Inleiding
De verwondering als belangrijk element voor de filosofie:
De filosofie gaat uit van het besef dat de wereld niet is wat ze lijkt.
Moment van vervreemding:
o Het gewone wordt als vreemd gezien.
o Het gegevene wordt ter discussie gesteld.
=> De mens heeft capaciteit om:
Afstand te nemen van de onmiddellijke situatie.
Het vanzelfsprekende op zijn geldigheid te onderzoeken.
Wat komt in aanmerking om voorwerp van verwondering te zijn? ALLES
“Alleen wat vanzelfsprekend is, wordt niet overdacht” -> iets dat
vanzelfsprekend is, staat boven alle verwondering.
MAAR loopt ook risico dat ooit iemand het als verwonderlijk zal ervaren.
1. Plato’s grot
= een allegorie = het verhaal heeft een diepere betekenis.
o Plato’s punt: de “schaduwen” zijn niet de echte werkelijkheid, de
buitenwereld (buiten de grot) is de ware realiteit
o Plato legt de nadruk op geweld. De mensen die gevangen zitten willen
niet bevrijd worden (ze willen in hun eigen geloof blijven leven) voor
hen zijn de schaduwen de werkelijkheid. Gaandeweg zegt Plato dat de
schaduw van de schaduw de echte werkelijkheid is. (Buiten de grot)
Plato: alle filosofie vertrekt vanuit de verwondering 1 verwondering =
alles
o Bv. Je reist naar een ver land en daar doen ze zaken op een andere
manier wat voor jou eenvoudig werd verklaard
De gevangene die bevrijd werd overkomt iets PASSIEF (u gaat anders
naar de wereld kijken)
o Filosofie overkomt u zaken zoals trauma, iemand te verliezen is
PASSIEF (u gaat anders naar de wereld kijken)
o Filosofie is een moment van betekenisverlies
Filosofie gaat dat betekenisverlies proberen cultiveren: het in vraag
stellen ACTIEF
Ontstaansgrond van de wijsbegeerte: hoe komt het dat iem. aan filosofie begint?
Filosoof (degene die de verwondering ten einde toedenkt) gaat de wereld in de
hoogste mate erkennen, ‘wereld’ laten zijn, door haar niet te snel tot evidenties
en rustgevende vanzelfsprekendheden te herleiden.
Reactie wetenschapper: de verwondering is toch niet een privilegie v/d filosofie?
De wetenschappers: verwondering zekerheid
Dichters: verwondering verwondering constateren
Religie: verwondering verwondering kan je vinden/zoeken
Enkel bij de filosofie is verwondering het begin en beginsel.
Alles in de filosofie komt in aanmerking om een voorwerp te zijn van die
verwondering Žižek: filosofie is niet afgebakend, het is heel breed
1
Verwondering = Wat vanzelfsprekend lijkt, wordt bevreemd
, Mensen worden niet geboren in de realiteit (REAL), je wordt geboren in
een symbolische orde (SYMBOLIC)
Voor je in deze wereld kwam had je een naam, waren er landen, was er
een economie … de wereld is al geordend door anderen
Er zullen momenten zijn dat je de werkelijkheid ontdekt, wanneer je iets
ernstig meemaakt of wanneer je glimlacht
o Vb. glimlachen behoort tot de symbolische orde (SYMBOLIC),
schaterlachen is een moment van betekenisverlies (REAL)
Wereld is eigenlijk een construct!
Vervreemding en theoretische reflectie
Wereld is een vooraf geordende structuur = tweede natuur (voorwerp
voor kritische reflectie)
Filosofie speelt zich af tussen het actief vervreemden van wat normaal
lijkt en het passief aanvaarden/aannemen van wat vanzelfsprekend is. Het
bewust kijken naar de evidente dingen is de kern van filosofische
reflectie.19de eeuw: de wetenschap is ook maar een constructie
Besluit: Wat wij werkelijkheid noemen is niet de meest fundamentele laag. We
hebben een laag aangelegd, maar vergeten dat het een constructie is (de tweede
natuur).
De blik van het kind (Nietzsche):
Kindjes spelen met lego en bouwen een toren, en gaat deze even graag
over werpen. Een volwassene bouwt een toren met lego en zet het op zijn
kast.
Volwassenen vergeten dat het een bouwsel is en beschermen het
Mens moet drie fases doormaken
1. Mens is geboren als kameel: lastdieren, gebukt onder toeristen zo
worden we geboren
2. Mens wordt een leeuw: het brult, maar het creëert niet
3. Mens wordt een kind: het kind kan scheppen, creëren en er afstand
van nemen (lego)
Symbolische orde (Husserl): We worden niet in de werkelijkheid geboren, maar
in een vooraf bepaalde symbolische structuur (taal, gender, namen).
2. Filosofie en ideologie
Filosofie = wetenschap met een bepaalde techniciteit (= bepaalde manier van
spreken / denken)
de constructies steunen op argumenten. De argumentatie is erg belangrijk +
je stelling poneren
het stelt zich open, maakt zich kwetsbaar dus de verwondering kan
verdergaan (alleen waar de verworven inzichten altijd opnieuw worden
aangevochten, kan sprake zijn van filosofie)
Ideologie = een theorie die niet aangevallen mag worden. Het bevat definitieve
zekerheden en is conservatief (verandering wordt afgewezen)
Indruk dat filosofie nooit tot definitieve resultaten kan bekomen. Toch zijn
er resultaten geboekt. Er is onmiskenbaar een voortdurende verfijning
van het denken aan de gang.
, 3. De historiciteit van de filosofie
De filosofie is afhankelijk van de historische context waarin ze gesteld wordt. De
vragen zijn dus afhankelijk van de periode en de plaats waarin ze gesteld
worden (in de 6de eeuw hadden ze andere vragen dan wij nu hebben) -> vragen
zijn afhankelijk van hun spatio-temporele context.
Natuurlijk ook de antwoorden: altijd een ander antwoord.
Overtuigend model: om een filosofische theorie te begrijpen heb ik nood aan een
historische context. Je kan het maar begrijpen in de tijd dat het tot stand is
gekomen.
Probleem: de interpretatie verschilt telkens. Het object blijft wel hetzelfde, de
context ook geen zware veranderingen. Hoe kan ik dan verklaren dat de
interpretatie verschilt? -> ook degene die interpreteert (het subject) is
historisch bepaalt. Je kan moeilijk als mens zeggen dat alles in de werkelijkheid
en historisch is in de tijd staat en er zelf buitenstaan. Onze interpretatie is een
getuigenis van onze tijdsgeest.
afstand doen van de gedachte dat er 1 duidelijke betekenis is. Betekenis gaat
samen in het samensmelten van heden en verleden
4. Een filosofische Canon?
Wereldbeelden
= Set van bewusten, onbewusten, assumpties,.. die wij hanteren (waar wij ook
niet buiten kunnen) en waarmee wij de werkelijkheid als werkelijkheid zien.
je komt daarin terecht maar hebt het zelf niet gekozen, worden voor ons
gekozen (je bent daarin groot geworden) + slechts gedeeltelijk expliciteerbaar
veranderlijk door: revoluties, avant-garde, breuken.
Opmerkelijk: die interpretatie kan pas achteraf -> het is dus een reconstructie
Filosofie kan ook conservatief zijn. (conservare = bewaren)
Canon
= richtsnoer, maatstaf (iets waarmee je meet)
Filosofische canon is ook historisch bepaald. Er zit een historische keuze
achter
Gevaar: filosofen spreken elkaar constant tegen. Wat Kant zegt valt niet te
rijmen met wat Hegel zegt,…. Er is geen één standpunt.
kritiek is dus een erg belangrijk gegeven hierbij -> je moet he dus wel
kennen want kritiek is maar mogelijk wanneer je weet waarover je kritiek
geeft.
Kritiek op 2 manieren:
- Inhoudelijk -> op grond van wat de filosofen zeggen - je kan perfect
zeggen dat we het nu in onze tijd afkeuren (vb. als aristoteles vrouwen
minderwaardig vindt en slavernij als iets volstrekt normaal beschouw,
kunnen we niet anders dan die aspecten van zijn filosofie tegenspreken
of afwijzen, ook als ze in Aristoteles’ tijd geen wenkbrouwen deden
fronsen)
- Formeel -> op grond van wie die filosofen zijn (de onmiskenbaar
eenzijdige samenstelling van de canon, die op het eerste gezicht enkel
bestaat uit witte mannen)
Het verleden hoeft niet afgewezen te worden
, Deel 1: de lotgevallen van de filosofische rationaliteit
Hoofdstuk 1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon
1. Het ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
Ontstaan Europese wijsbegeerte: 6de eeuw voor Christus (in het Griekse
cultuurgebied)
ontdekking rede (= logos) als nieuw verklaringsprincipe (mythos logos)
Eeuwen voorafgaand: Griekse cultuur (zoals veel oude culturen) gebaseerd op
oeroude tradities, gefundeerd aan de hand van verhalen (myhten) die antwoord
bieden op allerlei vragen (vb. verhaal m de seizoenen te verklaren)
Mythe: verwijst naar eenmalige, grondleggende gebeurtenis die ergens in
het duistere verleden, of buiten de tijd, plaatsvond. -> Bestaande wordt
afgeleid van deze gebeurtenis
o Oorzaken in deze verhaaltraditie: geen persoonlijke krachten maar
meestal goden of halfgoden die door hun doen en laten de gang van
zaken bepalen.
o Alles gebracht door goddelijke figuren/wilsbeschikkingen
o Lotgevallen van de wereld zijn effect van:
Seksuele relatie tussen goden
Onderlinge machtsstrijden
Hun grillen
Andere contingente (= een toekomstige gebeurtenis of
omstandigheid die mogelijk is maar niet met zekerheid kan
worden voorspeld) motieven
o Het Griekse mythische wereldbeeld werd Vastgelegd door dichters
als Homerus (8ste E v.Chr.) en Hesiodus (7de E v.Chr.)
Hesiodus zijn Theogonie: beschrijft het ontstaan van de goden
en legt bij hun onderlinge relaties vast
o Verklarende waarde: het gaat er in de mythe precies om uit te
leggen hoe het bestaande tot stand is gekomen. (In dei zin deelt
mythe waarheid mee)
o Niet kritisch: trekt de geldigheid van haar verklaringsmethode niet
in twijfel
o Normatief: verklaart niet alleen waarom dingen zijn wat ze zijn,
maar ze geeft ook aan waarom de dingen zo moeten zijn (bestaande
wordt dus bevestigd en bovendien gelegitimeerd)
Logos: de rede/concept/uitleg een rationele verklaring gaat met in de
6e eeuw nastreven
Mythen verklaren niet alleen hoe de dingen zijn, maar ook
waarom ze zo zouden moeten zijn, vaak door verbanden te
leggen tussen gebeurtenissen en seizoensgebonden rituelen
(zoals zes granaatappelpitten die zes maanden herfst en
winter verklaren in het verhaal van Persephone).
Van mythos naar logos
In de 6 de eeuw v.C. doet zich een cultuurschok in Griekenland voor door:
Almaar meer contact met vreemde volkoren door kolonisatie en handel.
Mondelinge cultuur maakt plaats voor schriftelijke cultuur.
o Een standaardversie van Homerus’ werk wordt opgesteld en
gedeponeerd in de bibliotheek.
De verwondering als belangrijk element voor de filosofie:
De filosofie gaat uit van het besef dat de wereld niet is wat ze lijkt.
Moment van vervreemding:
o Het gewone wordt als vreemd gezien.
o Het gegevene wordt ter discussie gesteld.
=> De mens heeft capaciteit om:
Afstand te nemen van de onmiddellijke situatie.
Het vanzelfsprekende op zijn geldigheid te onderzoeken.
Wat komt in aanmerking om voorwerp van verwondering te zijn? ALLES
“Alleen wat vanzelfsprekend is, wordt niet overdacht” -> iets dat
vanzelfsprekend is, staat boven alle verwondering.
MAAR loopt ook risico dat ooit iemand het als verwonderlijk zal ervaren.
1. Plato’s grot
= een allegorie = het verhaal heeft een diepere betekenis.
o Plato’s punt: de “schaduwen” zijn niet de echte werkelijkheid, de
buitenwereld (buiten de grot) is de ware realiteit
o Plato legt de nadruk op geweld. De mensen die gevangen zitten willen
niet bevrijd worden (ze willen in hun eigen geloof blijven leven) voor
hen zijn de schaduwen de werkelijkheid. Gaandeweg zegt Plato dat de
schaduw van de schaduw de echte werkelijkheid is. (Buiten de grot)
Plato: alle filosofie vertrekt vanuit de verwondering 1 verwondering =
alles
o Bv. Je reist naar een ver land en daar doen ze zaken op een andere
manier wat voor jou eenvoudig werd verklaard
De gevangene die bevrijd werd overkomt iets PASSIEF (u gaat anders
naar de wereld kijken)
o Filosofie overkomt u zaken zoals trauma, iemand te verliezen is
PASSIEF (u gaat anders naar de wereld kijken)
o Filosofie is een moment van betekenisverlies
Filosofie gaat dat betekenisverlies proberen cultiveren: het in vraag
stellen ACTIEF
Ontstaansgrond van de wijsbegeerte: hoe komt het dat iem. aan filosofie begint?
Filosoof (degene die de verwondering ten einde toedenkt) gaat de wereld in de
hoogste mate erkennen, ‘wereld’ laten zijn, door haar niet te snel tot evidenties
en rustgevende vanzelfsprekendheden te herleiden.
Reactie wetenschapper: de verwondering is toch niet een privilegie v/d filosofie?
De wetenschappers: verwondering zekerheid
Dichters: verwondering verwondering constateren
Religie: verwondering verwondering kan je vinden/zoeken
Enkel bij de filosofie is verwondering het begin en beginsel.
Alles in de filosofie komt in aanmerking om een voorwerp te zijn van die
verwondering Žižek: filosofie is niet afgebakend, het is heel breed
1
Verwondering = Wat vanzelfsprekend lijkt, wordt bevreemd
, Mensen worden niet geboren in de realiteit (REAL), je wordt geboren in
een symbolische orde (SYMBOLIC)
Voor je in deze wereld kwam had je een naam, waren er landen, was er
een economie … de wereld is al geordend door anderen
Er zullen momenten zijn dat je de werkelijkheid ontdekt, wanneer je iets
ernstig meemaakt of wanneer je glimlacht
o Vb. glimlachen behoort tot de symbolische orde (SYMBOLIC),
schaterlachen is een moment van betekenisverlies (REAL)
Wereld is eigenlijk een construct!
Vervreemding en theoretische reflectie
Wereld is een vooraf geordende structuur = tweede natuur (voorwerp
voor kritische reflectie)
Filosofie speelt zich af tussen het actief vervreemden van wat normaal
lijkt en het passief aanvaarden/aannemen van wat vanzelfsprekend is. Het
bewust kijken naar de evidente dingen is de kern van filosofische
reflectie.19de eeuw: de wetenschap is ook maar een constructie
Besluit: Wat wij werkelijkheid noemen is niet de meest fundamentele laag. We
hebben een laag aangelegd, maar vergeten dat het een constructie is (de tweede
natuur).
De blik van het kind (Nietzsche):
Kindjes spelen met lego en bouwen een toren, en gaat deze even graag
over werpen. Een volwassene bouwt een toren met lego en zet het op zijn
kast.
Volwassenen vergeten dat het een bouwsel is en beschermen het
Mens moet drie fases doormaken
1. Mens is geboren als kameel: lastdieren, gebukt onder toeristen zo
worden we geboren
2. Mens wordt een leeuw: het brult, maar het creëert niet
3. Mens wordt een kind: het kind kan scheppen, creëren en er afstand
van nemen (lego)
Symbolische orde (Husserl): We worden niet in de werkelijkheid geboren, maar
in een vooraf bepaalde symbolische structuur (taal, gender, namen).
2. Filosofie en ideologie
Filosofie = wetenschap met een bepaalde techniciteit (= bepaalde manier van
spreken / denken)
de constructies steunen op argumenten. De argumentatie is erg belangrijk +
je stelling poneren
het stelt zich open, maakt zich kwetsbaar dus de verwondering kan
verdergaan (alleen waar de verworven inzichten altijd opnieuw worden
aangevochten, kan sprake zijn van filosofie)
Ideologie = een theorie die niet aangevallen mag worden. Het bevat definitieve
zekerheden en is conservatief (verandering wordt afgewezen)
Indruk dat filosofie nooit tot definitieve resultaten kan bekomen. Toch zijn
er resultaten geboekt. Er is onmiskenbaar een voortdurende verfijning
van het denken aan de gang.
, 3. De historiciteit van de filosofie
De filosofie is afhankelijk van de historische context waarin ze gesteld wordt. De
vragen zijn dus afhankelijk van de periode en de plaats waarin ze gesteld
worden (in de 6de eeuw hadden ze andere vragen dan wij nu hebben) -> vragen
zijn afhankelijk van hun spatio-temporele context.
Natuurlijk ook de antwoorden: altijd een ander antwoord.
Overtuigend model: om een filosofische theorie te begrijpen heb ik nood aan een
historische context. Je kan het maar begrijpen in de tijd dat het tot stand is
gekomen.
Probleem: de interpretatie verschilt telkens. Het object blijft wel hetzelfde, de
context ook geen zware veranderingen. Hoe kan ik dan verklaren dat de
interpretatie verschilt? -> ook degene die interpreteert (het subject) is
historisch bepaalt. Je kan moeilijk als mens zeggen dat alles in de werkelijkheid
en historisch is in de tijd staat en er zelf buitenstaan. Onze interpretatie is een
getuigenis van onze tijdsgeest.
afstand doen van de gedachte dat er 1 duidelijke betekenis is. Betekenis gaat
samen in het samensmelten van heden en verleden
4. Een filosofische Canon?
Wereldbeelden
= Set van bewusten, onbewusten, assumpties,.. die wij hanteren (waar wij ook
niet buiten kunnen) en waarmee wij de werkelijkheid als werkelijkheid zien.
je komt daarin terecht maar hebt het zelf niet gekozen, worden voor ons
gekozen (je bent daarin groot geworden) + slechts gedeeltelijk expliciteerbaar
veranderlijk door: revoluties, avant-garde, breuken.
Opmerkelijk: die interpretatie kan pas achteraf -> het is dus een reconstructie
Filosofie kan ook conservatief zijn. (conservare = bewaren)
Canon
= richtsnoer, maatstaf (iets waarmee je meet)
Filosofische canon is ook historisch bepaald. Er zit een historische keuze
achter
Gevaar: filosofen spreken elkaar constant tegen. Wat Kant zegt valt niet te
rijmen met wat Hegel zegt,…. Er is geen één standpunt.
kritiek is dus een erg belangrijk gegeven hierbij -> je moet he dus wel
kennen want kritiek is maar mogelijk wanneer je weet waarover je kritiek
geeft.
Kritiek op 2 manieren:
- Inhoudelijk -> op grond van wat de filosofen zeggen - je kan perfect
zeggen dat we het nu in onze tijd afkeuren (vb. als aristoteles vrouwen
minderwaardig vindt en slavernij als iets volstrekt normaal beschouw,
kunnen we niet anders dan die aspecten van zijn filosofie tegenspreken
of afwijzen, ook als ze in Aristoteles’ tijd geen wenkbrouwen deden
fronsen)
- Formeel -> op grond van wie die filosofen zijn (de onmiskenbaar
eenzijdige samenstelling van de canon, die op het eerste gezicht enkel
bestaat uit witte mannen)
Het verleden hoeft niet afgewezen te worden
, Deel 1: de lotgevallen van de filosofische rationaliteit
Hoofdstuk 1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon
1. Het ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
Ontstaan Europese wijsbegeerte: 6de eeuw voor Christus (in het Griekse
cultuurgebied)
ontdekking rede (= logos) als nieuw verklaringsprincipe (mythos logos)
Eeuwen voorafgaand: Griekse cultuur (zoals veel oude culturen) gebaseerd op
oeroude tradities, gefundeerd aan de hand van verhalen (myhten) die antwoord
bieden op allerlei vragen (vb. verhaal m de seizoenen te verklaren)
Mythe: verwijst naar eenmalige, grondleggende gebeurtenis die ergens in
het duistere verleden, of buiten de tijd, plaatsvond. -> Bestaande wordt
afgeleid van deze gebeurtenis
o Oorzaken in deze verhaaltraditie: geen persoonlijke krachten maar
meestal goden of halfgoden die door hun doen en laten de gang van
zaken bepalen.
o Alles gebracht door goddelijke figuren/wilsbeschikkingen
o Lotgevallen van de wereld zijn effect van:
Seksuele relatie tussen goden
Onderlinge machtsstrijden
Hun grillen
Andere contingente (= een toekomstige gebeurtenis of
omstandigheid die mogelijk is maar niet met zekerheid kan
worden voorspeld) motieven
o Het Griekse mythische wereldbeeld werd Vastgelegd door dichters
als Homerus (8ste E v.Chr.) en Hesiodus (7de E v.Chr.)
Hesiodus zijn Theogonie: beschrijft het ontstaan van de goden
en legt bij hun onderlinge relaties vast
o Verklarende waarde: het gaat er in de mythe precies om uit te
leggen hoe het bestaande tot stand is gekomen. (In dei zin deelt
mythe waarheid mee)
o Niet kritisch: trekt de geldigheid van haar verklaringsmethode niet
in twijfel
o Normatief: verklaart niet alleen waarom dingen zijn wat ze zijn,
maar ze geeft ook aan waarom de dingen zo moeten zijn (bestaande
wordt dus bevestigd en bovendien gelegitimeerd)
Logos: de rede/concept/uitleg een rationele verklaring gaat met in de
6e eeuw nastreven
Mythen verklaren niet alleen hoe de dingen zijn, maar ook
waarom ze zo zouden moeten zijn, vaak door verbanden te
leggen tussen gebeurtenissen en seizoensgebonden rituelen
(zoals zes granaatappelpitten die zes maanden herfst en
winter verklaren in het verhaal van Persephone).
Van mythos naar logos
In de 6 de eeuw v.C. doet zich een cultuurschok in Griekenland voor door:
Almaar meer contact met vreemde volkoren door kolonisatie en handel.
Mondelinge cultuur maakt plaats voor schriftelijke cultuur.
o Een standaardversie van Homerus’ werk wordt opgesteld en
gedeponeerd in de bibliotheek.