100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting KORT toelatingtoets Natuur & techniek

Rating
-
Sold
-
Pages
22
Uploaded on
08-10-2025
Written in
2023/2024

Door deze verkorte samenvatting, heb ik mijzelf maar ook klasgenoten geholpen de toelatingstoets te behalen

Institution
Course










Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Course

Document information

Uploaded on
October 8, 2025
Number of pages
22
Written in
2023/2024
Type
Summary

Subjects

Content preview

Hoofdstuk 1, Planten
De indeling van het plantenrijk: 1; wieren (algen) en sporenplanten 2; mossen 3;
Paardenstaarten en vaatplanten 4; Varens 5; Zaadplanten→ coniferen (naaktzadigen) en
bloemplanten (bedektzadigen). Er zijn ook meercellige wieren, die draden vormen of zelfs
bladachtige vormen hebben. Bekende zeewieren zijn het bruine blaaswier en de groene
zeesla, figuur 1.1.2a. De zogenoemde flap is een verzamelnaam voor allerlei draadvormige
wiren die in vooral overbemeste sloten komen. Op vochtige boomstammen zijn eencellige
boomalgen en leven op vochtige plekken. De noordwestelijke zijde van een boom is de
ideale plek omdat het noord het meest schaduwrijk is→ niet snel uitdrogen, en westelijke
kant omdat bij regen het tegen het westen van de boom komen. Er zijn ook korstmossen,
korstvormige, bladvormige en struikvormige met grijs groene kleur en behoort tot een
samenlevingsvorm bij de alg en schimmels. Een alg en schimmel hebben beide voordeel
van deze samenlevingsvorm→ symbiose. Een schimmel houdt vocht en mineralen vast,
afkomstige uit de lucht en regen, en beschermt zo de alg tegen uitdroging. Mossen zijn
landplanten, en hebben geen transportsysteem van vaatbundels waarmee ze water uit de
bodem naar boven kunnen transporteren. Mossen hebben geen echte wortels maar een
soort haartjes, waarmee ze aan de bodem vasthechten. Mos neemt water meteen op met
daarin de opgeloste voedingsstoffen op via dunne eenvoudige blaadjes. Bij de voortplanting
produceren mosplanten zogenoemde sporendragers/sporenkapsels, figuur 1.1.3a en b. Een
sporendrager is een soort doosje met een steel, in het doosje worden de sporen gevormd.
Sporen zijn vele malen kleiner dan zaden, en bevatten geen embryonaal planten. Hun
stengels en bladeren bevatten vaatbundels waarmee water en voedingsstoffen door de plant
kunnen worden getransporteerd, en houtachtige materiaal dat zorgt voor stevigheid. Varens
groeien uit een wortelstok en hebben meestal grote veernervige bladeren. Aan de onderkant
van bladeren ontstaan op een gegeven moment de sporendragers, die eruitzien als kleine
bruine puntjes/streepjes. Varens, mossen en paardenstaarten planten door geslachtelijke
voortplanting d.m.v sporen, daarom horen ze bij sporenplanten. Zaadplanten hebben een
uitgebreid wortelstelsel en vaatbundels die water en voedingsstoffen door de platen kunnen
vervoeren. Door de vaatbundels zou je varens, paardenstaarten en zaadplanten in in
kunnen delen bij vaatplanten. Zaadplanten het best aangepast een aan droog landleven.
Zaadplanten zijn kenmerkend want voortplanten door zaden, en bevat een embryonaal
plantje met voedsel voor de kiemperiode. Tijdens die kiemperiode barst de zaadhuid open
en ontwikkelt het embryonaal plantje zich tot een kiemplantje met een wortel, stengels en
bladeren. De zaadplanten kun je indelen in twee subgroepen: de coniferen en bloemplanten.
Coniferen (naaktzadigen), betekent kegeldrager. Coniferen hebben geen bloemen en
vruchten; hun zaden ontwikkelen zich op houtige schubben van kegels. Struiken blijven
meestal in de winter groen. Naaldbomen produceren bijv. dennenappels. Coniferen zijn ook
wel naaktzadigen omdat de zaden zich niet in een vrucht ontwikkelen, zoals bij
bedektzadigen, maar ze liggen open en bloot op de schubben van de kegels. De zaden
hebben een extra vlies waardoor de wind ze kan verspreiden. Een kenmerk van veel
kruidachtige planten is dat hun stengels na elk groeiseizoen afsterven. Bloem Planten
hebben bloemen die een centrale rol spelen bij de voortplanting. Het vruchtbeginsel groeit
uit tot een vrucht met daarin het rijpe zaad. Daarom worden bloemplanten ook wel
bedektzadigen genoemd. De toppen van stengels en wortels zorgen voor groei in de lengte.
De stengels heeft gespecialiseerde cellen die ervoor zorgen dat een plantenstengels, als er
aan de groeivoorwaarden wordt gedaan kunnen planten sneller groeien. Belangrijke
kiemings- en groeifactoren voor een plant zijn licht, koolstofdioxide, zuurstof, water,
voedingszouten en warmte. De belangrijkste functie van bladeren is het aanmaken van

,voedsel door de eigen plant door fotosynthese. Met behulp van de energie uit het
geabsorbeerde zonlicht kunnen de bladgroenkorrels uit eenvoudige grondstoffen
(koolstofdioxide en water) energierijke suikers vormen, dit proces heet
assimilatie(aanmaak).Een plant gebruikt suikers als bouwstof voor de opbouw van zijn eigen
weefsel, voedingszouten die de wortels opnemen zijn ook belangrijke bouwstoffen. Suikers
dienen ook als brandstof, de verbranding van suikers is het omgekeerde van het
fotosyntheseproces. De suikers worden met zuurstof afgebroken (verbrand) tot
koolstofdioxide en water, waarbij de vastgelegde energie vrijkomt, dit heet dissimilatie
(afbraak). Via een fijn netwerk van hoofd- en zijnerven wordt het benodigde water
aangevoerd (figuur 1.2.2b). De inwendige bouw bevinden de cellen met de meeste
bladgroenkorrels aan de bovenkant van het blad, aan de onderkant zitten de meeste
huidmondjes, die zorgen voor de aan- en afvoer van koolstofdioxide en zuurstof. Via de
huidmondjes wordt de verdamping geregeld. Bladeren vormen vaak van bovenaf een soort
mozaïek. Een blad is vrij dun, en kan daardoor snel koolstofdioxide naar de bladgroenkorrels
laten gaan, maar de koolstofdioxide kan niet zomaar door de opperhuid. Een fijn vertakt
netwerk van hoofd- en zijnerven in het blad zorgt voor een constante wateraanvoer. Het
celplasma (cytoplasma) bevat water en eiwitten, verder ingezoomd zijn de organellen dat
zijn celonderdelen die een specifieke functie in de cel vervullen. Een celwand van een plant
kan verhouten, zo ontstaan houtvaten. In een vacuole zit water en opgeloste stoffen zoals
zouten, reservestoffen, kleurstoffen en afvalstoffen. Zetmeelkorrels worden gevormd als
glucose wordt omgezet in zetmeel. Poep en urine van dieren wordt afgebroken door
afbrekers, de plant kan deze afgebroken stoffen opnemen als water waar de opgeloste
zouten in zitten, in deze stoffen zitten; stikstof, fosfor, magnesium en kalium.De vaatbundels
zijn buisachtige cellen die met elkaar verbonden zijn, en bestaat uit twee soorten, de
bastvaten en houtvaten(figuur 1.2.4). De bastvaten liggen bij de buitenkant van de stengel
en vervoeren suikers vanuit de bladeren naar de rest van de plant. De houtvaten liggen
meer in het midden van de stengel en vervoeren water en zouten (mineralen) vanuit de
wortels omhoog. De celwanden van houtvaten zijn extra verstevigd met houtstof, anders
zouden ze het water niet goed kunnen opnemen, omdat de celwanden dan tegen elkaar
zouden ‘plakken’. De levende laag van bastvaten wordt elk jaar vernieuwd, maar de laag
houtvaten blijft bestaan, ook als de cellen zijn afgestorven. Dit komt doordat de celwanden
verstevigd zijn met taai houtstof en de oude cellen ook opgevuld met houtstof. Doordat een
boom een hoge en stevige stam heeft moet het wortelstelsel ook meegroeien, dat gaat niet
alleen in de diepte maar ook zijwaarts. De ringen worden gevormd door de lagen houtvaten
die elk jaar aangemaakt worden. In het voorjaar groeit de boom snel en heeft veel
sapstroom nodig, daardoor worden grote houtcellen aangemaakt, die een lichtere kleur
hebben, in de herfst is het andersom, dan zijn er kleinere houtcellen en zien er donkerder
uit. Loofbomen kunnen enkelvoudig (eik, wilg, of samengesteld (paardenkastanje, es). Een
samengesteld blad bestaat uit een bladsteel met meerdere blaadjes. Planten hebben een
mechanische, chemische of indirecte vorm van afweer. Door ongeslachtelijke voortplanting
kunnen planten zich vermeerderen en verspreiden zonder zaden, bepaalde delen kunnen
uitgroeien tot een nieuwe planten→ bollen, knollen of uitlopers. Bolgewassen(uiten, tulpen
enz.) slaan hun reservevoedsel op in gespecialiseerde bladeren onder de grond, de
bolrokken. Tussen de bolrokken bevinden zich de knoppen, die in het begin van het voorjaar
uitgroeit tot de eindknop uit de plant. De oude bolrokken vormen de beschermende bol
vliezen aan de buitenkant van de bol. De zijknoppen krijgen ook voedsel, waardoor zij zich
tot nieuwe bollen (klisters) ontwikkelen. Er zitten geen knoppen aan die kunnen uitgroeien
tot nieuwe stengels van wortels. Er komen vanzelf uitlopers uit de pitten. Een radijs of

, winterwortel kunnen ook reservevoedsel opslaan, in de wortelknollen, maar deze spelen
geen rol bij de ongeslachtelijke voortplanting. Bij uitlopers lopen de knoppen van
kruidachtige planten uit en vormen nieuwe scheuten. Als uitlopers onder de grond groeien
(aardappelen) het dat wortelstokken. Je kunt zelf een uitloper maken door een stuk stengel
naar de grond te buigen en met grond te bedekken, dat heet afleggen. Stekpoeder bevordert
wortelvorming. De stamper vormt de geslachtscellen in zaadbeginsels. Als de
geslachtscellen bevrucht zijn, groeien de zaadbeginsels uit de zaden van een plant.
Helmknoppen produceren stuifmeelkorrels. De kelkbladeren beschermen de bloem in de
knop. Als de kelkbladen dezelfde kleur hebben als de kroonbladeren heet dat een bloemdek.
Bij vergroeide kroon en kelkbladeren behoren tot lipbloemigen. Als de zaadbeginsels
bevrucht zijn en zaad gaan vormen, zie je dat elke lintbloem een zaadje vormt, met daarin
een pluizige ‘paraplu’, de zaden worden door de wind verspreid. Insecten zijn
geïnteresseerd in bloemen, voor het stuifmeel en de nectar. Nectar wordt aangegeven door
een patroon van vlekjes en streepjes op de kroonbladeren, de honingmerken. de de wind
bestoven bloemen zijn vaak klein, groen en niet opvallend.Veel bloemplanten laten
specifieke aanpassingen zien die de kans op zelfbestuiving verkleinen of voorkomen:
● De stamper(s) en meeldraden van dezelfde bloem zijn niet op hetzelfde moment rijp
● De stamper (s) en meeldraden bevinden zich op ongelijke hoogte, zodat het
stuifmeel en stamper niet zo gemakkelijk met elkaar in contact kunnen komen.
● Stuifmeel dat op de eigen stamper terechtkomt, leidt niet tot bevruchting
● Tweehuizigheid maakt zelfbestuiving mogelijk
Op de stempel groeit vanuit de stuifmeelkorrel een buisje dat door de stijl naar het
vruchtbeginsel groeit. Ten slotte dringt de stuifmeelbuis door in een van de zaadbeginsels.
Zo komt de mannelijke geslachtscel uit de stuifmeelkorrel bij de vrouwelijke geslachtscel in
het zaadbeginsel en kan er versmelting plaatsvinden.Het bevruchte zaadbeginsel gaat
groeien en wordt groter, uit het zaadbeginsel groei een zaad dat een embryonale plant
bevat. Het omhulsel van het zaadbeginsel wordt hard en stevig en vormt de zaadhuid, een
beschermende laag over het embryo. Het omringende vruchtbeginsel groeit mee en vormt
de vrucht, waarin de zaden zich bevinden. Het embryonale plantje bestaat uit een kleine
wortel, een stengel en een of twee bladeren, de zaadlobben of kiembladen, die meestal een
kleine voorraad reservevoedsel bevatten. Dit reservevoedsel heeft het plantje nodig om te
groeien, na de ontkieming. Na de bevruchting heet het vruchtbeginsel een vrucht. Soms
blijft de vrucht vrij klein, maar de bloembodem groeit uit tot een vlezige schijnvrucht →
aardbei. De pitjes zijn de vruchtjes. Bij de appel en peer groeit de bloembodem om het
vruchtbeginsel, het klokhuis vormt de vrucht, de pitten zijn de zaden, en het vruchtvlees is
de binnenkant van de appel dat we eten. Vruchten spelen een belangrijke rol bij
zaadverspreiding, de wijze van zaadverspreiding kun je zien in het uiterlijk van planten.
Sommige vruchten hebben weerhaakjes, waardoor ze makkelijk aan de vacht van een
zoogdier kleven. Zaadverspreiding door de plant→ Sommige schieten hun zaden weg, of
een eikel/walnoot kunnen door hun ronde vorm een stukje van de boom rollen. Veel planten
hebben een levenscyclus die bij verschillende seizoenen past. Voorjaarsbloeiers hebben
bollen/knollen waarin reservevoedsel is opgeslagen. Vooral de mannelijke katjes zijn
opvallend. De kruidachtige planten, waarvan de bovengrondse delen in de winter waren
afgestorven, vormen bovengrondse stengels en bladeren. Door de hogere temperatuur
worden insecten acties, die is noodzakelijk voor bloemen die door insecten bestoven
worden. In de herfst is de grond vaak bevroren, daardoor komt er geen water bij de wortels
aan, en daardoor kan de boom uitdrogen. Het vallen van de bladeren is een goede
voorbereiding voor de winter. Het kurklaagje blijf je zien op de tak van de boom, het
$9.19
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
sannevangaal

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
sannevangaal Fontys Hogeschool
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
1
Member since
3 months
Number of followers
0
Documents
3
Last sold
2 months ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions