WERKEN AAN NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
Hoorcollege 2: introductie en argumentatieleer
Dimensies van filosofie die relevant zijn voor pedagogen:
Logica (argumentatieleer) = snappen hoe je argumentatie opbouwt en is opgebouwd + is het logisch wat
iemand zegt?
Ethiek = het goede/juiste handelen
Wijsgerige Antropologie = mensbeelden en maatschappijbeelden. Wat is de mens en hoe verhoudt die
zich tot andere wezens. Kenmerken van mensen/kinderen.
Epistemologie & Wetenschapsfilosofie = epistemologie is kennisleer (wat is kennis?) en
wetenschapsfilosofie is hoe de wetenschap zich ontwikkeld.
Wat heeft een pedagoog aan filosofie?
Een pedagoog moet kritisch reflecteren op denken en handelen
Heb ik er goed aan gedaan? Is het wel een goed doel? (normatief)
Pedagogische prudentie (voorzichtigheid) is het goed om te doen/uit te voeren bij kinderen?
Heb ik het goed gedaan versus heb ik er goed aan gedaan
Casus corona
Kinderen hadden niet het recht op onderwijs wat ze hadden moeten hebben.
Pedagoog doet onderzoek naar achterstanden
Hoe zouden deze achterstanden ingehaald kunnen worden? (technisch)
Is nu het bijspijkeren het eerst noodzakelijk of zijn er andere zaken die ook belangrijk zijn? (normatief,
pedagogische prudentie)
Voorbeeld topturners trainen
Kinderen moeten in een rek hangen voor een betere mobiliteit
Technisch heb ik het goed gedaan? ja het doel wordt bereikt
Normatief heb ik er goed aan gedaan kan je dit wel doen met kinderen?
Overzicht argumentatieleer
1. Meningsverschillen
2. Regels van de kritische discussie
3. Dialectische argumentatie
4. Argumentatieschema
5. De grenzen aan de kritische discussie
1. Meningsverschillen
Gemengd of niet gemengd (hoeveel partijen nemen een positie in?)
Gemengd = beide partijen nemen een duidelijke positie in
Niet gemengd = 1 iemand neemt een positie in, de ander plaatst alleen vraagtekens bij deze
opvatting.
Enkelvoudig of meervoudig (hoeveel twistpunten liggen er op tafel)
Strijdige proposities:
Tegengesteld = kunnen niet beiden waar zijn, en kunnen niet beiden onwaar zijn. Dit is een enkelvoudig
geschil, met dus 1 twistpunt
Voorbeeld: sommige mensen zijn onsterfelijk & alle mensen zijn sterfelijk. ze sluiten elkaar uit
en kunnen dus niet beide waar zijn, want als iedereen sterfelijk is kan niet 1 iemand niet sterfelijk
zijn.
Contrair = kunnen niet beiden waar zijn, maar wel beiden onwaar Dit is een meervoudig geschil,
met dus 2 of meer twistpunten.
Voorbeeld: IPCC: de opwarming wordt enkel en alleen veroorzaakt door de mens. Sceptici: de
opwarming wordt enkel en alleen veroorzaakt door de zon Contrair, gemengd en meervoudig,
want ze kunnen wel beide niet waar zijn, maar niet allebei waar.
2. Regels van de kritische discussie
Kritische discussie = wederzijdse serieuze overtuigingspoging om de ander over te halen tot de eigen positie.
Je moet je eigen opvattingen en die van de ander kritisch beschouwen en geen drogredenen gebruiken.
,Veelgebruikte drogredenen:
Innercircle argument = jouw mening kan ik niet serieus nemen, want je bent niet een van ons/ een
persoon kan er niks over zeggen omdat hij niet tot die groep behoort.
Autoriteits argument = beroepen op autoriteit in plaats van inhoudelijke argumenten gebruiken.
Even oefenen met drogredenen
1. Komt dat artikel uit een tijdschrift dat niet peerreviewed is? Dan kan het geen goed artikel zijn.
Bij een peerreviewd artikel gaan we er vaak vanuit dat het goed is, maar als dit niet gedaan is wil
dit niet zeggen dat het automatisch geen goed artikel is.
2. Het bezoeken van theatervoorstellingen is een elitaire aangelegenheid. Dit wordt bevestigd door het feit
dat deze stelling nog nooit publiek is weerlegd.
Gebrek aan een weerlegging van een stelling leidt niet tot de waarheid van een stelling
3. De pedagogische geschriften van J. J. Rousseau moet je niet serieus nemen; hij heeft zelf al zijn
kinderen te vondeling gelegd!
Zijn persoonlijke situatie heeft niks te maken met zijn kennis.
3. Dialectische argumentatie
Dialectische argumentatie = een artikel waarin de auteur met zichzelf in discussie gaat. Er worden argumenten
voor het standpunt opgevoerd, maar ook tegen. Deze tegen argumenten worden vervolgens weerlegd zo
onderbouw je je eigen standpunt.
4. Argumentatieschema
Oefening BB
S: In het debat over slavernij is overdrijving keukenmeester.
1. Slavernij zit ons niet in de vezels -> hooguit 1% (onderschikkend)
2. De gouden eeuw is niet te danken aan slavernij verleden -> marginale sector, men leed verlies
(cumulatief nevenschikkend)
3. Het is onmenselijk, maar niet uitzonderlijk -> bemanning ook arbeiders
4. Gaat om niet zoveel mensen -> 11/12 miljoen
5. Grenzen aan de kritische discussie
Pedagogiek is een handelingswetenschap. Er is geen principiële grens aan het bevragen van kennis, maar er is
wel een praktische grens (Je kunt alles is twijfel blijven trekken en blijven zoeken naar betere inzichten, maar er
zijn praktische grenzen). Deze praktische grenzen komen door drie factoren:
Gebrek aan tijd
Gebrek aan volledige/onbetwijfelbare kennis
Keuze voor het (voorlopig) beste antwoord/advies, de voorlopige beste interventie
Kernthema’s van de filosofie hoofdstuk 10
Logica = houdt zich bezig met redeneringen, argumentaties, betogen en discussies en richt zich daarbij op wat er
op dit gebied als incorrect en correct moet worden beschouwd. Context wordt buiten beeld gelaten.
Argumentatie theoretische invalshoek = invalshoek waarbij het oplossen van meningsverschillen centraal staat.
10.2: meningsverschillen en discussies
Meningsverschil (geschil) = niet alle betrokkenen hebben een menig nodig over het onderwerp in kwestie,
voldoende is dat iemand een mening heeft die iemand anders niet heeft. Een geschil bestaat uit ten minste één
meningsuiting van een gesprekspartner en een uiting van een andere gesprekspartner waaruit blijkt dat deze die
mening (nog) niet deelt.
De argumentatieleer heeft een geuit meningsverschil/geschil nodig.
Tegengestelde preposities = de meningen tussen de gesprekpartners zijn tegengesteld.
Kwestie = dit kan worden weergegeven door een vraag in de vorm van ‘is dit/dat wel het geval of is het niet het
geval?’.
Standpunt = een propositie voor je rekening nemen. Het standpunt kan zowel negatief als positief zijn.
Hoofdgeschil = als er later nog een geschil bijkomt, is het eerste geschil het hoofdgeschil. Tweede geschil is ook
wel subgeschil.
, Hoofdstandpunt = als er later nog een standpunt bijkomt, is het eerste standpunt het hoofdstandpunt. Het tweede
standpunt is ook wel het substandpunt.
Oplossen = tot overeenstemming komen over de houdbaarheid of onhoudbaarheid van het standpunt
Beslechten = geen sprake van overeenstemming over de houdbaarheid of onhoudbaarheid van het standpunt.
Discussies die niet van een geschil uitgaan:
Informatieve discussies = als de ene gesprekspartner over kennis beschikt die de ander door vragen op
tafel probeert te krijgen. kennis boven tafel krijgen.
Onderzoeksdiscussies = discussie waarbij geen van de gesprekspartners nog een standpunt inneemt.
rechercheurs die een zaak proberen op te lossen)
Beraadslagingen = gaat over hoe te handelen of over de te volgen koers.
Discussies die wel uitgaan van een geschil, maar waarvan oplossing geen doel is:
Ruzies = verhitte discussie.
Twistgesprekken = doel is de schijn te wekken winnaar van de discussie te zijn.
Onderhandelingen = doel is niet zozeer het overtuigen van iemand, maar eerder het sluiten van een
compromis.
10.3 redelijke en onredelijke discussiezetten
Verdedigingsplichtregel = een discussiant die een standpunt naar voren brengt, is verplicht dit desgevraagd te
verdedigen (dus geen ‘hoezo-niet/wel’ vragen).
Bewijslast = de plicht om met argumenten te komen.
Overtreding hiervan: ontduiking van bewijslast. Wil je zelf niet met argumenten komen en schuif
je dit juist op de ander = verschuiven van de bewijslast (drogreden)
Drogredenen = overtredingen van de discussieregels.
Standpuntsregel = een aanval op een standpunt moet betrekking hebben op het standpunt dat ook werkelijk door
de andere partij naar voren is gebracht.
Overtreding hiervan = stroman (drogreden)
Kritische reacties waarin de criticus geen standpunt inneemt:
Houdbaarheidskritiek = richten op mogelijk gebrek van houdbaarheid van het argument. (Wanneer heeft
hij dat gezegd?). Er is dus twijfel over een argument. Er ontstaat een discussie over het argument van
het hoofdstandpunt, waardoor het argument zelf ook weer een substandpunt vormt
Voorbeeld: Jan: Ik denk dat ik morgen slaag voor mijn rijexamen (standpunt).
Olga: Hoezo?
Jan: Mijn instructeur heeft gezegd dat ik er klaar voor ben (argument).
Olga: Wanneer heeft hij dat gezegd?
Bewijskrachttechniek = richten op mogelijke gebrekkige bewijskracht van de argumentatie. (Is dat
doorslaggevend?). Dit ontstaat wanneer Olga het argument van de instructeur niet doorslaggevend zou
vinden.
Kritische reacties waarin de criticus een standpunt inneemt (actieve kritiek):
Je kan een tegenwerping tegen de argumentatie geven; standpunt innemen. (Jan zenuwen zouden de
overhand kunnen nemen)
Je kan tegenargumenten geven: niet alleen een standpunt innemen, maar ook meteen met
tegenargumenten komen.
Je kan drogredenkritiek gebruiken: het benoemen van het overtreden door de ander van discussieregels.
Dit is dus kritiek indirect op de zaak zelf, zo’n standpunt noem je een standpunt op metaniveau. (Iedere
instructeur zegt dat tegen zijn leerling)
Ingoratio elenchi = het aanvoeren van geheel irrelevante argumenten.
10.4 argumentatiestructuren
Proponent = verdediger van het hoofdstandpunt.
Hoorcollege 2: introductie en argumentatieleer
Dimensies van filosofie die relevant zijn voor pedagogen:
Logica (argumentatieleer) = snappen hoe je argumentatie opbouwt en is opgebouwd + is het logisch wat
iemand zegt?
Ethiek = het goede/juiste handelen
Wijsgerige Antropologie = mensbeelden en maatschappijbeelden. Wat is de mens en hoe verhoudt die
zich tot andere wezens. Kenmerken van mensen/kinderen.
Epistemologie & Wetenschapsfilosofie = epistemologie is kennisleer (wat is kennis?) en
wetenschapsfilosofie is hoe de wetenschap zich ontwikkeld.
Wat heeft een pedagoog aan filosofie?
Een pedagoog moet kritisch reflecteren op denken en handelen
Heb ik er goed aan gedaan? Is het wel een goed doel? (normatief)
Pedagogische prudentie (voorzichtigheid) is het goed om te doen/uit te voeren bij kinderen?
Heb ik het goed gedaan versus heb ik er goed aan gedaan
Casus corona
Kinderen hadden niet het recht op onderwijs wat ze hadden moeten hebben.
Pedagoog doet onderzoek naar achterstanden
Hoe zouden deze achterstanden ingehaald kunnen worden? (technisch)
Is nu het bijspijkeren het eerst noodzakelijk of zijn er andere zaken die ook belangrijk zijn? (normatief,
pedagogische prudentie)
Voorbeeld topturners trainen
Kinderen moeten in een rek hangen voor een betere mobiliteit
Technisch heb ik het goed gedaan? ja het doel wordt bereikt
Normatief heb ik er goed aan gedaan kan je dit wel doen met kinderen?
Overzicht argumentatieleer
1. Meningsverschillen
2. Regels van de kritische discussie
3. Dialectische argumentatie
4. Argumentatieschema
5. De grenzen aan de kritische discussie
1. Meningsverschillen
Gemengd of niet gemengd (hoeveel partijen nemen een positie in?)
Gemengd = beide partijen nemen een duidelijke positie in
Niet gemengd = 1 iemand neemt een positie in, de ander plaatst alleen vraagtekens bij deze
opvatting.
Enkelvoudig of meervoudig (hoeveel twistpunten liggen er op tafel)
Strijdige proposities:
Tegengesteld = kunnen niet beiden waar zijn, en kunnen niet beiden onwaar zijn. Dit is een enkelvoudig
geschil, met dus 1 twistpunt
Voorbeeld: sommige mensen zijn onsterfelijk & alle mensen zijn sterfelijk. ze sluiten elkaar uit
en kunnen dus niet beide waar zijn, want als iedereen sterfelijk is kan niet 1 iemand niet sterfelijk
zijn.
Contrair = kunnen niet beiden waar zijn, maar wel beiden onwaar Dit is een meervoudig geschil,
met dus 2 of meer twistpunten.
Voorbeeld: IPCC: de opwarming wordt enkel en alleen veroorzaakt door de mens. Sceptici: de
opwarming wordt enkel en alleen veroorzaakt door de zon Contrair, gemengd en meervoudig,
want ze kunnen wel beide niet waar zijn, maar niet allebei waar.
2. Regels van de kritische discussie
Kritische discussie = wederzijdse serieuze overtuigingspoging om de ander over te halen tot de eigen positie.
Je moet je eigen opvattingen en die van de ander kritisch beschouwen en geen drogredenen gebruiken.
,Veelgebruikte drogredenen:
Innercircle argument = jouw mening kan ik niet serieus nemen, want je bent niet een van ons/ een
persoon kan er niks over zeggen omdat hij niet tot die groep behoort.
Autoriteits argument = beroepen op autoriteit in plaats van inhoudelijke argumenten gebruiken.
Even oefenen met drogredenen
1. Komt dat artikel uit een tijdschrift dat niet peerreviewed is? Dan kan het geen goed artikel zijn.
Bij een peerreviewd artikel gaan we er vaak vanuit dat het goed is, maar als dit niet gedaan is wil
dit niet zeggen dat het automatisch geen goed artikel is.
2. Het bezoeken van theatervoorstellingen is een elitaire aangelegenheid. Dit wordt bevestigd door het feit
dat deze stelling nog nooit publiek is weerlegd.
Gebrek aan een weerlegging van een stelling leidt niet tot de waarheid van een stelling
3. De pedagogische geschriften van J. J. Rousseau moet je niet serieus nemen; hij heeft zelf al zijn
kinderen te vondeling gelegd!
Zijn persoonlijke situatie heeft niks te maken met zijn kennis.
3. Dialectische argumentatie
Dialectische argumentatie = een artikel waarin de auteur met zichzelf in discussie gaat. Er worden argumenten
voor het standpunt opgevoerd, maar ook tegen. Deze tegen argumenten worden vervolgens weerlegd zo
onderbouw je je eigen standpunt.
4. Argumentatieschema
Oefening BB
S: In het debat over slavernij is overdrijving keukenmeester.
1. Slavernij zit ons niet in de vezels -> hooguit 1% (onderschikkend)
2. De gouden eeuw is niet te danken aan slavernij verleden -> marginale sector, men leed verlies
(cumulatief nevenschikkend)
3. Het is onmenselijk, maar niet uitzonderlijk -> bemanning ook arbeiders
4. Gaat om niet zoveel mensen -> 11/12 miljoen
5. Grenzen aan de kritische discussie
Pedagogiek is een handelingswetenschap. Er is geen principiële grens aan het bevragen van kennis, maar er is
wel een praktische grens (Je kunt alles is twijfel blijven trekken en blijven zoeken naar betere inzichten, maar er
zijn praktische grenzen). Deze praktische grenzen komen door drie factoren:
Gebrek aan tijd
Gebrek aan volledige/onbetwijfelbare kennis
Keuze voor het (voorlopig) beste antwoord/advies, de voorlopige beste interventie
Kernthema’s van de filosofie hoofdstuk 10
Logica = houdt zich bezig met redeneringen, argumentaties, betogen en discussies en richt zich daarbij op wat er
op dit gebied als incorrect en correct moet worden beschouwd. Context wordt buiten beeld gelaten.
Argumentatie theoretische invalshoek = invalshoek waarbij het oplossen van meningsverschillen centraal staat.
10.2: meningsverschillen en discussies
Meningsverschil (geschil) = niet alle betrokkenen hebben een menig nodig over het onderwerp in kwestie,
voldoende is dat iemand een mening heeft die iemand anders niet heeft. Een geschil bestaat uit ten minste één
meningsuiting van een gesprekspartner en een uiting van een andere gesprekspartner waaruit blijkt dat deze die
mening (nog) niet deelt.
De argumentatieleer heeft een geuit meningsverschil/geschil nodig.
Tegengestelde preposities = de meningen tussen de gesprekpartners zijn tegengesteld.
Kwestie = dit kan worden weergegeven door een vraag in de vorm van ‘is dit/dat wel het geval of is het niet het
geval?’.
Standpunt = een propositie voor je rekening nemen. Het standpunt kan zowel negatief als positief zijn.
Hoofdgeschil = als er later nog een geschil bijkomt, is het eerste geschil het hoofdgeschil. Tweede geschil is ook
wel subgeschil.
, Hoofdstandpunt = als er later nog een standpunt bijkomt, is het eerste standpunt het hoofdstandpunt. Het tweede
standpunt is ook wel het substandpunt.
Oplossen = tot overeenstemming komen over de houdbaarheid of onhoudbaarheid van het standpunt
Beslechten = geen sprake van overeenstemming over de houdbaarheid of onhoudbaarheid van het standpunt.
Discussies die niet van een geschil uitgaan:
Informatieve discussies = als de ene gesprekspartner over kennis beschikt die de ander door vragen op
tafel probeert te krijgen. kennis boven tafel krijgen.
Onderzoeksdiscussies = discussie waarbij geen van de gesprekspartners nog een standpunt inneemt.
rechercheurs die een zaak proberen op te lossen)
Beraadslagingen = gaat over hoe te handelen of over de te volgen koers.
Discussies die wel uitgaan van een geschil, maar waarvan oplossing geen doel is:
Ruzies = verhitte discussie.
Twistgesprekken = doel is de schijn te wekken winnaar van de discussie te zijn.
Onderhandelingen = doel is niet zozeer het overtuigen van iemand, maar eerder het sluiten van een
compromis.
10.3 redelijke en onredelijke discussiezetten
Verdedigingsplichtregel = een discussiant die een standpunt naar voren brengt, is verplicht dit desgevraagd te
verdedigen (dus geen ‘hoezo-niet/wel’ vragen).
Bewijslast = de plicht om met argumenten te komen.
Overtreding hiervan: ontduiking van bewijslast. Wil je zelf niet met argumenten komen en schuif
je dit juist op de ander = verschuiven van de bewijslast (drogreden)
Drogredenen = overtredingen van de discussieregels.
Standpuntsregel = een aanval op een standpunt moet betrekking hebben op het standpunt dat ook werkelijk door
de andere partij naar voren is gebracht.
Overtreding hiervan = stroman (drogreden)
Kritische reacties waarin de criticus geen standpunt inneemt:
Houdbaarheidskritiek = richten op mogelijk gebrek van houdbaarheid van het argument. (Wanneer heeft
hij dat gezegd?). Er is dus twijfel over een argument. Er ontstaat een discussie over het argument van
het hoofdstandpunt, waardoor het argument zelf ook weer een substandpunt vormt
Voorbeeld: Jan: Ik denk dat ik morgen slaag voor mijn rijexamen (standpunt).
Olga: Hoezo?
Jan: Mijn instructeur heeft gezegd dat ik er klaar voor ben (argument).
Olga: Wanneer heeft hij dat gezegd?
Bewijskrachttechniek = richten op mogelijke gebrekkige bewijskracht van de argumentatie. (Is dat
doorslaggevend?). Dit ontstaat wanneer Olga het argument van de instructeur niet doorslaggevend zou
vinden.
Kritische reacties waarin de criticus een standpunt inneemt (actieve kritiek):
Je kan een tegenwerping tegen de argumentatie geven; standpunt innemen. (Jan zenuwen zouden de
overhand kunnen nemen)
Je kan tegenargumenten geven: niet alleen een standpunt innemen, maar ook meteen met
tegenargumenten komen.
Je kan drogredenkritiek gebruiken: het benoemen van het overtreden door de ander van discussieregels.
Dit is dus kritiek indirect op de zaak zelf, zo’n standpunt noem je een standpunt op metaniveau. (Iedere
instructeur zegt dat tegen zijn leerling)
Ingoratio elenchi = het aanvoeren van geheel irrelevante argumenten.
10.4 argumentatiestructuren
Proponent = verdediger van het hoofdstandpunt.