Samenvatting Geschiedenis:
Hoofdstuk 1, Tijd van jagers en boeren: Prehistorie: >3000 v. Chr.
1.1 Jager-verzamelaars
De eerste mensen leefden als jager-verzamelaar en moesten zich aanpassen aan grote
veranderingen in het klimaat. Er waren meerdere mensensoorten, nu nog een de homo
sapiens. De eerste mensensoorten zijn in Afrika ontstaan, en vanuit daar verspreid.
1.1.1 Migraties uit Afrika
Ongeveer 4.4 miljoen jaar geleden eerste mensensoorten in Afrika. 1.7 miljoen jaar geleden
trokken de homo habilis(handige mens), vanuit Afrika naar Azië en Europa. Hieruit
ontwikkelden nieuwe mensensoorten, in Europa de neanderthalers, goed aangepast zeer
koud klimaat. De homo sapiens (verstandige mens) kwam ongeveer 40.000 jaar geleden
naar Europa. En kon zich sneller aanpassen aan veranderende omstandigheden, de andere
mensensoorten konden dat niet en stierven daardoor uit. Homo sapiens bleef over.
1.1.2 De nomadische samenleving van jager-verzamelaars
Jagers en verzamelen is de oudste vorm van bestaan, ze leven nomadisch omdat ze
rondtrekken op zoek naar voedsel. Een verschil met de nomaden nu is dat zij in een tropisch
klimaat wonen, en dus niet ver hoeven rond te trekken.
1.1.3 Rendierjagers
13.000 jaar geleden verdween de laatste ijstijd in Europa, en kwam een toendraklimaat met
in de zomer max. 10 graden. Rendierjagers hadden een nomadische leefwijze, en trokken
van plek naar plek om te jagen en voedsel te verzamelen. Ze verbleven in de zomer rond de
lage landen om trekkende kuddes rendieren te onderscheppen. Ze gebruikten vuursteen en
messen, de speren en pijlen hadden een vuurstenen punt. Ze woonden waarschijnlijk in
tenten van de rendierhuiden, figuur 1.1.
1.1.4 Jagers en vissers
Door temperatuurstijging werd het toendra een bosrijk gebied. De rendieren trokken naar het
noorden. Door hogere temperatuur kwamen visrijke meren, rivieren en beekjes. Ze hoefden
rond 7000 v. Chr. niet ver te trekken, en konden in een gebied blijven met voldoende eten. In
de lente vooral vissen en herfst noten en vruchten. Ze gebruikten boomstamkano’s met
peddel en visfuiken bij het vissen, figuur 1.2.
1.2 De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw
De eerste boeren leefden 10.000 jaar v. Chr in het Midden-Oosten.
1.2.1 De agrarische revolutie
In de vruchtbare Halvemaan, is een heuvelachtig gebied in Turkije, Irak, Libanon, Israël en
Syrië, er kwamen natuurlijke graanvelden, figuur 1.3. Hier ontstond 9000 v. Chr de eerste
agrarische samenlevingen, de overgang heet ook wel de Agrarische Revolutie. Het was een
langdurige ontwikkeling met grote gevolgen:
1. De boeren gingen de natuur naar hun hand zetten
2. De bevolking nam toe, omdat er meer voedsel beschikbaar was
3. Sommige mensen werden vrijgesteld van werken op het land en konden zich
specialiseren, er ontstonden nieuwe technieken
4. De samenleving werd gelaagd en complex. Er ontstond een hiërarchie met koningen,
priesters, soldaten, boeren en slaven.
Volwassen dieren zoals geiten en schapen werden in gevangenschap opgefokt, bij het
fokken werd op de tamheid gelet→ kuddes vee door herders gehouden. De boeren
ontwikkelde nieuwe technieken, zoals het spinnen en weven van wol, later ook gebruik
maken van metalen als koper, brons en nog wat later ijzer. Runderen, ezels en later paarden
werden gebruikt als lastdier om goederen te dragen, na uitvinding wiel als trekdier om een
,kar op ploeg te trekken. Het is niet helemaal duidelijk waarom mensen over gingen van
jager-verzamelaar naar boer. De ontwikkeling van de landbouw had ook negatieve gevolgen:
● Boeren moesten meer tijd besteden aan het verkrijgen van voedsel, dan
jager-verzamelaars
● De vroege vorm van landbouw leidden vaak tot erosie van bodem
● De afvalhopen bij de nederzettingen werden een bron van ziekten. Bovendien
werden ziekten die normaal alleen bij dieren voorkwamen, overgedragen op de
mens. Zoals het griepvirus, de pest, pokken en q-koorts.
1.2.2 De eerste boeren in West-Europa
De boeren van de Vruchtbare Halvemaan moesten het landbouwgebied door
bevolkingsgroei verder uitbreiden. Rond 5300 v. Chr. bereikten de eerste boeren Europa.
Deze boeren vesten zich op makkelijk te bewerken lössgrond, de bandkeramiekcultuur. In
Nederland alleen Zuid-Limburg. Er werden grote boerderijen gebouw (30 meter lang). De
trechterbekercultuur is een groep boeren die leefden tussen 3500 en 2700 v. Chr. Hun naam
komt door de trechtervormige potten, bekers en schalen die samen met sieraden en wapens
in een hunebed werden meegegeven aan de overledenen. De hunebedden werden
gebouwd van grote zwerfstenen die door de laatste ijstijd door gletsjers hier naartoe waren
geschoven. Zie figuur 1.4 voor bouw hunebedden.
1.2.3 Steen, brons en ijzer
De moeren en jager-verzamelaars maakten veel gebruik van stenen wapens en
gereedschappen, daarom ook wel steentijd. Vooral veel vuursteen, goed bewerkbaar en
randen afgeslagen stukken erg scherp→ messen, pijlpunten. Rond 4000 v. Chr werd
vuursteen door mijnen opgegraven. Ze maakten ondergrondse gangen om de knollen los te
hakken. Er werden metalen ontdekt en ging daar ook wapens van maken. Koper was
onbruikbaar omdat het zacht en buigzaam was. Door mengen koper en tin ontstond brons.
Rond 2100 v. Chr kwamen in Europa de eerste bronzen voorwerpen voor. Vanaf 700 v. Chr.
werd in Europa ook ijzer gebruikt→ voordeel meer ijzererts dan koper en tin. Voor smelten
ijzer hoge temperatuur nodig, hiervoor nieuwe technologische inzichten nodig.
1.3 Religieuze uitingen: grottekeningen, beeldjes en grafgiften
Er zijn geen schriftelijke bronnen, maar vaak stonden kunstwerken als teken voor religie. De
kunstuitingen zijn een belangrijk kenmerk van de homo sapiens: mogelijkheid om de
werkelijkheid te verbeelden. In Spanje en Frankrijk zijn grotten gevonden waar
jager-verzamelaars 40.000 jaar geleden grottekeningen hebben gemaakt, vaak tekeningen
van herten en paarden. Giften gevonden in hunebedden (trechterbekers, wapens) worden
ook gezien als religieus besef→ geloof hiernamaals
1.4 Bronnen van dit tijdvak
1.4.1 Prehistorie
De prehistorie is de tijd waarover GEEN geschreven bronnen bekend zijn. De prehistorie
eindigt dan ook als er schriftelijke bronnen van de samenleving zijn, dit verschilt per gebied.
In het midden-oosten eindigt de prehistorie 5000 jaar geleden, in west-europa eindigt de
prehistorie 2000 jaar geleden→ door kommst romeinen. In Nieuw-Guinea eindigde de
prehistorie ruim 80 jaar geleden, toen Europese onderzoekers schreven over de bewoners.
1.4.2 Archeologie
De kennis van de prehistorie is vooral gebaseerd op archeologische vondsten. Archeologen
kunnen met weinig gegevens veel te weten komen. Het licht wel aan de grondsoort hoe
goed iets bewaard is gebleven→ veen blijft organisch materiaal goed bewaard, meisje van
Yde.
,1.4.3 Culturele antropologie
Men gaat ervan uit dat het denken en handelen van nu niet veel verschilt van mensen in de
prehistorie. Kijk ook tijdlijn Tijdvak 1.
Hoofdstuk 2, Tijd van Grieken en Romeinen: Oudheid, 3000 v. Chr - 500 na Chr.
2.1 De eerste beschavingen: het ontstaan van stadstaten
2.1.1 Stadstaten in het Midden-Oosten : 3000-6000 v. Chr.
Stadstaten in het Midden-Oosten ontstonden in Mesopotamië (Irak, en langs de Nijl). De
landbouw was hier afhankelijk van irrigatie (tekort aan water), ze lieten rivierwater over het
land lopen via kanaaltjes. Er werd zoveel voedsel verbouwd, dat mensen vrijgesteld werden
van het werk op het land. De landbouwers dachten dat de goden hiervoor gunstig gestemd
waren, daardoor tempels met priesters. Het was belangrijk vruchtbare grond te verdedigen,
daarom soldaten gebruikten wapens gemaakt door ambachtslieden. Een geslaagde
verovering was niet alleen land weg, maar ook bevolking van land werd als slaaf gebruikt.
Dit moest door ambtenaren en bestuurders worden geleid, en hun door een koning. Om al
deze mensen te kunnen voeden, werden belastingen geheven op de verbouwde producten
en vee. Belastingambtenaren gingen administratie bijhouden→ aanleiding eerste schrift. Dat
bestond uit kleitabletten met een tekening van een geit, schaap, graan→ later spijkerschrift.
2.1.2 Griekse stadstaten : 800-300 v. Chr.
In Griekenland ontstonden vanaf 800 v. Chr. stadstaten zoals, Athene, Sparta en Thebe.
Later stichtten deze steden in de Middellandse Zee gebieden koloniën→ Griekenland weinig
vruchtbare grond. Door koloniën werd handel en scheepvaart naast landbouw ook
belangrijk. In Athene ontstond een democratische bestuursvorm, alle ‘vrije’ mannelijke
burgers hadden invloed op het bestuur. Andere geleerden mannen probeerde verklaringen
voor natuurverschijnselen vanuit hun godsdienst te vinden→ basisnatuurwetenschappen.
2.2 Het romeinse rijk
Rome groeide door veroveringen uit tot een groot Romeins rijk (270 v. Chr. - 476 na Chr.). Er
werden veel zaken overgenomen uit de Griekse cultuur, zoals religie, wetenschap en
bouwstijlen, Grieks-Romeinse cultuur. De rijn was in Nederlands een grensrivier.
2.2.1 Rome, het middelpunt van een rijk
Het centrum van het Romeinse Rijk was de stad Rome, deze bestond rond 750 v. Chr. uit
enkele nederzettingen. De bewoners van Rome veroverden het omringende gebied, rond
270 v. Chr. was heel Italië veroverd. Later trokken de Romeinen verder naar het
noordwesten van Europa. Rond 50 v. Chr. kwamen ze in de Lage Landen, de
legeraanvoerder was toen Julius Caesar. Zijn opvolger werd de eerste keizer van het
Romeinse Rijk: Caesar Augustus ( 27 v. Chr. - 14 na Chr.). Door Augustus begon een
periode van stabiliteit en welvaart in het rijk, die tot 250 na Chr. duurde: de Pax Romana
(Romeinse vrede). Het rijk had natuurlijke grenzen→ sahara, de rijn, donau, oceaan. Op
plek geen natuurlijke grenzen, bouwde de romeinen muren,gebied tussen rijn en donau.
2.2.2 De organisatie van het Romeinse Rijk
Romeinen waren goede veroveraars en organisatoren. In alle veroverde gebieden of
provincies golden dezelfde wetten en hielden rechtbanken toezicht op het naleven van de
wetgeving. Het leger zorgde voor rust en veiligheid, waardoor handel kon worden gedreven.
Binnen het rijk waren wegen, daardoor legen snel verplaatsen. Langs de wegen stonden
mijlpalen, soort wegwijzers. Iedereen sprak Latijn, hetzelfde Romeinse schrift bevorderde de
communicatie en in het hele rijk werd de Romeinse muntstelsel gebruikt. Mensen namen
veel gewoontes van de Romeinen over, dat heet romanisering. Er werd ook gebruik gemaakt
, van slaven voor het verrichten van arbeid→ kwart van bevolking. Slave dede zware arbeid,
werk in zoutmijnen, of als huisslaven en het opvoeden en onderwijzen van kinderen.
Er werd op grote schaal handel gedreven, er ontstonden veel nieuwe steden, en werden
volgens een plan ontworpen. De stad werd in een schaakbordpatroon aangelegd met rechte
straten en woonblokken, de hoofdstraten kruisten elkaar op het forum (marktplein) met een
of meer tempels en een basilica (gemeenschapsruimte). Om een stad werd een stadsmuur
met torens, poorten en een verdedigingsgracht gebouw. De beeldhouwwerken op de bogen
toonden de hoogtepunten van de veroveringen. Buiten de stad werden vaak thermen
(badhuis), een theater of amfitheater (arena) gebouwd, en werden gladiatorengevechten
gehouden. De stad Rome had in 100 na Chr. een miljoen inwoners. Bij het bouwen van
grote bouwwerken, zoals aquaducten voor de waterleiding of het grote amfitheater in Rome
(Colosseum), gebruikten de Romeinen boogconstructies om stevigheid aan het bouwwerk te
geven en tegelijkertijd materiaal te sparen.
2.2.3 De ondergang van het West-Romeinse Rijk
Het rijk had regelmatig problemen met de opvolging van keizers, ze overleden vaak door
gewelddadig niet door ouderdom of ziekte. Er brak geregeld een strijd om de opvolging uit.
Regelmatig zagen verschillende legeraanvoerders zichzelf als goede kandidaat. De
belangrijkste oorzaak van de ondergang kwam van buiten het Romeinse Rijk. Vanaf 250 na
Chr. kwamen de grenzen onder druk te staan van de grote Volksverhuizing. Het nomadische
volk de Hunnen trokken vanuit Midden-Azië in westelijke richting en zette hiermee de Grote
Volksverhuizing op gang. De Hunnen verdreven andere volkeren naar het westen, en
kwamen zo op den duur tegen de grenzen van het Romeinse Rijk. De Romeinen lieten
verschillende volken toe in het rijk, zoals de Franken, zij moesten meehelpen bij de
verdediging van de grenzen tegen andere volken. Een bijkomend probleem was de
economie in een crisis raakte door belastingverhogingen die nodig waren om het leger te
versterken. In 395 na Chr. werd het Romeinse Rijk opgedeeld in twee delen: een West
Romeins rijk met Rome als hoofdstad, een Oost-Romeins rijk met constantinopel als
hoofdstad. Ieder deel had een eigen keizer. In 402 na Chr. trok het West-Romeinse leger
zich terug van de grenzen van het rijk, om Rome te beschermen. Germaanse volken trokken
het rijk binnen. In 476 werd de laatste West-Romeinse keizer afgezet en hield het
West-Romeinse rijk op met bestaan. Het Oost-Romeinse Rijk eindigde in 1453, toen
Constantinopel door het Osmaanse of Turkse Tijd werd veroverd. De Turken gaven de stad
een nieuwe naam: Istanbul.
2.2.4 Aan de rand van het Romeinse Rijk ( 50 v. Chr. - 400 na Chr.)
Rond 50 v. Chr. kwamen de eerste Romeinse soldaten van Julius Caesar in ons gebied.
Rond 12 v. Chr. hadden de Romeinen het gebied langs de grote rivieren in handen. De
Romeinse agrarisch stedelijke samenleving verschilde sterk van de Germaanse agrarische
samenleving, die geen steden kende. De Romeinen bleven hier ongeveer vierhonderd jaar,
maar omdat het om een grensgebied ging, was hun invloed minder groot dan bijv. in Spanje.
Na het verdwijnen van het Romeinse bestuur verdwenen ook de wegen en bruggen, omdat
ze niet werden onderhouden, de stedelijke nederzettingen verdwenen, omdat er geen
handel meer gedreven wordt. In Nederland zijn er weinig archeologische dingen bewaard,
omdat de rivieren met hun sterk wisselende loop veel sporen hebben uitgewist.
Bewaking van de grens:
De Rijn was lang een grens van het Romeinse rijk. In de Romeinse tijd was de hoofdstroom
de huidige Oude Rijn (katwijk in zee), om de grens (limes) te bewaken werden op
regelmatige afstand van elkaar wachttorens en forten langs de rivier gebouwd. Deze werden
met elkaar verbonden door een weg, zodat het verplaatsen snel te voet ging, figuur 2.4.
Hoofdstuk 1, Tijd van jagers en boeren: Prehistorie: >3000 v. Chr.
1.1 Jager-verzamelaars
De eerste mensen leefden als jager-verzamelaar en moesten zich aanpassen aan grote
veranderingen in het klimaat. Er waren meerdere mensensoorten, nu nog een de homo
sapiens. De eerste mensensoorten zijn in Afrika ontstaan, en vanuit daar verspreid.
1.1.1 Migraties uit Afrika
Ongeveer 4.4 miljoen jaar geleden eerste mensensoorten in Afrika. 1.7 miljoen jaar geleden
trokken de homo habilis(handige mens), vanuit Afrika naar Azië en Europa. Hieruit
ontwikkelden nieuwe mensensoorten, in Europa de neanderthalers, goed aangepast zeer
koud klimaat. De homo sapiens (verstandige mens) kwam ongeveer 40.000 jaar geleden
naar Europa. En kon zich sneller aanpassen aan veranderende omstandigheden, de andere
mensensoorten konden dat niet en stierven daardoor uit. Homo sapiens bleef over.
1.1.2 De nomadische samenleving van jager-verzamelaars
Jagers en verzamelen is de oudste vorm van bestaan, ze leven nomadisch omdat ze
rondtrekken op zoek naar voedsel. Een verschil met de nomaden nu is dat zij in een tropisch
klimaat wonen, en dus niet ver hoeven rond te trekken.
1.1.3 Rendierjagers
13.000 jaar geleden verdween de laatste ijstijd in Europa, en kwam een toendraklimaat met
in de zomer max. 10 graden. Rendierjagers hadden een nomadische leefwijze, en trokken
van plek naar plek om te jagen en voedsel te verzamelen. Ze verbleven in de zomer rond de
lage landen om trekkende kuddes rendieren te onderscheppen. Ze gebruikten vuursteen en
messen, de speren en pijlen hadden een vuurstenen punt. Ze woonden waarschijnlijk in
tenten van de rendierhuiden, figuur 1.1.
1.1.4 Jagers en vissers
Door temperatuurstijging werd het toendra een bosrijk gebied. De rendieren trokken naar het
noorden. Door hogere temperatuur kwamen visrijke meren, rivieren en beekjes. Ze hoefden
rond 7000 v. Chr. niet ver te trekken, en konden in een gebied blijven met voldoende eten. In
de lente vooral vissen en herfst noten en vruchten. Ze gebruikten boomstamkano’s met
peddel en visfuiken bij het vissen, figuur 1.2.
1.2 De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw
De eerste boeren leefden 10.000 jaar v. Chr in het Midden-Oosten.
1.2.1 De agrarische revolutie
In de vruchtbare Halvemaan, is een heuvelachtig gebied in Turkije, Irak, Libanon, Israël en
Syrië, er kwamen natuurlijke graanvelden, figuur 1.3. Hier ontstond 9000 v. Chr de eerste
agrarische samenlevingen, de overgang heet ook wel de Agrarische Revolutie. Het was een
langdurige ontwikkeling met grote gevolgen:
1. De boeren gingen de natuur naar hun hand zetten
2. De bevolking nam toe, omdat er meer voedsel beschikbaar was
3. Sommige mensen werden vrijgesteld van werken op het land en konden zich
specialiseren, er ontstonden nieuwe technieken
4. De samenleving werd gelaagd en complex. Er ontstond een hiërarchie met koningen,
priesters, soldaten, boeren en slaven.
Volwassen dieren zoals geiten en schapen werden in gevangenschap opgefokt, bij het
fokken werd op de tamheid gelet→ kuddes vee door herders gehouden. De boeren
ontwikkelde nieuwe technieken, zoals het spinnen en weven van wol, later ook gebruik
maken van metalen als koper, brons en nog wat later ijzer. Runderen, ezels en later paarden
werden gebruikt als lastdier om goederen te dragen, na uitvinding wiel als trekdier om een
,kar op ploeg te trekken. Het is niet helemaal duidelijk waarom mensen over gingen van
jager-verzamelaar naar boer. De ontwikkeling van de landbouw had ook negatieve gevolgen:
● Boeren moesten meer tijd besteden aan het verkrijgen van voedsel, dan
jager-verzamelaars
● De vroege vorm van landbouw leidden vaak tot erosie van bodem
● De afvalhopen bij de nederzettingen werden een bron van ziekten. Bovendien
werden ziekten die normaal alleen bij dieren voorkwamen, overgedragen op de
mens. Zoals het griepvirus, de pest, pokken en q-koorts.
1.2.2 De eerste boeren in West-Europa
De boeren van de Vruchtbare Halvemaan moesten het landbouwgebied door
bevolkingsgroei verder uitbreiden. Rond 5300 v. Chr. bereikten de eerste boeren Europa.
Deze boeren vesten zich op makkelijk te bewerken lössgrond, de bandkeramiekcultuur. In
Nederland alleen Zuid-Limburg. Er werden grote boerderijen gebouw (30 meter lang). De
trechterbekercultuur is een groep boeren die leefden tussen 3500 en 2700 v. Chr. Hun naam
komt door de trechtervormige potten, bekers en schalen die samen met sieraden en wapens
in een hunebed werden meegegeven aan de overledenen. De hunebedden werden
gebouwd van grote zwerfstenen die door de laatste ijstijd door gletsjers hier naartoe waren
geschoven. Zie figuur 1.4 voor bouw hunebedden.
1.2.3 Steen, brons en ijzer
De moeren en jager-verzamelaars maakten veel gebruik van stenen wapens en
gereedschappen, daarom ook wel steentijd. Vooral veel vuursteen, goed bewerkbaar en
randen afgeslagen stukken erg scherp→ messen, pijlpunten. Rond 4000 v. Chr werd
vuursteen door mijnen opgegraven. Ze maakten ondergrondse gangen om de knollen los te
hakken. Er werden metalen ontdekt en ging daar ook wapens van maken. Koper was
onbruikbaar omdat het zacht en buigzaam was. Door mengen koper en tin ontstond brons.
Rond 2100 v. Chr kwamen in Europa de eerste bronzen voorwerpen voor. Vanaf 700 v. Chr.
werd in Europa ook ijzer gebruikt→ voordeel meer ijzererts dan koper en tin. Voor smelten
ijzer hoge temperatuur nodig, hiervoor nieuwe technologische inzichten nodig.
1.3 Religieuze uitingen: grottekeningen, beeldjes en grafgiften
Er zijn geen schriftelijke bronnen, maar vaak stonden kunstwerken als teken voor religie. De
kunstuitingen zijn een belangrijk kenmerk van de homo sapiens: mogelijkheid om de
werkelijkheid te verbeelden. In Spanje en Frankrijk zijn grotten gevonden waar
jager-verzamelaars 40.000 jaar geleden grottekeningen hebben gemaakt, vaak tekeningen
van herten en paarden. Giften gevonden in hunebedden (trechterbekers, wapens) worden
ook gezien als religieus besef→ geloof hiernamaals
1.4 Bronnen van dit tijdvak
1.4.1 Prehistorie
De prehistorie is de tijd waarover GEEN geschreven bronnen bekend zijn. De prehistorie
eindigt dan ook als er schriftelijke bronnen van de samenleving zijn, dit verschilt per gebied.
In het midden-oosten eindigt de prehistorie 5000 jaar geleden, in west-europa eindigt de
prehistorie 2000 jaar geleden→ door kommst romeinen. In Nieuw-Guinea eindigde de
prehistorie ruim 80 jaar geleden, toen Europese onderzoekers schreven over de bewoners.
1.4.2 Archeologie
De kennis van de prehistorie is vooral gebaseerd op archeologische vondsten. Archeologen
kunnen met weinig gegevens veel te weten komen. Het licht wel aan de grondsoort hoe
goed iets bewaard is gebleven→ veen blijft organisch materiaal goed bewaard, meisje van
Yde.
,1.4.3 Culturele antropologie
Men gaat ervan uit dat het denken en handelen van nu niet veel verschilt van mensen in de
prehistorie. Kijk ook tijdlijn Tijdvak 1.
Hoofdstuk 2, Tijd van Grieken en Romeinen: Oudheid, 3000 v. Chr - 500 na Chr.
2.1 De eerste beschavingen: het ontstaan van stadstaten
2.1.1 Stadstaten in het Midden-Oosten : 3000-6000 v. Chr.
Stadstaten in het Midden-Oosten ontstonden in Mesopotamië (Irak, en langs de Nijl). De
landbouw was hier afhankelijk van irrigatie (tekort aan water), ze lieten rivierwater over het
land lopen via kanaaltjes. Er werd zoveel voedsel verbouwd, dat mensen vrijgesteld werden
van het werk op het land. De landbouwers dachten dat de goden hiervoor gunstig gestemd
waren, daardoor tempels met priesters. Het was belangrijk vruchtbare grond te verdedigen,
daarom soldaten gebruikten wapens gemaakt door ambachtslieden. Een geslaagde
verovering was niet alleen land weg, maar ook bevolking van land werd als slaaf gebruikt.
Dit moest door ambtenaren en bestuurders worden geleid, en hun door een koning. Om al
deze mensen te kunnen voeden, werden belastingen geheven op de verbouwde producten
en vee. Belastingambtenaren gingen administratie bijhouden→ aanleiding eerste schrift. Dat
bestond uit kleitabletten met een tekening van een geit, schaap, graan→ later spijkerschrift.
2.1.2 Griekse stadstaten : 800-300 v. Chr.
In Griekenland ontstonden vanaf 800 v. Chr. stadstaten zoals, Athene, Sparta en Thebe.
Later stichtten deze steden in de Middellandse Zee gebieden koloniën→ Griekenland weinig
vruchtbare grond. Door koloniën werd handel en scheepvaart naast landbouw ook
belangrijk. In Athene ontstond een democratische bestuursvorm, alle ‘vrije’ mannelijke
burgers hadden invloed op het bestuur. Andere geleerden mannen probeerde verklaringen
voor natuurverschijnselen vanuit hun godsdienst te vinden→ basisnatuurwetenschappen.
2.2 Het romeinse rijk
Rome groeide door veroveringen uit tot een groot Romeins rijk (270 v. Chr. - 476 na Chr.). Er
werden veel zaken overgenomen uit de Griekse cultuur, zoals religie, wetenschap en
bouwstijlen, Grieks-Romeinse cultuur. De rijn was in Nederlands een grensrivier.
2.2.1 Rome, het middelpunt van een rijk
Het centrum van het Romeinse Rijk was de stad Rome, deze bestond rond 750 v. Chr. uit
enkele nederzettingen. De bewoners van Rome veroverden het omringende gebied, rond
270 v. Chr. was heel Italië veroverd. Later trokken de Romeinen verder naar het
noordwesten van Europa. Rond 50 v. Chr. kwamen ze in de Lage Landen, de
legeraanvoerder was toen Julius Caesar. Zijn opvolger werd de eerste keizer van het
Romeinse Rijk: Caesar Augustus ( 27 v. Chr. - 14 na Chr.). Door Augustus begon een
periode van stabiliteit en welvaart in het rijk, die tot 250 na Chr. duurde: de Pax Romana
(Romeinse vrede). Het rijk had natuurlijke grenzen→ sahara, de rijn, donau, oceaan. Op
plek geen natuurlijke grenzen, bouwde de romeinen muren,gebied tussen rijn en donau.
2.2.2 De organisatie van het Romeinse Rijk
Romeinen waren goede veroveraars en organisatoren. In alle veroverde gebieden of
provincies golden dezelfde wetten en hielden rechtbanken toezicht op het naleven van de
wetgeving. Het leger zorgde voor rust en veiligheid, waardoor handel kon worden gedreven.
Binnen het rijk waren wegen, daardoor legen snel verplaatsen. Langs de wegen stonden
mijlpalen, soort wegwijzers. Iedereen sprak Latijn, hetzelfde Romeinse schrift bevorderde de
communicatie en in het hele rijk werd de Romeinse muntstelsel gebruikt. Mensen namen
veel gewoontes van de Romeinen over, dat heet romanisering. Er werd ook gebruik gemaakt
, van slaven voor het verrichten van arbeid→ kwart van bevolking. Slave dede zware arbeid,
werk in zoutmijnen, of als huisslaven en het opvoeden en onderwijzen van kinderen.
Er werd op grote schaal handel gedreven, er ontstonden veel nieuwe steden, en werden
volgens een plan ontworpen. De stad werd in een schaakbordpatroon aangelegd met rechte
straten en woonblokken, de hoofdstraten kruisten elkaar op het forum (marktplein) met een
of meer tempels en een basilica (gemeenschapsruimte). Om een stad werd een stadsmuur
met torens, poorten en een verdedigingsgracht gebouw. De beeldhouwwerken op de bogen
toonden de hoogtepunten van de veroveringen. Buiten de stad werden vaak thermen
(badhuis), een theater of amfitheater (arena) gebouwd, en werden gladiatorengevechten
gehouden. De stad Rome had in 100 na Chr. een miljoen inwoners. Bij het bouwen van
grote bouwwerken, zoals aquaducten voor de waterleiding of het grote amfitheater in Rome
(Colosseum), gebruikten de Romeinen boogconstructies om stevigheid aan het bouwwerk te
geven en tegelijkertijd materiaal te sparen.
2.2.3 De ondergang van het West-Romeinse Rijk
Het rijk had regelmatig problemen met de opvolging van keizers, ze overleden vaak door
gewelddadig niet door ouderdom of ziekte. Er brak geregeld een strijd om de opvolging uit.
Regelmatig zagen verschillende legeraanvoerders zichzelf als goede kandidaat. De
belangrijkste oorzaak van de ondergang kwam van buiten het Romeinse Rijk. Vanaf 250 na
Chr. kwamen de grenzen onder druk te staan van de grote Volksverhuizing. Het nomadische
volk de Hunnen trokken vanuit Midden-Azië in westelijke richting en zette hiermee de Grote
Volksverhuizing op gang. De Hunnen verdreven andere volkeren naar het westen, en
kwamen zo op den duur tegen de grenzen van het Romeinse Rijk. De Romeinen lieten
verschillende volken toe in het rijk, zoals de Franken, zij moesten meehelpen bij de
verdediging van de grenzen tegen andere volken. Een bijkomend probleem was de
economie in een crisis raakte door belastingverhogingen die nodig waren om het leger te
versterken. In 395 na Chr. werd het Romeinse Rijk opgedeeld in twee delen: een West
Romeins rijk met Rome als hoofdstad, een Oost-Romeins rijk met constantinopel als
hoofdstad. Ieder deel had een eigen keizer. In 402 na Chr. trok het West-Romeinse leger
zich terug van de grenzen van het rijk, om Rome te beschermen. Germaanse volken trokken
het rijk binnen. In 476 werd de laatste West-Romeinse keizer afgezet en hield het
West-Romeinse rijk op met bestaan. Het Oost-Romeinse Rijk eindigde in 1453, toen
Constantinopel door het Osmaanse of Turkse Tijd werd veroverd. De Turken gaven de stad
een nieuwe naam: Istanbul.
2.2.4 Aan de rand van het Romeinse Rijk ( 50 v. Chr. - 400 na Chr.)
Rond 50 v. Chr. kwamen de eerste Romeinse soldaten van Julius Caesar in ons gebied.
Rond 12 v. Chr. hadden de Romeinen het gebied langs de grote rivieren in handen. De
Romeinse agrarisch stedelijke samenleving verschilde sterk van de Germaanse agrarische
samenleving, die geen steden kende. De Romeinen bleven hier ongeveer vierhonderd jaar,
maar omdat het om een grensgebied ging, was hun invloed minder groot dan bijv. in Spanje.
Na het verdwijnen van het Romeinse bestuur verdwenen ook de wegen en bruggen, omdat
ze niet werden onderhouden, de stedelijke nederzettingen verdwenen, omdat er geen
handel meer gedreven wordt. In Nederland zijn er weinig archeologische dingen bewaard,
omdat de rivieren met hun sterk wisselende loop veel sporen hebben uitgewist.
Bewaking van de grens:
De Rijn was lang een grens van het Romeinse rijk. In de Romeinse tijd was de hoofdstroom
de huidige Oude Rijn (katwijk in zee), om de grens (limes) te bewaken werden op
regelmatige afstand van elkaar wachttorens en forten langs de rivier gebouwd. Deze werden
met elkaar verbonden door een weg, zodat het verplaatsen snel te voet ging, figuur 2.4.