Literatuur Leren en ontwikkelen van
individuen, groepen en organisaties
,On Two Metaphors for Learning and the Dangers of
Choosing just One
Theoretische opvattingen over leren veranderen voortdurend; soms leiden ze tot conceptuele
omwentelingen. Recente discussie over transfer laat de controversiële aard van leertheorieën zien.
Centrale vraag: is een conceptuele eenwording van onderzoek naar leren zinvol? Eerste stap: kijken
naar de fundamentele aannames en overtuigingen die ons sturen, via de metaforen die aan
theorieën ten grondslag liggen.
Metaforen:
Overschrijden de grens tussen spontaan/intuitief en wetenschappelijk/formeel denken.
Werken via taal en maken conceptuele osmose mogelijk (dagelijks ↔ wetenschappelijk).
Zijn niet slechts hulpmiddelen, maar de primaire bron van concepten.
Nieuwe kennis groeit uit bestaande kennis → metaforen bieden het mechanisme om oud in
nieuw te transformeren.
Houden cultuur in stand door conceptuele overdracht.
Volgens Scheffler: grens tussen theorie en metafoor is dun of zelfs onbestaand. Wetenschappelijke
termen zijn vaak metaforisch van oorsprong (bijv. cognitieve belasting, boodschapper-RNA).
Wetenschap verbergt vaak de metaforische oorsprong door wiskundige formalisering, waardoor deze
moeilijk te herkennen is. Keuze van metafoor is ingrijpend, want metaforen sturen denken en
handelen: we leven volgens de metaforen die we gebruiken.
Dubbele rol van metaforen: maken abstract en wetenschappelijk denken mogelijk en beperken
verbeelding door oude aannames en overtuigingen impliciet mee te nemen. Deze hardnekkige
metaforen migreren vaak ongezien tussen domeinen, wat nieuwe theorieën kan belemmeren.
Daarom: blootleggen van metaforen die ons sturen is noodzakelijk voor leren, doceren en onderzoek.
Acquisition Metaphor Versus Participation Metaphor
Concepten en overtuigingen wortelen in fundamentele ideeën, overgedragen via taal.
Onderwijsonderzoek wordt gekenmerkt door twee metaforen: Aquisition Methaphore (verwerving):
oudere studies, nog steeds dominant. Participation Methaphore (participatie): nieuwere studies,
steeds invloedrijker. Meeste theorieën bevatten elementen van beide.
Acquisition Metaphor
Leren = verwerven van kennis/concepten (zoals goederen verzamelen). Concepten worden opgevat
als basiseenheden van kennis die kunnen worden verzameld, verfijnd en gecombineerd tot steeds
rijkere cognitieve structuren. Geest = container die gevuld wordt; kennis wordt eigendom.
Belangrijkste termen: kennis, concept, idee, schema, feit, representatie, inhoud.
Handelingen: receptie, constructie, internalisatie, transmissie, ontwikkeling, accumulatie,
beheersing.
Leraar = overdrager, bemiddelaar, facilitator. Impliciet aanwezig in stromingen als constructivisme,
interactionisme, socioculturele theorieën. Focus = conceptontwikkeling en kennisverwerving.
Participation Metaphor
,Ontstaan als alternatief voor AM. Leren = participeren in een praktijk/gemeenschap. Nadruk op
knowing (doen) i.p.v. knowledge (hebben). Procesgericht, contextgebonden, dynamisch.
Kernwoorden: praktijk, discours, communicatie, situering, culturele inbedding, sociale mediatie.
Leren = toetreden tot een gemeenschap → taal en normen leren, deelnemen als teamlid en
potentiële hervormer. Docent = waarborg continuïteit praktijk. Verschil met AM: AM = bezit, innerlijke
geest, individu. PM = wederkerigheid, verbondenheid, rol in groter geheel.
Belangrijk onderscheid
AM vs. PM = ontologisch (wat is leren: verwerven vs. participeren).
Individueel vs. sociaal perspectief = mechanistisch (hoe vindt leren plaats).
Deze twee assen mogen niet door elkaar gehaald worden.
What Can Go Wrong With AM, and How PM Can Help
Waarom verschuiving nodig? VM bestaat al millennia, maar roept hardnekkige problemen op:
Fundamentele dilemma’s en Normatieve gevolgen. PM wordt gezien als alternatief dat deze
problemen kan verlichten (maar niet volledig oplossen).
1 Foundational Dilemmas: filosofische paradoxen rond leren.
Leerparadox: hoe kunnen we leren wat we nog niet kennen? → leren lijkt onmogelijk.
Constructivistisch dilemma: als lerenden hun eigen concepten construeren, hoe sluiten die dan aan
bij die van anderen (brug tussen individueel en collectief eigendom)? PM biedt uitweg:
Vermijdt objectivering van kennis (geen “ding” los van mensen).
Vermijdt dichotomieën zoals intern vs. extern.
Ontsnapt zo aan filosofische valkuilen van AM.
Kanttekening: PM kan zelf nieuwe dilemma’s creëren (deel worden van groter geheel kan
epistemologische grenzen hebben).
2 The Question of Norms and Values: problematische waarden/normen door kennis als eigendom te
zien.
Kennis = eigendom → parallellen met materiële rijkdom. Identiteit en status gekoppeld aan
kennis. Leren → competitie en individuele prestatie i.p.v. samenwerking. Druk om
intellectueel eigendom te claimen (fraude, egocentrisme).
Talent/aanleg = privébezit → hiërarchie, fixatie op “aangeboren potentieel.” Studenten
krijgen labels, falen lijkt vaststaand.
PM als alternatief: Taal verschuift van bezit → gedeelde activiteiten. Legt nadruk op
samenwerking, solidariteit, gelijkwaardigheid. Eigenschappen en prestaties zijn veranderlijk
en situationeel. Falen = tijdelijk, elke actie biedt nieuwe kansen.
Why Do We Need AM After All
Ondanks zwakheden AM en voordelen PM is het niet wenselijk en mogelijk om AM volledig los te
laten. PM alleen kan even problematisch zijn als AM. In onderzoek en onderwijs zijn er zaken die met
AM wel en met PM niet goed kunnen worden aangepakt.
Research Issues: The Question of Transfer
PM verwerpt kennis als object en dus ook het idee van transfer (kennis meenemen van de ene naar
de andere context). Vanuit PM klopt dit: als kennis niet als entiteit bestaat en context geen harde
grenzen heeft, is er niets over te dragen. Toch is transfer essentieel voor leren: ons vermogen om ons
, vandaag voor te bereiden op morgen. Competentie = herhalen wat constant blijft en aanpassen wat
verandert.
Pogingen om transfer met PM te verenigen: Greeno (1997): leren = verbeterde participatie in
interactieve systemen; transfer = transformaties van beperkingen, affordances en afstemmingen.
Probleem: term transfer blijft zwaar beladen met AM-connotaties → leidt tot controverse. Zelfs PM-
aanhangers ontkomen niet volledig aan acquisitionistisch taalgebruik; ons denken dwingt tot
abstractie en objectivering.
Pedagogical Issues: The Worry About Subject Matter
PM legt nadruk op contextualiteit, maar dit roept problemen op in onderwijs: Wetenschap en
wiskunde zouden alleen in “real-life” context betekenisvol geleerd kunnen worden → praktisch
moeilijk realiseerbaar. Idee van leren in een community of practice klinkt aantrekkelijk, maar roept
vragen op: wie zijn de experts, wat is de praktijk? Gevolg: traditionele “leerinhoud” kan verdwijnen of
zo diffuus worden dat het onderwijs richtingloos wordt. Kernprobleem: risico op verlies van duidelijk
afgebakende inhoud, wat onderwijs amorf maakt.
Conclusion: One Metaphor Is Not Enough
Noch de acquisitiemetafoor (AM), noch de participatiemetafoor (PM) kan op zichzelf voldoen. We
moeten met beide leven: elke metafoor heeft unieke voordelen en compenseert zwaktes van ander.
Why Do We Need More Than One Metaphor?
Metaforisch pluralisme → krachtiger onderzoek en praktijk. Exclusiviteit van één metafoor leidt tot:
Extreme en eenzijdige onderwijsvoorschriften (bv. verbod op vertellen, verplicht coöperatief leren,
alleen probleemgestuurd onderwijs); Theoretische blindheid en uitsluiting van perspectieven;
Normatieve risico’s: één metafoor bepaalt wat “normaal” of “afwijkend” is. Combinatie van AM en
PM → voordelen bundelen, nadelen beperken. Spanning tussen metaforen beschermt tegen
ontsporing en kan emanciperend werken.
Living With Contradictions
Wetenschap kent vaker naast elkaar bestaande kaders (bv. natuurkunde & scheikunde). AM en PM
zijn onvergelijkbaar, niet onverenigbaar. Onvergelijkbaar = begrippen niet tot elkaar te herleiden.
Maar vreedzaam naast elkaar bestaan is mogelijk. Bohr’s principe toepassen: leren kan als acquisitie
of als participatie worden gezien, afhankelijk van het doel.
Keuze van metafoor: Afhankelijk van doel en context van onderzoek. Criteria: bruikbaarheid,
coherentie, nieuwe inzichten, intersubjectieve overeenstemming, aantrekkelijkheid, flexibiliteit,
esthetiek. Soms kunnen metaforen zelfs in één kader samengevoegd worden, zolang hun figuurlijke
karakter behouden blijft (alsof-uitspraken).
Theoretische flexibiliteit: Meerdere metaforen betekent niet dat alles mag. Theorieën moeten
toetsbaar blijven en in overeenstemming zijn met data. Data zijn altijd door theorie gekleurd → feiten
krijgen betekenis binnen perspectieven.
Kernboodschap: Er bestaat geen uniforme, allesomvattende leertheorie. Onderzoek zal altijd een
lappendeken van metaforen blijven. Hoe eerder dit wordt geaccepteerd, hoe beter – voor
onderzoekers én voor praktijk.
individuen, groepen en organisaties
,On Two Metaphors for Learning and the Dangers of
Choosing just One
Theoretische opvattingen over leren veranderen voortdurend; soms leiden ze tot conceptuele
omwentelingen. Recente discussie over transfer laat de controversiële aard van leertheorieën zien.
Centrale vraag: is een conceptuele eenwording van onderzoek naar leren zinvol? Eerste stap: kijken
naar de fundamentele aannames en overtuigingen die ons sturen, via de metaforen die aan
theorieën ten grondslag liggen.
Metaforen:
Overschrijden de grens tussen spontaan/intuitief en wetenschappelijk/formeel denken.
Werken via taal en maken conceptuele osmose mogelijk (dagelijks ↔ wetenschappelijk).
Zijn niet slechts hulpmiddelen, maar de primaire bron van concepten.
Nieuwe kennis groeit uit bestaande kennis → metaforen bieden het mechanisme om oud in
nieuw te transformeren.
Houden cultuur in stand door conceptuele overdracht.
Volgens Scheffler: grens tussen theorie en metafoor is dun of zelfs onbestaand. Wetenschappelijke
termen zijn vaak metaforisch van oorsprong (bijv. cognitieve belasting, boodschapper-RNA).
Wetenschap verbergt vaak de metaforische oorsprong door wiskundige formalisering, waardoor deze
moeilijk te herkennen is. Keuze van metafoor is ingrijpend, want metaforen sturen denken en
handelen: we leven volgens de metaforen die we gebruiken.
Dubbele rol van metaforen: maken abstract en wetenschappelijk denken mogelijk en beperken
verbeelding door oude aannames en overtuigingen impliciet mee te nemen. Deze hardnekkige
metaforen migreren vaak ongezien tussen domeinen, wat nieuwe theorieën kan belemmeren.
Daarom: blootleggen van metaforen die ons sturen is noodzakelijk voor leren, doceren en onderzoek.
Acquisition Metaphor Versus Participation Metaphor
Concepten en overtuigingen wortelen in fundamentele ideeën, overgedragen via taal.
Onderwijsonderzoek wordt gekenmerkt door twee metaforen: Aquisition Methaphore (verwerving):
oudere studies, nog steeds dominant. Participation Methaphore (participatie): nieuwere studies,
steeds invloedrijker. Meeste theorieën bevatten elementen van beide.
Acquisition Metaphor
Leren = verwerven van kennis/concepten (zoals goederen verzamelen). Concepten worden opgevat
als basiseenheden van kennis die kunnen worden verzameld, verfijnd en gecombineerd tot steeds
rijkere cognitieve structuren. Geest = container die gevuld wordt; kennis wordt eigendom.
Belangrijkste termen: kennis, concept, idee, schema, feit, representatie, inhoud.
Handelingen: receptie, constructie, internalisatie, transmissie, ontwikkeling, accumulatie,
beheersing.
Leraar = overdrager, bemiddelaar, facilitator. Impliciet aanwezig in stromingen als constructivisme,
interactionisme, socioculturele theorieën. Focus = conceptontwikkeling en kennisverwerving.
Participation Metaphor
,Ontstaan als alternatief voor AM. Leren = participeren in een praktijk/gemeenschap. Nadruk op
knowing (doen) i.p.v. knowledge (hebben). Procesgericht, contextgebonden, dynamisch.
Kernwoorden: praktijk, discours, communicatie, situering, culturele inbedding, sociale mediatie.
Leren = toetreden tot een gemeenschap → taal en normen leren, deelnemen als teamlid en
potentiële hervormer. Docent = waarborg continuïteit praktijk. Verschil met AM: AM = bezit, innerlijke
geest, individu. PM = wederkerigheid, verbondenheid, rol in groter geheel.
Belangrijk onderscheid
AM vs. PM = ontologisch (wat is leren: verwerven vs. participeren).
Individueel vs. sociaal perspectief = mechanistisch (hoe vindt leren plaats).
Deze twee assen mogen niet door elkaar gehaald worden.
What Can Go Wrong With AM, and How PM Can Help
Waarom verschuiving nodig? VM bestaat al millennia, maar roept hardnekkige problemen op:
Fundamentele dilemma’s en Normatieve gevolgen. PM wordt gezien als alternatief dat deze
problemen kan verlichten (maar niet volledig oplossen).
1 Foundational Dilemmas: filosofische paradoxen rond leren.
Leerparadox: hoe kunnen we leren wat we nog niet kennen? → leren lijkt onmogelijk.
Constructivistisch dilemma: als lerenden hun eigen concepten construeren, hoe sluiten die dan aan
bij die van anderen (brug tussen individueel en collectief eigendom)? PM biedt uitweg:
Vermijdt objectivering van kennis (geen “ding” los van mensen).
Vermijdt dichotomieën zoals intern vs. extern.
Ontsnapt zo aan filosofische valkuilen van AM.
Kanttekening: PM kan zelf nieuwe dilemma’s creëren (deel worden van groter geheel kan
epistemologische grenzen hebben).
2 The Question of Norms and Values: problematische waarden/normen door kennis als eigendom te
zien.
Kennis = eigendom → parallellen met materiële rijkdom. Identiteit en status gekoppeld aan
kennis. Leren → competitie en individuele prestatie i.p.v. samenwerking. Druk om
intellectueel eigendom te claimen (fraude, egocentrisme).
Talent/aanleg = privébezit → hiërarchie, fixatie op “aangeboren potentieel.” Studenten
krijgen labels, falen lijkt vaststaand.
PM als alternatief: Taal verschuift van bezit → gedeelde activiteiten. Legt nadruk op
samenwerking, solidariteit, gelijkwaardigheid. Eigenschappen en prestaties zijn veranderlijk
en situationeel. Falen = tijdelijk, elke actie biedt nieuwe kansen.
Why Do We Need AM After All
Ondanks zwakheden AM en voordelen PM is het niet wenselijk en mogelijk om AM volledig los te
laten. PM alleen kan even problematisch zijn als AM. In onderzoek en onderwijs zijn er zaken die met
AM wel en met PM niet goed kunnen worden aangepakt.
Research Issues: The Question of Transfer
PM verwerpt kennis als object en dus ook het idee van transfer (kennis meenemen van de ene naar
de andere context). Vanuit PM klopt dit: als kennis niet als entiteit bestaat en context geen harde
grenzen heeft, is er niets over te dragen. Toch is transfer essentieel voor leren: ons vermogen om ons
, vandaag voor te bereiden op morgen. Competentie = herhalen wat constant blijft en aanpassen wat
verandert.
Pogingen om transfer met PM te verenigen: Greeno (1997): leren = verbeterde participatie in
interactieve systemen; transfer = transformaties van beperkingen, affordances en afstemmingen.
Probleem: term transfer blijft zwaar beladen met AM-connotaties → leidt tot controverse. Zelfs PM-
aanhangers ontkomen niet volledig aan acquisitionistisch taalgebruik; ons denken dwingt tot
abstractie en objectivering.
Pedagogical Issues: The Worry About Subject Matter
PM legt nadruk op contextualiteit, maar dit roept problemen op in onderwijs: Wetenschap en
wiskunde zouden alleen in “real-life” context betekenisvol geleerd kunnen worden → praktisch
moeilijk realiseerbaar. Idee van leren in een community of practice klinkt aantrekkelijk, maar roept
vragen op: wie zijn de experts, wat is de praktijk? Gevolg: traditionele “leerinhoud” kan verdwijnen of
zo diffuus worden dat het onderwijs richtingloos wordt. Kernprobleem: risico op verlies van duidelijk
afgebakende inhoud, wat onderwijs amorf maakt.
Conclusion: One Metaphor Is Not Enough
Noch de acquisitiemetafoor (AM), noch de participatiemetafoor (PM) kan op zichzelf voldoen. We
moeten met beide leven: elke metafoor heeft unieke voordelen en compenseert zwaktes van ander.
Why Do We Need More Than One Metaphor?
Metaforisch pluralisme → krachtiger onderzoek en praktijk. Exclusiviteit van één metafoor leidt tot:
Extreme en eenzijdige onderwijsvoorschriften (bv. verbod op vertellen, verplicht coöperatief leren,
alleen probleemgestuurd onderwijs); Theoretische blindheid en uitsluiting van perspectieven;
Normatieve risico’s: één metafoor bepaalt wat “normaal” of “afwijkend” is. Combinatie van AM en
PM → voordelen bundelen, nadelen beperken. Spanning tussen metaforen beschermt tegen
ontsporing en kan emanciperend werken.
Living With Contradictions
Wetenschap kent vaker naast elkaar bestaande kaders (bv. natuurkunde & scheikunde). AM en PM
zijn onvergelijkbaar, niet onverenigbaar. Onvergelijkbaar = begrippen niet tot elkaar te herleiden.
Maar vreedzaam naast elkaar bestaan is mogelijk. Bohr’s principe toepassen: leren kan als acquisitie
of als participatie worden gezien, afhankelijk van het doel.
Keuze van metafoor: Afhankelijk van doel en context van onderzoek. Criteria: bruikbaarheid,
coherentie, nieuwe inzichten, intersubjectieve overeenstemming, aantrekkelijkheid, flexibiliteit,
esthetiek. Soms kunnen metaforen zelfs in één kader samengevoegd worden, zolang hun figuurlijke
karakter behouden blijft (alsof-uitspraken).
Theoretische flexibiliteit: Meerdere metaforen betekent niet dat alles mag. Theorieën moeten
toetsbaar blijven en in overeenstemming zijn met data. Data zijn altijd door theorie gekleurd → feiten
krijgen betekenis binnen perspectieven.
Kernboodschap: Er bestaat geen uniforme, allesomvattende leertheorie. Onderzoek zal altijd een
lappendeken van metaforen blijven. Hoe eerder dit wordt geaccepteerd, hoe beter – voor
onderzoekers én voor praktijk.