THE HUMAN GENOME
Het genoom is de complete set aan genen die een persoon bezit. Dit zijn er tussen de 20,000 en
30,000. Deze genen bevinden zich op 23 chromosoomparen. Van elk paar komt er een
chromosoom vanaf de moeder en een chromosoom van de vader. Elk chromosoom bevat alle
genen. Een gen bestaat uit lange DNA-sequences. Elke cel in het menselijk lichaam bevat het
gehele genoom van een persoon; een kopie van de moeders kant en een kopie van de vaders
kant. Alleen bloedcellen, eicellen en spermacellen zijn een uitzondering hier op. Het Human
Genome Project onderzoekt het gehele menselijk genoom. Er zijn twee bijzondere bevindingen:
• Mensen bevatten ongeveer evenveel genen als andere organismen, zoals muizen en wormen,
maar de manier waarop menselijke genen coderen voor bepaalde eiwitten gaat op een hele
andere manier dan bij andere organismen.
• Deze eiwit-coderende genen vormen maar 2% van het gehele genoom. De rest wordt benoemd
als junk DNA. Het blijkt echter dat dit junk DNA ook belangrijk is. Delen van dit DNA hebben
invloed op bepaalde eigenschappen in het menselijk lichaam.
De meeste genen zijn hetzelfde voor alle mensen. Een klein deel zijn verschillend per individu,
bijvoorbeeld oogkleur en haarkleur. Sommige genen hebben invloed op uiterlijke kenmerken,
anderen op gedragskenmerken. Elk gen bevat alleen: het recessieve allel en het dominante
allel. Het dominante allel is degene die altijd tot uiting komt, en het recessieve allel komt alleen tot
uiting als het dominante allel niet aanwezig is.
NATURE-NURTURE DEBATE
Onderzoekers proberen te achterhalen op wat voor manier persoonlijke verschillen worden
beïnvloed door genetische verschillen en omgevingsverschillen. Hier is veel controverse over; het
nature-nurture debat. Mensen zijn bijvoorbeeld bang dat bevindingen worden gebruikt om
bepaalde politieke agenda’s te ondersteunen, of dat eugenetica wordt gebruikt om een masters te
creëren. Eugenetica is het beïnvloeden van de menselijke soort door de voortplanting van
mensen met bepaalde eigenschappen te bevorderen en de voortplanting van mensen zonder die
eigenschappen te ontmoedigen. Daarnaast wordt er benadrukt dat als er wordt gevonden dat een
eigenschap een genetische invloed heeft, dat dat niet betekent dat de omgeving totaal geen
invloed heeft gehad, en andersom geldt hetzelfde. Er is geen debat op het niveau van de individu
maar alleen op het populatieniveau.
GENETIC INFLUENCE
Een belangrijk doel van genetisch onderzoek is het percentage te bepalen waarin een eigenschap
door genetische invloed en omgevingsinvloed is gevormd. Een voorbeeld is lengte. Er is bewezen
dat ruim 90% van de verschillen in lengte wordt bepaald door genetische invloed. Dit betekent
echter niet dat de omgeving geen invloed heeft. Wat een persoon eet kan bijvoorbeeld ook van
grote invloed zijn. Gedragsgenetici zijn wetenschappers die onderzoeken hoe genetische
factoren invloed hebben op menselijk gedrag. Zij onderzoeken het percentage van variantie in
een bepaalde eigenschap; het percentage van invloed van de genen en het percentage van
invloed van andere factoren. Zij zijn ook geïnteresseerd in de manier hoe genen en omgeving met
elkaar samenwerken en de interactie tussen de twee factoren.
De erfelijkheid (heritability) is een statistiek die verwijst naar het deel van geobserveerde variatie
in een groep mensen dat kan worden toegewezen aan genetische variatie. De formele de nitie is
als volgt: het deel van fenotypische variatie dat kan worden toegewezen aan genotypische
variatie.
• Fenotypische variatie = zichtbare individuele verschillen (lengte, gewicht, persoonlijkheid)
• Genotypische variatie = individuele verschillen in de genen, dus niet zichtbaar
Een erfelijkheid van .40 betekent dus dat 40% van de fenotypische variatie komt door
genotypische variatie (en 60% door andere factoren). Het deel van de zichtbare variatie dat komt
door omgevingsfactoren is de environmentality (omgevingsinvloed) . Hoe groter de erfelijkheid,
hoe kleiner de environmentality en andersom ook. Er zijn drie misverstanden over de
erfelijkheidsstatistiek die worden opgehelderd:
• De erfelijkheid kan niet worden toegepast op een speci ek individu, maar het betreft alleen
verschillen in een groep individuen of populatie.
• De erfelijkheid is niet constant. Het wordt gemeten op een bepaalde tijd in een bepaalde
omgeving, en geldt dan dus ook alleen voor die populatie op dat tijdstip en in die omgeving. Als
fi fi
Het genoom is de complete set aan genen die een persoon bezit. Dit zijn er tussen de 20,000 en
30,000. Deze genen bevinden zich op 23 chromosoomparen. Van elk paar komt er een
chromosoom vanaf de moeder en een chromosoom van de vader. Elk chromosoom bevat alle
genen. Een gen bestaat uit lange DNA-sequences. Elke cel in het menselijk lichaam bevat het
gehele genoom van een persoon; een kopie van de moeders kant en een kopie van de vaders
kant. Alleen bloedcellen, eicellen en spermacellen zijn een uitzondering hier op. Het Human
Genome Project onderzoekt het gehele menselijk genoom. Er zijn twee bijzondere bevindingen:
• Mensen bevatten ongeveer evenveel genen als andere organismen, zoals muizen en wormen,
maar de manier waarop menselijke genen coderen voor bepaalde eiwitten gaat op een hele
andere manier dan bij andere organismen.
• Deze eiwit-coderende genen vormen maar 2% van het gehele genoom. De rest wordt benoemd
als junk DNA. Het blijkt echter dat dit junk DNA ook belangrijk is. Delen van dit DNA hebben
invloed op bepaalde eigenschappen in het menselijk lichaam.
De meeste genen zijn hetzelfde voor alle mensen. Een klein deel zijn verschillend per individu,
bijvoorbeeld oogkleur en haarkleur. Sommige genen hebben invloed op uiterlijke kenmerken,
anderen op gedragskenmerken. Elk gen bevat alleen: het recessieve allel en het dominante
allel. Het dominante allel is degene die altijd tot uiting komt, en het recessieve allel komt alleen tot
uiting als het dominante allel niet aanwezig is.
NATURE-NURTURE DEBATE
Onderzoekers proberen te achterhalen op wat voor manier persoonlijke verschillen worden
beïnvloed door genetische verschillen en omgevingsverschillen. Hier is veel controverse over; het
nature-nurture debat. Mensen zijn bijvoorbeeld bang dat bevindingen worden gebruikt om
bepaalde politieke agenda’s te ondersteunen, of dat eugenetica wordt gebruikt om een masters te
creëren. Eugenetica is het beïnvloeden van de menselijke soort door de voortplanting van
mensen met bepaalde eigenschappen te bevorderen en de voortplanting van mensen zonder die
eigenschappen te ontmoedigen. Daarnaast wordt er benadrukt dat als er wordt gevonden dat een
eigenschap een genetische invloed heeft, dat dat niet betekent dat de omgeving totaal geen
invloed heeft gehad, en andersom geldt hetzelfde. Er is geen debat op het niveau van de individu
maar alleen op het populatieniveau.
GENETIC INFLUENCE
Een belangrijk doel van genetisch onderzoek is het percentage te bepalen waarin een eigenschap
door genetische invloed en omgevingsinvloed is gevormd. Een voorbeeld is lengte. Er is bewezen
dat ruim 90% van de verschillen in lengte wordt bepaald door genetische invloed. Dit betekent
echter niet dat de omgeving geen invloed heeft. Wat een persoon eet kan bijvoorbeeld ook van
grote invloed zijn. Gedragsgenetici zijn wetenschappers die onderzoeken hoe genetische
factoren invloed hebben op menselijk gedrag. Zij onderzoeken het percentage van variantie in
een bepaalde eigenschap; het percentage van invloed van de genen en het percentage van
invloed van andere factoren. Zij zijn ook geïnteresseerd in de manier hoe genen en omgeving met
elkaar samenwerken en de interactie tussen de twee factoren.
De erfelijkheid (heritability) is een statistiek die verwijst naar het deel van geobserveerde variatie
in een groep mensen dat kan worden toegewezen aan genetische variatie. De formele de nitie is
als volgt: het deel van fenotypische variatie dat kan worden toegewezen aan genotypische
variatie.
• Fenotypische variatie = zichtbare individuele verschillen (lengte, gewicht, persoonlijkheid)
• Genotypische variatie = individuele verschillen in de genen, dus niet zichtbaar
Een erfelijkheid van .40 betekent dus dat 40% van de fenotypische variatie komt door
genotypische variatie (en 60% door andere factoren). Het deel van de zichtbare variatie dat komt
door omgevingsfactoren is de environmentality (omgevingsinvloed) . Hoe groter de erfelijkheid,
hoe kleiner de environmentality en andersom ook. Er zijn drie misverstanden over de
erfelijkheidsstatistiek die worden opgehelderd:
• De erfelijkheid kan niet worden toegepast op een speci ek individu, maar het betreft alleen
verschillen in een groep individuen of populatie.
• De erfelijkheid is niet constant. Het wordt gemeten op een bepaalde tijd in een bepaalde
omgeving, en geldt dan dus ook alleen voor die populatie op dat tijdstip en in die omgeving. Als
fi fi