GOEDERENRECHT - INHOUDSTAFEL
, Goederenrecht
Voorwoord
Examen
= volledig schriftelijk; alles open vragen
17 punten
4 leesteksten op ufora
Niet op schrijven; wel onderlijnen
Wordt gevraagd op het examen: begrijpend lezen vraag &
persoonlijk standpunt over tekst
3 punten
Inleiding
1. wettelijk kader
2. numerus-clausus-beginsel
geen oneindig aantal zakelijke rechten
- Rechtssubjecten zelf mogen geen bijkomende zakelijke rechten
creëren in contracten
wordt door de wetgever vastgelegd in wetboek
- Vanwaar komt dit beginsel?
Franse revolutie
o In feodaal recht = veel afhankelijkheden van een baas
o Baas kon rechten creëren maar plakte hier ook extra lasten aan
die hij zelf uitvond
wouden ze niet meer
- 2 rode draden in goederenrecht na Franse revolutie:
o Willen niet opnieuw feodale lasten invoeren
o Willen niet meer dat zakelijke gebruiksrechten eeuwigdurend
kunnen afgesplitst worden van het eigendomsrecht
verschillend van Angelsaksische landen: daar wel eeuwigdurend;
vaak gronden niet in handen van de burger zelf
- Invoering van boek 3 (2021): toch terug stapje naar eeuwigdurend
3. enkele begrippen
= goederenrecht = onderdeel van vermogensrecht
- Vermogensrecht = recht tot regeling van de patrimoniale subjectieve
rechten
- Patrimoniaal = op geld waardeerbare zaken
= 3 soorten patrimoniale subjectieve rechten :
o Zakelijke rechten
o Vorderingsrechten
o Intellectuele rechten
3.1 vorderingsrechten (verbintenissenrecht)
1
GOEDERENRECHT
,- Bieden een rechtssubject een recht op een prestatie van een ander
rechtssubject
- Dus : gaat over rechtsverhoudingen tussen rechtssubjecten
relatie tussen 2 rechtssubjecten
- Prestatie (4) = iets doen, iets niet doen (iets laten), iets geven of iets
garanderen
3.2 intellectuele rechten
- Geven de titularis een tijdelijk en exclusief exploitatierecht op een
originele creatie van de menselijke geest
3.3 zakelijke rechten
- Geven een rechtssubject een rechtstreekse zeggenschap (= macht)
over een bepaalde zaak
- Dus : gaat over verhouding mens-zaak (= goed)
- Met variabele draagwijdte in functie van de aard van het zakelijk recht
sommigen veel macht over een goed of minder macht over het goed
- 2 soorten
zie hieronder
a. Zakelijke hoofdrechten
- Meest volkomen zakelijk recht = eigendomsrecht
- Mede-eigendom = variant van eigendomsrecht
- Zakelijke rechten met minder omvangrijke zeggenschap op de zaak =
zakelijke gebruiksrechten (art. 3.3, lid 3 BW)
nl. erfdienstbaarheden, vruchtgebruik, erfpacht en opstalrecht
b. Bijkomende zakelijke rechten
= zakelijke zekerheden (art. 3.3, lid 4 BW)
- Zijn een accessorium (bijzaak) van een schuldvordering
- Ze waarborgen deze schuldvordering nl. bijzondere voorrechten, pand,
hypotheek, en retentierecht
garanderen de naleving van schuldvordering
4. de modernisering van het goederenrecht
2
GOEDERENRECHT
,- Burgerlijk Wetboek van 1804 gericht op een agrarische samenleving
(= landelijk)
= nog voor de industriele revolutie
- Nauwelijks gewijzigd tot recente hervorming
- Met ingang van 1 september 2021: inwerkingtreding van Boek 3 van
het (nieuw) Burgerlijk Wetboek, begrepen in de wet van 4 februari
2020 (BS 17 maart 2020)
verleden werkt wel nog door want wat voor 1 sept 2021 werd
geregeld = wel nog steeds oude wetgeving
MAAR: nieuwe wetgeving codificatie van rechtsleer &
rechtspraak; werd wel al een deel geimplementeerd
5. belang van het goederenrecht
- Goede juridische regeling van de toekenning van zakelijke rechten
belangrijk voor de welvaart van de bevolking
botsten op ongelijkheid = hoe meer ongelijkheid, hoe meer kans op
revolutie
= door revolutie andere maatschappij door oa andere regeling van
goederen t.o.v. de mens
- (eigendomsrecht = grondrecht (art. 16 Gw.)
- Cruciaal = publiciteitssysteem
- Want: snel en met zekerheid weten wie welk vermogen heeft, is nuttig
voor de medecontractant en voor de overheid
6. zaak – voorwerp – goed – vrucht – opbrengsten –
vermogen
6.1 zaak
- Zaak (algemeen): al wat bestaat, met uitzondering van de mens
erg ruim begrip MAAR juridische begrip = enger goederen
6.2 goed
- Goederen: alle voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening met
inbegrip van de vermogensrechten (art. 3.41 BW)
engere betekenis dan zaak
6.3 voorwerp
- Voorwerp: wat geen persoon en geen dier is, ongeacht of het voorwerp
natuurlijk of kunstmatig, lichamelijk of onlichamelijk is (art. 3.38 BW)
sinds nieuwe boek 3 is er een verschil met dieren & voorwerpen
- Lichamelijke voorwerpen: voorwerpen die zintuiglijk kunnen
waargenomen worden en worden gemeten middels een
momentopname (art. 3.40 BW)
onlichamelijk voldoet niet aan deze definitie
Bv1. gas, elektriciteit: lichamelijk waarneembaar
Bv2. Vordering van de bank: onlichamelijk waarneembaar
- Dieren: hebben een gevoelsvermogen & biologische noden (art. 3.39 &
3.42, lid 3 BW)
wel nog steeds regels van goederen van toepassing
3
GOEDERENRECHT
,6.4 vrucht (art. 3.42, lid 1 & 2 BW)
- Vruchten: datgene wat een goed periodiek voortbrengt zonder dat dit
de substantie van het goed wijzigt, ongeacht of dit uit zichzelf gebeurt
(bv. appel) of als gevolg van de valorisatie ervan (bv. huurgelden; hier
moet je iets voor doen, iemand anders betaalt)
Vruchten ≠ opbrengsten
6.5 opbrengsten
- Opbrengsten: datgene wat een goed opbrengt maar waardoor de
waarde van het goed onmiddellijk of geleidelijk wordt verminderd
6.6 vermogen
- Vermogen: juridische algemeenheid die het geheel van de bestaande
en toekomstige goederen (baten) en verbintenissen (lasten) omvat (=
alles wat je ooit zult hebben) (art. 3.35, lid 1 BW)
Belangrijk in het erfrecht en het verbintenissenrecht
o Modern recht: principe van eenheid van het vermogen (=
iedereen (ieder rechtssubject) heeft in principe maar 1
vermogen)
Alle rechten & plichten, goederen nu & voor in de toekomst
Als je een schuld hebt, dan kan de schuldeiser zich richten
tot je gehele vermogen
Vermogen = dynamisch
Voor erfrecht ook van belang want gehele vermogen gaat
over (ook schulden)(art. 4.41 ev BW)
= schulden van de erflater zal je moeten betalen met je
eigen vermogen
Reden van 3 mogelijkheden
erver willen beschermen
o Verwerping van het nalatenschap (art. 4.44 ev
BW)
o Aanvaarding onder voorrecht van
boedelbeschrijving (art. 4.49 ev BW)
als je niet weet of vermogen van de overledene
positief of negatief zal zijn
Verklaring bij de notaris
Vermogen wordt afgescheiden
je houdt tijdelijk een apart vermogen
van de overledende en nog steeds je eigen
vermogen
= belangen van de schuldeisers
worden beschermt
Alle goederen zullen onder toezicht van de
rechter verkocht worden
vaak in openbare verkoop
o Zuivere aanvaarding
4
GOEDERENRECHT
, o MAAR = uitzondering op dit principe: kwaliteitsrekening (art.
3.37 BW)
1 persoon heeft 2 vermogens
Wie? Advocaat, notaris & gerechtsdeurwaarder
Hebben derdengelden
gelden die niet van hun zijn; zijn NIET van die mensen
privé
Bv. als advocaat schuld heeft, zal SE zich niet kunnen
beroepen op de derdegelden want is niet van de
advocaat persoonlijk
HOOFDSTUK 1: de leer van de indeling van de
goederen (Titel 2, Boek 3 BW)
= Waarom indelen ?
Omdat goederen in functie van de categorie waartoe ze behoren, een
eigen rechtsstatuut hebben
Basis tot normering
1. de goederen volgens de graad van toe-
eigeningsmogelijkheid
= Belang van de indeling:
doorslaggevend voor de vraag of een goed wel het voorwerp kan
uitmaken van zakelijke rechten (= erg belangrijk)
= Indeling niet expliciet terug te vinden in boek 3; WEL in boek 5
(verbintenissen)
“voorwerp van prestatie moet in de handel zijn”
1.1 Goederen in en buiten de handel
o In de handel : kunnen het voorwerp zijn van vermogensrechten
dus van private toe-eigening en verhandeling tussen de burgers
(art. 5.48 BW)
goederen in het rechtsverkeer
o Buiten de handel : komen in feite wel in aanmerking voor private
toe-eigening en verhandeling maar niet in rechte (art. 5.48 &
3.26 BW)
kan geen voorwerp zijn van een prestatie
Bv. drugs: als je zou legaliseren = wel binnen de handel; nu
buiten de handel
1.2 Gemene (= gemeenschappelijke) voorwerpen (res communes):
o Voorwerpen die aan niemand toebehoren en worden gebruikt in
het algemeen belang, met inbegrip van het belang voor
toekomstige generaties (art. 3.43, lid 2 BW)
Rust een zorgplicht op
Door hun aard niet vatbaar voor toeeigening
5
GOEDERENRECHT
, o Niet vatbaar voor toe-eigening voor hun totaliteit maar wel voor
een deel
wel mogelijk in beperkte mate; bepaalde aspecten wel
mogelijk voor toeeigening
Bv. gas = bevat lucht
1.3 Goederen zonder eigenaar (res nullius) zijn van tweeërlei aard :
o 1/ Ofwel hebben ze nooit een eigenaar gehad maar zijn ze wel
vatbaar voor toe-eigening (art. 3.43, lid 2 BW)
Bv. wild: een haas, een everzwijn etc.
o 2/ Ofwel heeft de eigenaar er afstand van gedaan (res derelictae)
Bv. je vindt in een openbare vuilbak iets = is een goed waarbij
de eigenaar het goed heeft verlaten
mag niet op private domein zijn want dan is het diefstal
o Onderscheiden regeling voor onroerende en roerende goederen
Als onroerende goederen worden verlaten, gaat dit naar de
belgische staat
belgische staat wel bevoegdheid om schadevergoeding te
vragen
Roerende goederen = zie later
1.4 Gevonden goederen
Hoe mee omgaan (art. 3.58 – 3.59 BW)
Goederen kunnen ‘gevonden’ worden wanneer ze:
o verloren goederen zijn (eigenaar is onbekend)
eigenaar heeft er geen afstand van gedaan maar is het geod
verloren
o res nullius zijn
o schatten zijn (werden verborgen en hadden een eigenaar maar
die kan zijn eigendomsrecht niet meer aantonen)
ook ooit eigenaar gehad maar kan eigendomsrecht niet meer
aantonen
2. de goederen volgens hun gebruik
Vervangbare en niet-vervangbare goederen
o Vervangbaar = onderling verwisselbaar art. 3.44, lid 1 BW
Criterium = de wil van de partijen zelf
Dus niet : een intrinsiek kenmerk van de goederen
o Belang onderscheid vervangbaar/niet-vervangbaar
= Ligt in het verbintenissenrecht :
Kwijting van de schuld kan door het leveren van de
vervangende zaak als het voorwerp een vervangbaar goed is
Schuldvergelijking : enkel mogelijk voor geld en vervangbare
zaken van dezelfde soort art. 5.255 BW
Verbruikbare niet-verbruikbare goederen
Verbruikbare goederen kan men niet gebruiken zonder erover te
beschikken art. 3.44, lid 2 & 3 BW
6
GOEDERENRECHT
, o Ze gaan dus verloren (feitelijk of juridisch) bij het eerste gebruik
dat men ervan maakt
Feitelijk: brood eten
Juridisch: geld
o Belang: bruikleen/verbruikleen; vruchtgebruik art. 1874 oud BW
Soortgoederen bepaalde goederen
= Genera species
o Wat?
Soortgoederen (genera) = slechts bepaald naar hun
generieke eigenschappen dus naar hun maat, getal of
gewicht
Bv. kilo bloem, boter
Bepaalde goederen (species) = individueel bepaalde
goederen
Onderscheidend criterium = de aard zelf van de goederen
o Belang onderscheid tussen genera en species
In het goederenrecht : teruggave bij einde vruchtgebruik art.
3.159, lid 2 BW; specialiteitsbeginsel art. 3.8 BW;
vermenging art. 3.12 BW
In het verbintenissenrecht:
Leer van de eigendomsoverdracht (= solo consensu)
art. 5.5, lid 1 jo 5.28 BW
De risicoleer (= vanaf de eigendomsovergang) art. 5.80
BW
voor soortgoederen: eigendom pas over na
individualisering van het goed art. 3.14, §2, lid 3 BW
3. roerende en onroerende goederen
- Belang van de indeling:
o summa divisio van het Burgerlijk Wetboek
o Historische achtergrond: vermenging van een fysiek criterium en
een economisch criterium
ME: economische invalshoek veel meer gewicht aan
hechten aan onroerende goederen (goederen waarvan
rijkdom uitstraalde)
= minder regelen over roerende goederen
BW 1804: veel meer aandacht voor onroerende goederen
systeem beter uitgewerkt
Nu: roerende goederen meer gewicht maar blijft onduidelijk
Bv. aandeel kan meer waard zijn dan 10 huizen
o Kritiek: economisch criterium = achterhaald
BW: art. 3.46 – 3.49
- Belang voor het Belgisch privaatrecht:
verschil in verschillende takken of het goed roerend of onroerend is
o Overdracht van goederen
o Zekerheidsrecht
7
GOEDERENRECHT
, o Beslag
o Bezitsbescherming
o Verjaring
o Schenking
notariele akte
Lichamelijke roerende goederen kunnen worden geschonken
bij bankgift (handgift)
3.1 onroerende goederen
- 4 soorten onroerende goederen :
o Uit hun aard
o Door incorporatie
o Door bestemming
o Door het voorwerp waarop ze betrekking hebben (onlichamelijke
onroerende goederen)
Bv. rechten mbt onlichamelijke goederen
a. Uit hun aard
- Art. 3.47 BW
= grond (= substantieel goed; basisgoed) is ons uitgangspunt
+ de samenstellende volumes die in drie dimensies bepaald zijn (=
volumes boven en onder de grond) art. 3.177 BW
b. Door incorporatie
- Wat? Art. 3.47, lid 2 & 3 BW
o Alle bouwwerken en beplantingen die een inherent
bestanddeel vormen van onroerende goederen uit hun aard,
omdat ze erin geïncorporeerd zijn
Bv. huis
+
o De inherente bestanddelen van de geïncorporeerde bouwwerken
en beplantingen
Bv. bakstenen van een vorig huis dat nog zal gebruikt worden
- Incorporatie = noodzakelijke vereiste
o Maar: zeer ruim op te vatten
HvC: een duurzame en gewoonlijke verbondenheid met de
grond volstaat, ook al gaat het om een beweeglijk voorwerp
Vraag: is rolkraan: geincorporeerd goed? Of roerend goed
geincorporeerd goed
o Speelt geen rol wie verbinding maakte tusen geincorporeerd
goed & vaste grond
- Incorporatie = voldoende vereiste
o Dus: wie de verbinding met de grond maakte (eigenaar of niet)
speelt geen rol!
- Inherente bestanddelen art. 3.8, §2 BW accessoria art. 3.9 BW
o Inherent = noodzakelijk element dat niet afscheidbaar is zonder
afbreuk aan de substantie van het goed
8
GOEDERENRECHT
, goed zodanig verbonden dat als je het wegdoet, je de aard van
het goed verandert
Bv. benzinepomp: zou je kunnen verwijderen zonder het goed
te beschadingen is niet inherent maar wel accessoria
o Accessorium: wel een mate van autonomie
- PLANTEN - VRUCHTEN
o Ook hier: verbondenheid = beslissende factor
o Opgelet: door de wil van de eigenaar is vervroegde
roerendmaking mogelijk
element dat tijdelijk losgemaakt is van het OG, en er terug aan zal worden
verbonden, blijft onroerend art. 3.48, lid 2 BW
c. Door bestemming
- Art. 3.47, lid 4 BW
= de accessoria van een onroerend goed (OG) (art. 3.9 BW)
“Accessorium sequitur principale”: de bijzaak volgt de hoofdzaak
- 2 voorwaarden
1. de goederen hebben dezelfde eigenaar
2. duurzaam verbonden met het onroerend goed, of ten dienste van
de uitbating of bewaring van het onroerend goed
Waarom ? Art. 1615 oud BW; art. 45, 2 Hyp.W.
d. Door het voorwerp waarop ze betrekking hebben (onlichamelijke
onroerende goederen)
- Beetje raar: onlichamelijke goederen (rechten) zijn niet roerend of
onroerend
- Criterium van onderscheid = voorwerp waarop het recht betrekking
heeft, nl. een onroerend goed art. 3.49 BW
= zakelijke rechten en rechtsvorderingen zoals de bezitsvordering
Zijn dus onroerend door het voorwerp waarop ze betrekking hebben
d1. onroerende zakelijke rechten
- Sommige zijn enkel onroerend omdat ze enkel op een OG betrekking
kunnen hebben
o recht van opstal, erfpachtrecht, erfdienstbaarheid, recht van
bewoning, hypotheek
- Andere zijn onroerend of roerend, naargelang het voorwerp waarop ze
slaan
o eigendom, vruchtgebruik
d2. onroerende schuldvorderingen
- Eerder uitzonderlijk, enkel voor verbintenissen tot geven
- Schuldvorderingen die een ‘doen’ of ‘laten’ tot voorwerp hebben =
roerend
- En dan nog uitzonderlijk, ingevolge ons consensualisme inzake
overdracht van eigendom art. 5.5, lid 1 jo 5.28 BW
9
GOEDERENRECHT