Vraag 1: Welke stelling is juist?
-a: Een rechtsvorm drijft altijd een onderneming;
-b: Een vof is een rechtspersoon;
-c: Een eenmanszaak is een ondernemingsvorm;
-d: Een rechtsvorm staat wat het vermogensrecht betreft gelijk aan een natuurlijk persoon
Waarom is a fout?
-Rechtsvormen zijn rechtspersonen en personenvennootschappen. Een stichting is een rechtsvorm,
maar geen onderneming. Ze is namelijk niet opgericht met het oogmerk financieel voordeel te
behalen; er mogen bijvoorbeeld geen leden zijn of “doelloze” uitkeringen worden gedaan. Een
onderneming is daarentegen “een organisatie van mensen die bedrijfsmiddelen inbrengen en
converteren gericht op het behalen van de verwachte economische voordelen". (zie week 1)
Waarom is b fout?
-Een vof (vennootschap onder firma) is wel een rechtsvorm, maar geen rechtspersoon. Zoals de
naam al suggereert is het een personenvennootschap. Het is een contractuele rechtsvorm,
gebaseerd op overeenkomsten, terwijl een rechtspersoon een institutionele rechtsvorm is. Het is
een zelfstandige, opgerichte entiteit (zie week 1). Een vof is een bijzondere, gekwalificeerde
maatschap. Een maatschap heeft geen vormvereisten, moet gelijk(waardig)heid hebben, en wordt
aangegaan. Geen rechtspersoon dus. (Zie week 2)
Waarom is c juist?
-Een eenmanszaak voldoet aan de kenmerken organisatie, productie, winst/waarde en
waardeconversie. (Zie antwoord a/week 1)
Waarom is d fout?
-Het is niet een rechtsvorm, maar een rechtspersoon die volgens art. 2:5 BW wat het
vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk staat. Daarnaast mist de toevoeging "tenzij
uit de wet het tegendeel voortvloeit". Een pv heeft dit niet (zie week 1).
Vraag 2: Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
-I. Zakelijke schuldeisers van een maatschap moeten iedere maat aansprakelijk stellen om de
volledige schuld betaald te krijgen.
-II. Een vennoot kan de vof alleen vertegenwoordigen indien hij volmacht hiervoor heeft gekregen
van andere vennoten.
Waarom is stelling I juist?
- Een maatschap heeft een afgescheiden vermogen. Maten kunnen in beginsel niet beschikken over
hun eigen aandeel, vgl. art. 3:191 BW. Dit komt door het samenwerkingsverband in een maatschap
en wordt beschikkingsgebondenheid genoemd. Er moet dus op het gehele vermogen, op iedere
maat, aanspraak worden gedaan. (zie pag. 73 'De kern van het ondernemingsrecht')
Waarom is stelling II onjuist?
, • Bijv. art. 51 Rv laat zien een zelfstandige procesbevoegdheid hebben. Opnieuw is hier belangrijk
dat het samenwerkingsverband zo sterk is, omdat er eigenlijk niet namens een vof gehandeld zou
moeten kunnen worden. Het is immers geen rechtspersoon. Toch is het algemeen aanvaard. (Zie
pag. 72 ‘De kern van het ondernemingsrecht’)
Vraag 3: Wat is Nachgrundung?
-a: Handelen voor een BV/NV die nog niet is opgericht;
-b: Extra storting op aandelen bovenop het nominale bedrag;
-c: Een regeling om te voorkomen dat rondom de oprichting van een NV goederen van oprichters
voor een veel te hoge prijs aan de vennootschap worden verkocht;
-d: Terugvordering van ten onrechte uitgekeerde dividend.
C is juist; wat is de rest dan?
-a: Preconstitutief handelen (pag. 34 ‘De kern’)
-b: Agio (h3.1 ‘De kern’)
-d: Art. 2:105 lid 8 BW
Vraag 4: Kapitaalvennootschap ‘Groentesnacks Leiden’ heeft een balanstotaal van €1 mil. Het VV
bedraagt €150k. Het geplaatste kapitaal bedraagt €600k, waarvan €500k is gestort. De agio bedraagt
€150k en de wettelijke reserve bedraagt €150k. De overige reserves zijn €50k. Het maatschappelijk
kapitaal is €900k.
Wat is de maximale uitkeringsruimte als 'Groentesnacks Leiden' een NV dan wel BV is?
Voor deze vraag zijn van belang het EV, het gestorte kapitaal en de verplichte reserves. U = EV (- GK)
- VR. Het EV is 500 + 150 + 150 + 50 = 850. Het GK = 500. De VR = 150.
Voor een NV geldt U = EV - GK - VR = 850 - 500 - 150 = 200.
Voor een BV geldt U = EV – VR = 850 - 150 = 700. Dus antwoord a.
Vraag 5: Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
-I. Wanneer sprake is van bedrijfsuitoefening kan geen sprake zijn van een maatschap.
-II. Wanneer een beroep wordt uitgeoefend, onder een gemeenschappelijke naam, is altijd sprake
van een vof of cv.
Waarom is stelling I onjuist?
-Bij beroepen is er altijd een maatschap, en sommige bedrijven kunnen dit ook doen. Het verschil
maatschap / fov en cv is niet alleen gebaseerd op het verschil bedrijf/beroep, maar ook op de vraag
of het naar buiten toe kenbaar is dat er een samenwerking is. (Zie week 2)
Waarom is stelling II onjuist?
-a: Een rechtsvorm drijft altijd een onderneming;
-b: Een vof is een rechtspersoon;
-c: Een eenmanszaak is een ondernemingsvorm;
-d: Een rechtsvorm staat wat het vermogensrecht betreft gelijk aan een natuurlijk persoon
Waarom is a fout?
-Rechtsvormen zijn rechtspersonen en personenvennootschappen. Een stichting is een rechtsvorm,
maar geen onderneming. Ze is namelijk niet opgericht met het oogmerk financieel voordeel te
behalen; er mogen bijvoorbeeld geen leden zijn of “doelloze” uitkeringen worden gedaan. Een
onderneming is daarentegen “een organisatie van mensen die bedrijfsmiddelen inbrengen en
converteren gericht op het behalen van de verwachte economische voordelen". (zie week 1)
Waarom is b fout?
-Een vof (vennootschap onder firma) is wel een rechtsvorm, maar geen rechtspersoon. Zoals de
naam al suggereert is het een personenvennootschap. Het is een contractuele rechtsvorm,
gebaseerd op overeenkomsten, terwijl een rechtspersoon een institutionele rechtsvorm is. Het is
een zelfstandige, opgerichte entiteit (zie week 1). Een vof is een bijzondere, gekwalificeerde
maatschap. Een maatschap heeft geen vormvereisten, moet gelijk(waardig)heid hebben, en wordt
aangegaan. Geen rechtspersoon dus. (Zie week 2)
Waarom is c juist?
-Een eenmanszaak voldoet aan de kenmerken organisatie, productie, winst/waarde en
waardeconversie. (Zie antwoord a/week 1)
Waarom is d fout?
-Het is niet een rechtsvorm, maar een rechtspersoon die volgens art. 2:5 BW wat het
vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk staat. Daarnaast mist de toevoeging "tenzij
uit de wet het tegendeel voortvloeit". Een pv heeft dit niet (zie week 1).
Vraag 2: Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
-I. Zakelijke schuldeisers van een maatschap moeten iedere maat aansprakelijk stellen om de
volledige schuld betaald te krijgen.
-II. Een vennoot kan de vof alleen vertegenwoordigen indien hij volmacht hiervoor heeft gekregen
van andere vennoten.
Waarom is stelling I juist?
- Een maatschap heeft een afgescheiden vermogen. Maten kunnen in beginsel niet beschikken over
hun eigen aandeel, vgl. art. 3:191 BW. Dit komt door het samenwerkingsverband in een maatschap
en wordt beschikkingsgebondenheid genoemd. Er moet dus op het gehele vermogen, op iedere
maat, aanspraak worden gedaan. (zie pag. 73 'De kern van het ondernemingsrecht')
Waarom is stelling II onjuist?
, • Bijv. art. 51 Rv laat zien een zelfstandige procesbevoegdheid hebben. Opnieuw is hier belangrijk
dat het samenwerkingsverband zo sterk is, omdat er eigenlijk niet namens een vof gehandeld zou
moeten kunnen worden. Het is immers geen rechtspersoon. Toch is het algemeen aanvaard. (Zie
pag. 72 ‘De kern van het ondernemingsrecht’)
Vraag 3: Wat is Nachgrundung?
-a: Handelen voor een BV/NV die nog niet is opgericht;
-b: Extra storting op aandelen bovenop het nominale bedrag;
-c: Een regeling om te voorkomen dat rondom de oprichting van een NV goederen van oprichters
voor een veel te hoge prijs aan de vennootschap worden verkocht;
-d: Terugvordering van ten onrechte uitgekeerde dividend.
C is juist; wat is de rest dan?
-a: Preconstitutief handelen (pag. 34 ‘De kern’)
-b: Agio (h3.1 ‘De kern’)
-d: Art. 2:105 lid 8 BW
Vraag 4: Kapitaalvennootschap ‘Groentesnacks Leiden’ heeft een balanstotaal van €1 mil. Het VV
bedraagt €150k. Het geplaatste kapitaal bedraagt €600k, waarvan €500k is gestort. De agio bedraagt
€150k en de wettelijke reserve bedraagt €150k. De overige reserves zijn €50k. Het maatschappelijk
kapitaal is €900k.
Wat is de maximale uitkeringsruimte als 'Groentesnacks Leiden' een NV dan wel BV is?
Voor deze vraag zijn van belang het EV, het gestorte kapitaal en de verplichte reserves. U = EV (- GK)
- VR. Het EV is 500 + 150 + 150 + 50 = 850. Het GK = 500. De VR = 150.
Voor een NV geldt U = EV - GK - VR = 850 - 500 - 150 = 200.
Voor een BV geldt U = EV – VR = 850 - 150 = 700. Dus antwoord a.
Vraag 5: Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
-I. Wanneer sprake is van bedrijfsuitoefening kan geen sprake zijn van een maatschap.
-II. Wanneer een beroep wordt uitgeoefend, onder een gemeenschappelijke naam, is altijd sprake
van een vof of cv.
Waarom is stelling I onjuist?
-Bij beroepen is er altijd een maatschap, en sommige bedrijven kunnen dit ook doen. Het verschil
maatschap / fov en cv is niet alleen gebaseerd op het verschil bedrijf/beroep, maar ook op de vraag
of het naar buiten toe kenbaar is dat er een samenwerking is. (Zie week 2)
Waarom is stelling II onjuist?