniek past de leerkracht toe om tot een taal- en denkstimulerend
gesprek te komen? Geef bij elk voorbeeld 1 antwoord (ook al zijn er meerdere antwoorden
mogelijk).
1 De leerkracht begeleidt een groepje kleuters. Ze maken
samen een robot.
Leerkracht: “Hoe zouden we de armen eraan kunnen
hangen?”
2 Leerkracht: “Als mijn schoenen helemaal nat zijn, dan steek ik
er proppen krantenpapier in. Dan wordt het papier nat, maar
drogen mijn schoenen beter.”
3 Nienke zegt: “Ik heb een nieuw bed met lange stukken. Papa
heeft het gemaakt met de machine.”
Leerkracht: “Bedoel je dat je bed eerst nog in stukken was en
dat je papa het ineengezet heeft? Had hij daarvoor een
boormachine nodig of een machine om er schroeven in te
draaien?”.
4 De leerkracht vertelt een verhaal over Anna, die haar knuffel
kwijt is. Ze stelt allerlei vragen over het verhaal: “Wat was het
probleem van Anna? Wie heeft dat ook al eens meegemaakt?
Wat heb je dan gedaan? Wie heeft jou geholpen? Stel dat je je
knuffel echt niet kunt vinden, wat zou je dan kunnen doen?”
5 De leerkracht voert een ervaringsgesprek over huisdieren.
Tobias woont op een boerderij. Hij vertelt eerst over zijn
hond, maar dan begint hij over de koeien. Hij wijkt af. De
leerkracht laat Tobias vertellen en toont interesse. Daarna
staat ze even stil bij de term huisdieren. Wat is nu een
huisdier? Zijn de koeien van Tobias huisdieren? Wanneer
noemen we een dier een huisdier?
6 Leerkracht: “Ik schrijf eerst met een balpen je naam op de
achterkant van het blad. Zo weet ik straks nog dat het jouw
tekening is.”
7 Routine fruit eten:
Jules: “Kijk, juf. Ik heb aardbeien mee.”
Juf: “Lekker, zeg! Het zijn echt wel grote. De blaadjes zitten er
nog aan. Hoe noemen we die groene blaadjes aan een
aardbei?”
Jules: “Ik weet het niet.”
Juf: “Wie weet dat?”
8 Camiel wil een smartgame spelen. Alice heeft het spel net
gespeeld. De leerkracht vraagt aan Alice om het spel uit te
leggen aan Camiel.
gesprek te komen? Geef bij elk voorbeeld 1 antwoord (ook al zijn er meerdere antwoorden
mogelijk).
1 De leerkracht begeleidt een groepje kleuters. Ze maken
samen een robot.
Leerkracht: “Hoe zouden we de armen eraan kunnen
hangen?”
2 Leerkracht: “Als mijn schoenen helemaal nat zijn, dan steek ik
er proppen krantenpapier in. Dan wordt het papier nat, maar
drogen mijn schoenen beter.”
3 Nienke zegt: “Ik heb een nieuw bed met lange stukken. Papa
heeft het gemaakt met de machine.”
Leerkracht: “Bedoel je dat je bed eerst nog in stukken was en
dat je papa het ineengezet heeft? Had hij daarvoor een
boormachine nodig of een machine om er schroeven in te
draaien?”.
4 De leerkracht vertelt een verhaal over Anna, die haar knuffel
kwijt is. Ze stelt allerlei vragen over het verhaal: “Wat was het
probleem van Anna? Wie heeft dat ook al eens meegemaakt?
Wat heb je dan gedaan? Wie heeft jou geholpen? Stel dat je je
knuffel echt niet kunt vinden, wat zou je dan kunnen doen?”
5 De leerkracht voert een ervaringsgesprek over huisdieren.
Tobias woont op een boerderij. Hij vertelt eerst over zijn
hond, maar dan begint hij over de koeien. Hij wijkt af. De
leerkracht laat Tobias vertellen en toont interesse. Daarna
staat ze even stil bij de term huisdieren. Wat is nu een
huisdier? Zijn de koeien van Tobias huisdieren? Wanneer
noemen we een dier een huisdier?
6 Leerkracht: “Ik schrijf eerst met een balpen je naam op de
achterkant van het blad. Zo weet ik straks nog dat het jouw
tekening is.”
7 Routine fruit eten:
Jules: “Kijk, juf. Ik heb aardbeien mee.”
Juf: “Lekker, zeg! Het zijn echt wel grote. De blaadjes zitten er
nog aan. Hoe noemen we die groene blaadjes aan een
aardbei?”
Jules: “Ik weet het niet.”
Juf: “Wie weet dat?”
8 Camiel wil een smartgame spelen. Alice heeft het spel net
gespeeld. De leerkracht vraagt aan Alice om het spel uit te
leggen aan Camiel.