100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Volledige samenvatting fysiologie MFP van nier en urinewegen

Rating
-
Sold
1
Pages
77
Uploaded on
30-09-2025
Written in
2024/2025

Dit document is een zelfgemaakte samenvatting van de lessen fysiologie en pathofysiologie binnen het vak MFP van nier en urinewegen. De inhoud is gebaseerd op een combinatie van de slides en de cursustekst, zoals gedoceerd door prof. Bammens, prof. De Vlieger en prof. Govaere. De gebruikte afbeeldingen zijn afkomstig uit de PowerPoint en het handboek.

Show more Read less
Institution
Course

















Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
September 30, 2025
Number of pages
77
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

,Samenvatting: fysiologie en pathofysiologie van nier en urinewegen

H1: Algemene concepten functie van de nieren
• 3 essentiële functies: bloed zuiveren, homeostase volume - elektrolieten - zuurbase en endocrien (erythrogenese, calciummetabolisme,
bloeddruk en bloeddoorstroming)

Anatomie en bloedvoorziening van de nier
• Ter hoogte van R12 - L3, 150g, zeer hoge bloedvoorziening (20% van hartdebiet, 1L/min) —> om
voldoende ultrafiltraat te maken
• Bloed komt bij nefronen = homeostatische functie —> elke nier heeft er 800 000 - 1 200 000
—> 85% oppervlakkige, 15% juxtamedullaire (glomerulus ligt dicht bij medulla)
Bloedcirculatie in de nier
• A renalis —> lobaire arterie —> aa interlobares —> aa arcuatae —> aa interlobulares (corticale
radiale arteries) —> afferente arteriolen —> glomerulair kluwen —> efferente arteriolen




me
—> peritubulaire capillairen (opp nefronen) —> vv interlobulares (corticale radiale venen)
—> vasa recta (juxtamedullaire nefronen)
==> vv arcuatae —> v interlobaris —> v renalis
Het nefron
Kenmerkend: aanwezigheid van
opeenvolgende arteriolen in serie
·
geschakeld!

Glomerulus
• Glomerulaire capillaire kluwen
• Intra- en extraglomerulaire mesangium
• Kapsel van Bowman en ruimte van Bowman
Tubulus
• Proximale tubulus
• Lis van Henle: tot in outer medulla bij oppervlakkige nefronen, tot in inner medulla bij
juxtamedullaire nefronen
• Distale tubulus
• Connectie tubulus
• Verzamelbuisjes
Functies binnen het nefron
• Glomerulus vormt ultrafiltraat van het plasma (primaire urine) —> tubulus bewerkt tot finale samenstelling
—> Anatomie en histologie aangepast tot deze functies
De glomerulus
• Vormt een filtratiebarrière waarover primaire urine zicht vormt: vaatwand, basale membraan en viscerale epitheelwand
—> Vaatwand: bekleed met glycocalyx (negatief geladen) en bestaat uit gefenestreerd endotheel (makkelijk vocht en opgeloste stoffen filteren)
—> Basale membraan: bestaat uit 3 lagen, is negatief geladen (houdt intermediaire en grote moleculen tegen)
—> Viscerale epitheelwand: bestaat uit podocyten met slit poriën (ook negatief geladen)
De tubuli

• Sommige delen actievere rol in fysiologie, hebben ook een complexere ultrastructuur
• Doorlaatbaarheid tussen cellen neemt af naar distaal toe (steeds strakkere right junctions) —> bewaren van opgebouwde gradiënt

,De proximale tubulus (PT)
• Heropname water en opgeloste stoffen (NaCl, natriumbicarbonaat, glucose, aminozuren, calcium, fosfaat, sulfaat), secretie
organische anionen en kationen
• Zuurbase: heropname van HCO3- en secretie van NH4+
• Complexe epitheelcellen, veel organellen en een uitgesproken brush border (vooral proximaal) —> bevordert heropname
• Bestaat uit de proximale kronkelbuis (PCT) en de proximale rechte buis (PST) en w opgedeeld in 3 segmenten:
—> S1 in begin PCT, S2 in einde PCT en begin PST en S3 in einde PST
De lis van Henle
• Heropname NaCl, opbouwen hypertoniciteit (noodzakelijk voor concentratie urine), secretie Tamm-Horsfal glycoproteinen
• Verschillende delen: dunne dalende deel (tdLH) en dunne stijgende deel (taLH) met eenvoudige cellen en het dikke stijgende deel
(TAL) met complexe cellen voor actief transport
De distale tubulus en verzamelbuisjes
• Fine tuning van zout- en waterexcretie (in functie van de status van het lichaam)
• Heropname van water door medullaire hyperosmolaliteit (opgebouwd in LvH)
• Klassieke distale tubulus:
—> Distale kronkelbuis (DCT) met cellen ~ TAL
—> Connecting tubule met connecting tubule cells en intercalated cells
—> Initiële verzamelbuis met 1/3 intercalated cells (complexer) en 2/3 principal cells (minder complex)
—> Corticale verzamelbuis —> medullaire verzamelbuis: outer medullaire (OMCD) en inner medullaire (IMCD)
—> Minder complexe cellen, worden hoger naar distaal toe

Functionele anatomie: de vorm dient de functie

• Vorming van primaire urine beïnvloed door 1) lokale feedback vanuit tubuli, TGF (tubuloglomerulaire feedback) en 2) systemische
vrijzetting van renine
—> Anatomie van het nefron ondersteunt deze functies: JGA (juxtaglomerulaire apparaat) waar lis van Henle tegen afferente arteriool ligt
De tubuloglomerulaire feedback
• Macula densa op overgang TAL naar DCT: epitheelcellen ‘voelen’ hoeveel NaCl in tubuli zit door NKCC2 symporter
—> Te veel NaCl = vasoconstrictie van afferente arteriool = daling van glomerulaire filtratiesnelheid
Systemische renine vrijzetting
• Bij drukdaling thv nierarterie —> activatie baroreceptoren in afferente arteriool —> granulaire cellen (van Ruyter) zetten renine vrij
• Renine zet angiotensinogeen om in angiotensine I —> omgezet in angiotensine II door ACE (angiotensin converting enzym)
—> Angiotensine II zorgt voor systemische vasoconstrictie en aanmaak aldosterone (trager)
De renale endocriene functies
• Nier produceert meerdere hormonen:
—> Renine: door granulaire cellen van juxtaglomerulaire apparaat
—> 25-OH-vitamine D: omgezet in het actieve 1,25-(OH)2-vitamine D in de proximale tubulus
—> Erythropoïetine: stimuleert bloedaanmaak, aangemaakt door fibroblast-achtigen in cortex en outer medulla
—> Prostaglandines en kinines

,Het meten van de globale nierfunctie
Beeldvormende technieken
• Echografie, computer tomografie, magnetische resonantie, angiografie, nucleaire onderzoeken
geven info over anatomie en bloedvoorziening
—> Afhankelijk van gebruikte techniek ook evaluatie functionele karakteristieken
Renale klaring
De renale klaring van een stof: algemene principes
• Renale klaring van een stof = nettoresultaat van glomerulaire filtratie en tubulaire reabsorptie en secretie van die stof
—> Gebaseerd op wet van behoud van massa: totale hoeveelheid arteriële bloedflow = totale hoeveelheid via veneuze bloedflow en urinaire flow
—> Gedefinieerd als het virtueel volume plasma waaruit bepaalde stof volledig verwijderd w per tijdeenheid (veneuze concentratie w dus
verondersteld gelijk te zijn aan 0)
P(X,a): plasmaconcentratie van X




:
RPF: renale plasma flow
U(X): urinaire concentratie X
V: urinaire volume
C(X): klaring van een stof X




• Renale klaring is dus nettoresultaat van GFR, tubulaire reabsorptie en secretie: excretie =
filtratie - reabsorptie + secretie
—> Zo is enkel reabsorptie: reabsorptiesnelheid = (GFR
- x P(X)) - (U(X) x V)
—> En is enkel secretie: secretiesnelheid = (U(X) x V) - (GFR x P(X))




• Renale klaring zegt iets over wat de nier met een product doet: lage renale klaring = lichaam
houdt de stof bij (vb Na), hoge renale klaring = nier scheidt stof uit
—> Variatie bij dezelfde persoon ~ inname en verliezen buiten de nier (onder controle van
regelmechanismen)
• Renale klaring kan gemeten w op niveau van 1 nefron —> zeer complex, dus 1 of beide nieren
meten
• Belangrijk: bepaalde producten ook aangemaakt/afgebroken in nier, bij eiwitgebonden moleculen is enkel de niet-gebonden fractie
filtreerbaar en is er vaak een combinatie van secretie en reabsorptie!

Renale klaring als merker van glomerulaire filtratie
• Renale klaring = GFR als:
1. De stof in constante hoeveelheid aanwezig is in plasma
2. Deze vrij gefilterd w over het membraan
3. Er geen reabsorptie of secretie plaatsvindt
4. Het molecule niet gemetaboliseerd of aangemaakt w in de nier
—> Voorbeeld: inuline

,• Inuline is een lichaamsvreemde stof (toedienen via een continu infuus voor stabiele plasma concentratie)
—> W vrij gefilterd en w niet geabsorbeerd/gesecreteerd —> het reflecteert de GFR

Renale klaring als merker van de renale plasma flow
• Bepaalde producten w volledig uit het plasma verwijderd, vb PAH (para-amino-hippuurzuur)
—> Lichaamsvreemde stof (toedienen via een continu infuus), deels eiwitgebonden: niet-gebonden fractie w vrij
gefilterd over het glomerulair membraan, geen reabsorptie/metabolisatie/synthese, WEL secretie van al het niet-
gefilterde PAH —> veneuze concentratie echt nul!
• Klaring van PAH = effectieve RPF = het debiet van al het plasma dat doorheen nieren én glomeruli stroomt
—> Totale RPF net iets groter omdat klein deel bloed uit aa renales rechtstreeks naar kapsel rond nieren stroomt
zonder door glomeruli te gaan
De filtratiefractie
• Hoeveelheid primaire urine aangemaakt uit hoeveelheid plasma is variabel: normaal 15-20% van het totale toegevoerde plasma
—> Bij een hoge filtratiefractie: meer primaire urine uit dezelfde hoeveelheid plasma = hogere concentratie plasma eiwitten in efferente arteriool
—> Bij een lage filtratiefractie: minder primaire urine uit dezelfde hoeveelheid plasma = lagere concentratie plasma eiwitten in efferente arteriool
• Hoeveelheid gefilterd plasma heeft effect op de oncotische druk in bloed
De fractionele excretie
• Ratio tussen de klaring van een bepaalde stof en de GFR = maat
voor het netto-effect van tubulaire reabsorptie en secretie

H2 Glomerulaire filtratie en renale bloedflow
Glomerulaire filtratie

• Glomerulus vormt ultrafiltraat: geen bloedcellen, weinig plasma eiwitten/grote moleculen
—> Door negatieve basale membraan minder filtratie van negatief geladen eiwitten
• Voor kleine moleculen is concentratie in ultrafiltraat = niet-gebonden concentratie in plasma (glucose, Na, Cl)
• GFR is groot —> acute toxische lading verwijderen, plasmaconcentraties lichaamseigen stoffen laag houden
—> Hoge renale bloedvoorziening nodig (20% van debiet)
GFR > 10 keer per dag het totale EC water
—> GFR bij man = 125 mL/min (180L/dag), bij vrouw = 110 mL/min (158L/dag)
De glomerulaire filtratie meten
• Aantal criteria voor molecule om de klaring ervan te kunnen gebruiken als merker van de GFR (zie ook hierboven):
1. Stof moet vrij filtreerbaar zijn
2. Stof mag niet gereabsorbeerd/gesecreteerd worden door tubuli
3. Stof mag niet aangemaakt/afgebroken/opgestapeld worden in de nier
4. Stof moet inert zijn, niet toxisch zijn en geen effect hebben op nierfunctie
Exogene merkers
• Inuline voldoet aan criteria —> weerspiegeling van de GFR
—> Nadeel: exogene toediening nodig via continu infuus voor stabiele bloedspiegel (ook voorwaarde om GFR te meten), concentratie meten
moeilijk en beschikbaarheid is problematisch
• Alternatief: radioactief gemerkte stof, vb 125-I-iothalamaat of 51-Cr-EDTA
—> Nadeel: exogene toediening, variabele eiwitbinding, verval van radioactieve labeling —> meting niet altijd correct

,Creatinine klaring: een endogene merker als alternatief
• Creatinine = endogene substantie (geen toediening nodig), volledig gefilterd over GBM, geen reabsorptie
—> WEL: deels secretie —> renale creatinine klaring overschat GFR een beetje (belangrijk als GFR laag is)
• Creatinine afkomstig van creatine fosfaat, vrijgezet in spieren
—> Normaal constante productie, hangt wel af van spiermassa van persoon: bij man 20-25 mg/kg/dag en bij vrouw 15-20 mg/kg/dag
• Om klaring van creatinine te gebruiken voor GFR schatting moet er aan voorwaarden voldaan zijn:
1. Steady state nodig —> creatinine klaring minder bruikbaar bij acute veranderingen in nierfunctie
2. Urinecollectie noodzakelijk (ideaal 24u) —> kan ook korter, maar minder betrouwbaar
3. Bloedname best nuchter (voor plasmaconcentratie bepaling) —> creatinine in vleesrijke voeding
• Omgekeerde relatie tussen plasmaconcentratie van creatinine en creatinineklaring
—> plasma creatinine zal hoger zijn bij een lagere GFR
• Binnen eenzelfde persoon kan je vergelijken, NIET tussen verschillende personen *




(productie creatinine verschilt bij ieder persoon)
—> Plasma creatinine is hier GEEN betrouwbare merker van GFR (zeker niet bij
abnormaal hoge/lage spiermassa) —> creatinineklaring met serum creatinine gemeten,
het urinaire creatinine en het urinaire volume is WEL betrouwbaar

Glomerulaire filtreerbaarheid

• Sieving coëfficiënt/ultrafiltratie coëfficiënt = mate waarin moleculen over de GBM gefilterd w
—> De verhouding van concentratie van een molecule X in het ultrafiltraat vs de concentratie van X
in het plasma
• Lage Sieving coëfficiënt = weinig/geen filtratie (vooral grote negatief geladen eiwitten)
• Filtreerbaarheid van een molecule bepaald door grootte (MW), elektrische lading en vorm
• Bij nefritis is negatieve lading op GBM afwezig —> grotere Sieving coëfficiënt voor negatieve
eiwitten —> proteïnurie




De Starling forces




• Kf = ultrafiltratiecoëfficiënt = hydraulische conductiviteit vh capillair (Lp) x filtratieoppervlak (Sf)
—> Sf kan variëren ifv contractie van mesangiale cellen (oiv hormonale systemen)
—> Lp en Sf moeilijk te meten apart dus Kf gebruiken
—> Kf veel groter in glomeruli dan andere capillairen (noodzakelijk voor hoge GFR te bekomen)
• P(GC) = hydrostatische druk in glomerulaire capillair, is 50 mmHg over het volledige verloop
—> Nodig om te blijven filteren over hele capillair, is het gevolg van de seriële schakeling van 2
arteriolen voor en na het vaatbed

,• Hydrostatische druk blijft constant doorheen het capillaire vaatbed, maar oncotische druk
stijgt in glomerulaire capillair
—> Stijging omdat plasma een hogere concentratie aan eiwitten heeft (als π = P is er geen netto
filtratie —> filtratie-evenwicht)

De renale bloedvoorziening
De glomerulaire bloedvoorziening -




• Nieren krijgen 20% van totale hartdebiet (1L/min) —> RPF is dus hoog

RPF = (1 - Hct) x RBF
—> Bij een Hct van 40% en een RBF van 1L/min (normaal) is de RPF = 600 mL/min

• Veranderingen in RPF beïnvloeden Starling krachten in glomerulaire capillairen (niet lineair)
—> Afname in RPF geeft meer verlies aan GFR dan een toename winst geeft (filtratie-evenwicht w bij een lage RPF sneller bereikt)
• FF (GFR/RPF) is maat voor het opbouwen van oncotische druk: hoger bij lage RPF, lager bij hoge RPF (omdat nieren GFR constant
proberen houden onafhankelijk van RPF)

Normale RPF
• RPF normaal hoog, door blijvende aanvoer plasma
geen evenwicht: π(GC) stijgt niet genoeg om
P(GC) tegen te werken




...
Lage RPF
• P(GC) blijft hoog, maar π(GC) stijgt sneller door
lage RPF (hoge FF!) —> evenwicht w bereikt over
verloop van capillair —> netto geen ultrafiltratie
meer in laatste deel van capillair —> lagere GFR


Hoge RPF
• P(GC) is hoog, maar π(GC) stijgt heel traag door
continue plasma aanvoer (lage FF!) —> evenwicht
w niet bereikt
• Door hoge RPF neemt ook Sf toe —> hogere
GFR



De unieke renale bloedcirculatie
• Uniek aan nieren: 2 arteriolen (afferent en efferent) met controleerbare weerstand
—> Veranderingen in tonus beïnvloedt hydrostatische druk in glomerulaire capillair (en de RPF)
• Ook 2 capillaire vaatbedden in serie geschakeld: glomerulaire en peritubulaire capillairen
—> Als hydrostatische druk hoog is in glomerulaire (bevordert filtratie van plasma), is deze laag
in de peritubulaire (bevordert heropname van water en opgeloste stoffen)

, Vasoconstrictie van de afferente arteriool
• RPF hangt af van graad van vasoconstrictie (bij afferente en efferente arteriool!): toename
van weerstand = afname van RPF
• Verhoogde weerstand in afferente arteriool = afname P(GC)
=> Afname RPF + afname P(GC) = daling van GFR




Vasoconstrictie van de efferente arteriool
• RPF hangt af van weerstand: toename weerstand = afname RPF
• Verhoogde weerstand in efferente arteriool = toename P(GC) = grotere filtratie over GBM
—> Bij verdere toename weerstand zal GFR weer afnemen door bereiken van filtratie-evenwicht
(RPF te laag om stijging oncotische druk te compenseren) —> effect heeft dus bimodaal verloop
• FF is hoog!
Vertaling in de klinische praktijk
1) Hemodynamiek bij een unieke nier
• Na wegname van nier: vasodilatatie van afferente arteriolen in ‘remnant kidney’ door vrijzetting van prostaglandines
—> Hierdoor kan de totale GFR stabiel blijven (opletten met NSAIDs die prostaglandines remmen —> GFR zal dalen)
2) Laag hartdebiet bij hartfalen
• Normaal is bloedvoorziening hoog —> bij hartfalen minder debiet en minder bloed naar nier —> lichaam compenseert dmv
constrictie van efferente arteriool (opletten met ACE inhibitoren die dit inhiberen)
De peritubulaire capillairen
• Glomerulaire kluwen van oppervlakkige nefronen —> peritubulaire capillaire netwerk
juxtamedullaire nefronen —> vasa recta (bevloeiing medulla)
• Bloedvoorziening in medulla beperkt tot 10% van RBF om osmolaliteit in medullaire interstitium niet uit te wassen
—> Bloed wel nodig voor zuurstof en nutriënten voor epitheelcellen EN om water/heropgenomen stoffen uit interstitium terug af te voeren
• Starling krachten ook aanwezig in peritubulaire capillairen (steeds reabsorptie over hele lengte):
—> P(PC) is erg laag (20 mmHg) door het sterke drukverval over afferente en efferente arteriool
—> π(PC) is erg hoog (35 mmHg) door de hoge filtratie over het glomerulaire capillair
=> Dit zorgt voor een netto absorptie over de hele lengte

• RPF en GFR hebben ook effect: toename van
circulerend volume zorgt voor toename van RPF en
GFR en afname FF en π(PC)
• Lagere weerstand over efferente arteriool zorgt hogere
P(PC) —> hoge P(PC) + lage π(PC) = minder
heropname van vocht in peritubulaire capillairen
—> Nuttig: hoog circulerend volume hersteld door minder
reabsorptie (zie ook H7)

,De renale autoregulatie
Mechanisme
• RBF w constant gehouden binnen 80-170 mmHg systemische systolische bloeddruk —> door
aanpassen weerstand afferente arteriool ifv de systemische BD (2 mechanismen)
1) De myogene respons
• Toename van druk/stretch —> activatie stress-geactiveerd kation kanaal in gladde spiercel —>
depolarisatie gladde spiercel —> stijging Ca2+ IC —> contractie
PODCAST
2) De TGF via het JGA
• JGA uit 3 componenten: macula densa (tubulaire cellen op overgang LvH naar DCT),
extraglomerulaire mesangiale cellen en de granulaire cellen (van Ruyter) in het afferente bloedvat
—> Cellen van macula densa ‘voelen’ hoeveelheid vocht en NaCl op het einde van LvH via de NKCC2 cotransporter —> te hoge flow en te
veel NaCl thv macula densa —> vasoconstrictie van afferente arteriool en daling glomerulaire filtratie
De gevoeligheid van de TGF
• Lage sensitiviteit: RPF en GFR nemen minder af ondanks detectie van hoge flow/veel NaCl
—> Gevoeligheid daalt door: volume expansie, hogere eiwitinname, ANP, nitric oxide, cAMP en
prostaglandine I2
• Hoge sensitiviteit: RPF en GFR nemen meer af bij een toename in flow/NaCl
—> Gevoeligheid stijgt door: volumecontractie, angiotensine II, adenosine, prostaglandine E2,
thromboxane en HETE

Externe controle van de renale bloedflow en glomerulaire filtratiesnelheid
• 4 verschillende systemen voor homeostase van volume en zout en hierbij een effect uitoefenen op de RPF: RAAS, sympathisch
zenuwstelsel, AVP/ADH en ANP
—> Andere vasoactieve agentia met effect op RPF: epinefrine, dopamine, endotheline, prostaglandines, leukotriën en NO
Renine-angiotensine-aldosterone systeem (RAAS)
• Renine (proteolytisch enzyme) w gevormd en gesecreteerd door juxtaglomerulaire cellen rond de afferente arteriool
• Reninesecretie gecontroleerd door verschillende factoren:
—> Minder renale perfusie = minder uitrekking juxtaglomerulaire cellen = meer renine secretie (baroreceptor effect)
—> Detectie van Na en Cl load door macula densa cellen die fungeren als chemoreceptoren (vb bij minder glomerulaire filtratie)
—> Sympatische stimulatie a afferens (houdingsverandering)
• Renine en ACE activiteit produceren angiotensine II —> stimuleert vorming en vrijzetting van aldosterone (in granulosa cellen)
• Angiotensine II meeste effect op RPF en GFR:
1) Constrictie van a renalis en arteriolen (efferente > afferente) —> meer uitgesproken daling van RPF dan van de GFR
2) Contractie van mesangiale cellen —> Kf daalt door effect op Sf (filtratieoppervlak) —> daling GFR
GIC
3) Verhoogde sensitiviteit TGF systeem —> meer uitgesproken daling GFR
4) Daling van bloedflow in medulla —> toename concentrerend vermogen nier
Het sympathisch zenuwstelsel
• Activatie zorgt voor constrictie afferente en efferente arteriool —> daling RPF en GFR
—> Activatie zorgt ook voor vrijzetting renine uit granulaire cellen
GIC

, Arginine vasopressine of antidiuretisch hormoon
• Relatief weinig invloed op RPF en GFR, wel op bloedflow in medulla (voor behouden hyperosmolaliteit van medullaire interstitium)
• Bij uitgesproken hypovolemie —> systemische vasoconstrictie
Het atriaal natriuretisch peptide
• Zorgt voor vasodilatatie van afferente en efferente arteriool —> toename RPF en GFR GIC
• Vermindert gevoeligheid TGF en inhibeert vrijzetting renine

H3 Transport van natrium en chloor
Mechanismen van tubulair transport

• Na glomerulaire filtratie vaak tubulair transport: reabsorptie doorheen tubulair epitheel naar bloed of vanuit bloed naar lumen van tubulus
• Epitheel van tubuli: cellaag met een apicaal en basolateraal membraan (gescheiden door tight junctions)
• Transcellulair transport = transport doorheen cellen —> stoffen door beide celmembranen en cytosol
—> Passief met elektrochemische gradiënt mee: diffusie (door fosfolipidelaag of via kanalen voor ionen en water)
en gefaciliteerd transport via dragermoleculen (uniporters, antiporters en cotransport)
—> Actief tegen elektrochemische gradiënt in: primair actief transport (ATPasen) of secundair actief transport
(gekoppeld aan passieve gradiënt)
• Paracellulair transport = molecule beweegt tussen epitheelcellen door tight junctions
—> Altijd passief met een elektrochemische gradiënt mee of door ‘solvent drag’ (de in water aanwezige
moleculen bewegen mee met water)
Transport van natrium
• Na en Cl zijn de voornaamste osmolen in het EC vocht: bepalen door hun osmotische
activiteit distributie van water in het lichaam
—> Ook in niertubuli zal water vaak Na en Cl volgen
• Dagelijks 10-12g NaCl opname via de voeding —> MEER dan aanbevolen 5-6g per
dag
• Meeste zout w opgenomen in EC milieu (ook kleine hoeveelheid uitgescheiden via
stoelgang)
—> Vanuit EC milieu kunnen we het verliezen via zweet (beperkt) en via nieren
• Door grote GFR w dagelijks 1.5 kg NaCl gefilterd thv glomeruli —> groot deel
gereabsorbeerd thv tubuli (balans bewaard)
• Grootste reabsorptie in PT (67%) en TAL (25%), overige delen dragen minder bij
—> Reabsorptie in PT gebeurt iso-osmotisch: het gereabsorbeerde vocht heeft dezelfde
osmolaliteit als het vocht dat in de tubulus blijft (is hier ook gelijk aan de plasma osmolaliteit)
—> Reabsorptie in TAL gebeurt hypertoon: het gereabsorbeerde vocht heeft een hogere osmolaliteit dan het plasma en het vocht dat achterblijft
in de tubulus heeft een lagere osmolaliteit dan het plasma
Algemene principe van natrium transport
• Transcellulair passief en actief: negatieve membraanpotentiaal trekt Na aan (passief) en concentratie IC blijft laag door pomp (passief)
—> Apicaal: type transporter verschillend per nefrondeel, basolateraal: actief transport met Na/K ATPase
• Paracellulair: Na transport volgt de elektrochemische gradient of solvent drag
—> ! Paracellulaire doorlaatbaarheid neemt af van proximaal naar distaal !

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
iezalynne Katholieke Universiteit Leuven
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
12
Member since
4 months
Number of followers
3
Documents
13
Last sold
2 weeks ago
Student geneeskunde NIEUWE CURRICULUM

Ik zit momenteel in de 3e fase van de bachelor geneeskunde (nieuw curriculum) en maak elke examenperiode samenvattingen in dezelfde stijl.

4.0

2 reviews

5
0
4
2
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions