2.1.3c Opdracht: Blended Hulpverlening
Inleiding
Voor deze opdracht ga ik beschrijven hoe ik een online hulpvraag heb
behandeld volgens het 5 fasen model. Ook ga ik reflecteren op mijn
handelen en mijn visie beschrijven. Tijdens de trainingen hebben wij uitleg
gekregen over het behandelen van een hulpvraag in een chat gesprek,
maar ook voor een email. Voor deze opdracht heb ik gekozen om het chat
gesprek uitgebreid te beschrijven, omdat ik hier geen ervaring mee had.
Wel had ik al ervaring bij het maken van een email volgens deze methode.
Online hulpvraag volgens de methode van het 5 fasen model
De eerste fase in het 5 fasen model is het zorgen voor een warm welkom
(Schalken, 2013). Dit heb ik gedaan door mij voor te stellen, vragen of de
hulpvrager zich wil voorstellen en te vragen wat ik voor de hulpvrager kan
betekenen (zie bijlage 1). De hulpvrager is een meisje van zeventien jaar
oud die gepest wordt.
In de tweede fase verhelder je de hulpvraag (Schalken, 2013). Hierbij
vraag je wat de situatie exact inhoudt, welke emoties de hulpvrager voelt
en wat de hulpvrager zou willen. Dit heb ik gedaan door middel van
doorvragen. In fase 1 heeft de hulpvrager verteld dat ze wordt gepest. In
fase 2 heb ik gevraagd waar ze wordt gepest en wat de pesters doen.
Toen dit helder was, heb ik gevraagd of de hulpvrager al met iemand over
deze situatie heeft gepraat. Hierop zei ze nee.
Hierna ben ik aangekomen in fase drie. In deze fase is het belangrijk om
het gespreksdoel vast te stellen en om open vragen te stellen (Schalken,
2013). Hierom heb ik de vraag gesteld: ‘’Hoe kunnen wij dit samen
oplossen?’’ Hierbij gaf de hulpvrager aan dat ze zou willen dat het pesten
stopt. Hierop heb ik gevraagd of de hulpvrager een idee heeft hoe wij
samen deze situatie kunnen verbeteren. Dit vond de hulpvrager lastig om
te bedenken. Ook heb ik gevraagd of ze het lastig vindt om met anderen
over het pesten te praten. Hierop antwoordde ze ‘’ja’’.
Nadat de hulpvrager heeft aangegeven dat ze het lastig vindt om over het
pestgedrag te praten, heb ik gevraagd of ze dit liever met een onbekend
persoon bespreekt. Dit vond ze in de eerste instantie een goed idee. Toen
ik hierop ging doorvragen gaf ze aan toch liever met een familielid in
gesprek te gaan. ‘Nu is het doel van de hulpvrager in kaart gebracht.
Namelijk een familielid vinden waar de hulpvrager mee in gesprek kan
gaan.
In fase vier wordt het gespreksdoel uitgewerkt (Schalken, 2013). Hier
komen we samen tot een oplossing en werken we zo concreet mogelijk uit
wat de hulpvrager kan doen. Hierom heb ik gevraagd bij welk familielid de
hulpvrager zich het meest op haar gemak voelt. Hier gaf ze aan dat dit
haar opa is, met hem zou ze hierover willen praten. Wel gaf ze aan dit
Inleiding
Voor deze opdracht ga ik beschrijven hoe ik een online hulpvraag heb
behandeld volgens het 5 fasen model. Ook ga ik reflecteren op mijn
handelen en mijn visie beschrijven. Tijdens de trainingen hebben wij uitleg
gekregen over het behandelen van een hulpvraag in een chat gesprek,
maar ook voor een email. Voor deze opdracht heb ik gekozen om het chat
gesprek uitgebreid te beschrijven, omdat ik hier geen ervaring mee had.
Wel had ik al ervaring bij het maken van een email volgens deze methode.
Online hulpvraag volgens de methode van het 5 fasen model
De eerste fase in het 5 fasen model is het zorgen voor een warm welkom
(Schalken, 2013). Dit heb ik gedaan door mij voor te stellen, vragen of de
hulpvrager zich wil voorstellen en te vragen wat ik voor de hulpvrager kan
betekenen (zie bijlage 1). De hulpvrager is een meisje van zeventien jaar
oud die gepest wordt.
In de tweede fase verhelder je de hulpvraag (Schalken, 2013). Hierbij
vraag je wat de situatie exact inhoudt, welke emoties de hulpvrager voelt
en wat de hulpvrager zou willen. Dit heb ik gedaan door middel van
doorvragen. In fase 1 heeft de hulpvrager verteld dat ze wordt gepest. In
fase 2 heb ik gevraagd waar ze wordt gepest en wat de pesters doen.
Toen dit helder was, heb ik gevraagd of de hulpvrager al met iemand over
deze situatie heeft gepraat. Hierop zei ze nee.
Hierna ben ik aangekomen in fase drie. In deze fase is het belangrijk om
het gespreksdoel vast te stellen en om open vragen te stellen (Schalken,
2013). Hierom heb ik de vraag gesteld: ‘’Hoe kunnen wij dit samen
oplossen?’’ Hierbij gaf de hulpvrager aan dat ze zou willen dat het pesten
stopt. Hierop heb ik gevraagd of de hulpvrager een idee heeft hoe wij
samen deze situatie kunnen verbeteren. Dit vond de hulpvrager lastig om
te bedenken. Ook heb ik gevraagd of ze het lastig vindt om met anderen
over het pesten te praten. Hierop antwoordde ze ‘’ja’’.
Nadat de hulpvrager heeft aangegeven dat ze het lastig vindt om over het
pestgedrag te praten, heb ik gevraagd of ze dit liever met een onbekend
persoon bespreekt. Dit vond ze in de eerste instantie een goed idee. Toen
ik hierop ging doorvragen gaf ze aan toch liever met een familielid in
gesprek te gaan. ‘Nu is het doel van de hulpvrager in kaart gebracht.
Namelijk een familielid vinden waar de hulpvrager mee in gesprek kan
gaan.
In fase vier wordt het gespreksdoel uitgewerkt (Schalken, 2013). Hier
komen we samen tot een oplossing en werken we zo concreet mogelijk uit
wat de hulpvrager kan doen. Hierom heb ik gevraagd bij welk familielid de
hulpvrager zich het meest op haar gemak voelt. Hier gaf ze aan dat dit
haar opa is, met hem zou ze hierover willen praten. Wel gaf ze aan dit