2.1 inleiding
“Why do things look the way they centrale vraag binnen het hoofdstuk
do?” waarneming
2.2 basisnoties van het oog en het visuele brein
input van waaruit visuele waarneming vertrekt
receptoren deeltjes op ons netvlies die licht
opvangen
fovea middelste stukje op netvlies, liggen
meest gevoelige receptoren, ook veel
kegeltjes aanwezig
blinde vlek plaats op ons netvlies waar we niks zien
saccades oogbewegingen
fixatie oog staat stil
smearing uitgeveegd beeld tijdens oogsprong,
omdat je oog dan niet fixeert en dus niet
scherp stelt
saccadische suppressie we onderdrukken die beelden, de info die
binnenkomt wanneer het oog beweegt
=> op dat moment fysiologisch blind
psychofysische benadering van bouwstenen visueel systeem
“outer psychophysics” relatie tussen intensiteit van fysische
prikkels en de intensiteit van de sensatie
“inner psychophysics” relatie tussen intensiteit van de neurale
excitatie en de intensiteit van de
sensatie
drempel (“limen”) grenswaarde tussen stimuli die één soort
respons uitlokken en stimuli die een
ander soort respons uitlokken
absolute drempel (RL) grenswaarde die de overgang markeert
tussen afwezigheid en aanwezigheid van
sensatie
differentiële drempel (DL) kleinste toegevoegde stimulusintensiteit
die toelaat om een verschil waar te
nemen
onderdrempel de minimale stimulusintensiteit (of
signaalsterkte) die nodig is om
waargenomen te worden
Wet van Weber de stimulusintensiteit moet met een
constante fractie van zijn waarde
verhoogd worden om een juist merkbaar
verschil te bekomen
Weber fractie percentage dat bij een intensiteit
(k = ΔI / I) gevoegd moet worden om het kleinst
merkbare verschil te veroorzaken
Wet van Weber-Fechner om de sterkte van de gewaarwording (S)
te laten toenemen als een rekenkundige
reeks (opgeteld met een constante)
moet men de stimulusintensiteit (R)
laten toenemen volgens een
meetkundige reeks (vermenigvuldigd
met een vaste factor)
, signaaldetectietheorie biedt een benadering om te begrijpen
hoe mensen beslissingen nemen over het
detecteren van stimuli wanneer er
onzekerheid is (treffers/missers/vals
alarm/juiste ontkenning)
Gevoeligheid (“sensitivity”) de mate waarin subjecten een
onderscheid kunnen maken tussen
signaal- en gissingsbeurten, uitgedrukt
in d’ = z(H) -z(F)
antwoordtendens (“bias”) de mate waarin een pp geneigd is één
antwoord meer te geven dan het andere,
uitgedrukt in c = -0,5x (z(H) + z(F))
neurofysiologische benadering van bouwstenen visueel systeem
tuning kijken welke cellen voor welke
stimuluskenmerken reageren
“simple cells” klein responsgebied
“complex cells” meer variatie met alsnog respons
het hiërarchische en modulaire visuele brein
retinotopie codering van plaats in het visueel veld,
vooral in de “lage” hersengebieden
modulariteit gespecialiseerde verwerkingsstations om
bepaalde taken uit te voeren =
functionele specialisatie
corticale hiërarchie Netwerk van informatieverwerking van
eerste gebieden naar hogere gebieden
heeft specifieke hiërarchische
kenmerken, in het begin kleine neuronen
(herkennen), hogerop integreren die
meer informatie (betekenis geven)
complexe connectiviteit connecties tussen visuele gebieden,
lopen in 2 richtingen (feedforward (laag
->hoog) & feedback (hoog -> laag))
“low level” registratie van input = stimulatie van
receptoren in netvlies + decodering van
responsen
“mid level” perceptuele groepering + figuur-
achtergrond organisatie +
diepteperceptie + 2D en 3D
vormperceptie
“high level” betekenis geven aan prikkel
feedforward = “bottom-up” (?) info doorgeven van lage hersengebieden
naar hoger gelegen hersengebieden
feedback = “top-down” (?) info doorgeven van hoger gelegen
hersengebieden naar lager gelegen
hersengebieden
re-entrant processing combinatie van “top-down” met “bottom-
up” informatie -> stroom begint naar
boven, maakt een lus terug naar
beneden en neemt informatie weer mee
“Why do things look the way they centrale vraag binnen het hoofdstuk
do?” waarneming
2.2 basisnoties van het oog en het visuele brein
input van waaruit visuele waarneming vertrekt
receptoren deeltjes op ons netvlies die licht
opvangen
fovea middelste stukje op netvlies, liggen
meest gevoelige receptoren, ook veel
kegeltjes aanwezig
blinde vlek plaats op ons netvlies waar we niks zien
saccades oogbewegingen
fixatie oog staat stil
smearing uitgeveegd beeld tijdens oogsprong,
omdat je oog dan niet fixeert en dus niet
scherp stelt
saccadische suppressie we onderdrukken die beelden, de info die
binnenkomt wanneer het oog beweegt
=> op dat moment fysiologisch blind
psychofysische benadering van bouwstenen visueel systeem
“outer psychophysics” relatie tussen intensiteit van fysische
prikkels en de intensiteit van de sensatie
“inner psychophysics” relatie tussen intensiteit van de neurale
excitatie en de intensiteit van de
sensatie
drempel (“limen”) grenswaarde tussen stimuli die één soort
respons uitlokken en stimuli die een
ander soort respons uitlokken
absolute drempel (RL) grenswaarde die de overgang markeert
tussen afwezigheid en aanwezigheid van
sensatie
differentiële drempel (DL) kleinste toegevoegde stimulusintensiteit
die toelaat om een verschil waar te
nemen
onderdrempel de minimale stimulusintensiteit (of
signaalsterkte) die nodig is om
waargenomen te worden
Wet van Weber de stimulusintensiteit moet met een
constante fractie van zijn waarde
verhoogd worden om een juist merkbaar
verschil te bekomen
Weber fractie percentage dat bij een intensiteit
(k = ΔI / I) gevoegd moet worden om het kleinst
merkbare verschil te veroorzaken
Wet van Weber-Fechner om de sterkte van de gewaarwording (S)
te laten toenemen als een rekenkundige
reeks (opgeteld met een constante)
moet men de stimulusintensiteit (R)
laten toenemen volgens een
meetkundige reeks (vermenigvuldigd
met een vaste factor)
, signaaldetectietheorie biedt een benadering om te begrijpen
hoe mensen beslissingen nemen over het
detecteren van stimuli wanneer er
onzekerheid is (treffers/missers/vals
alarm/juiste ontkenning)
Gevoeligheid (“sensitivity”) de mate waarin subjecten een
onderscheid kunnen maken tussen
signaal- en gissingsbeurten, uitgedrukt
in d’ = z(H) -z(F)
antwoordtendens (“bias”) de mate waarin een pp geneigd is één
antwoord meer te geven dan het andere,
uitgedrukt in c = -0,5x (z(H) + z(F))
neurofysiologische benadering van bouwstenen visueel systeem
tuning kijken welke cellen voor welke
stimuluskenmerken reageren
“simple cells” klein responsgebied
“complex cells” meer variatie met alsnog respons
het hiërarchische en modulaire visuele brein
retinotopie codering van plaats in het visueel veld,
vooral in de “lage” hersengebieden
modulariteit gespecialiseerde verwerkingsstations om
bepaalde taken uit te voeren =
functionele specialisatie
corticale hiërarchie Netwerk van informatieverwerking van
eerste gebieden naar hogere gebieden
heeft specifieke hiërarchische
kenmerken, in het begin kleine neuronen
(herkennen), hogerop integreren die
meer informatie (betekenis geven)
complexe connectiviteit connecties tussen visuele gebieden,
lopen in 2 richtingen (feedforward (laag
->hoog) & feedback (hoog -> laag))
“low level” registratie van input = stimulatie van
receptoren in netvlies + decodering van
responsen
“mid level” perceptuele groepering + figuur-
achtergrond organisatie +
diepteperceptie + 2D en 3D
vormperceptie
“high level” betekenis geven aan prikkel
feedforward = “bottom-up” (?) info doorgeven van lage hersengebieden
naar hoger gelegen hersengebieden
feedback = “top-down” (?) info doorgeven van hoger gelegen
hersengebieden naar lager gelegen
hersengebieden
re-entrant processing combinatie van “top-down” met “bottom-
up” informatie -> stroom begint naar
boven, maakt een lus terug naar
beneden en neemt informatie weer mee