PEDAGOGISCHE SYSTEMEN IN DE KINDERTIJD EN ADOLESCENTIE
Samenvatting 2024/2025
Hoorcollege 1
Socialisatie = een proces waarbij kinderen kennis, vaardigheden en gedragingen verkrijgen/aanleren en
overtuigingen, waarden en normen eigen maken die eigen zijn aan een bepaalde cultuur/samenleving, waardoor
ze in staat zijn te participeren in de samenleving.
Unidirectioneel = 1 richting op (alle systemen hebben invloed op een kind)
Bidirectioneel = 2 kanten op (kinderen kunnen ook ouders socialiseren, dus wederkerig)
Transactioneel = Uni-/bidirectionele processen over de tijd heen
Socialisatie door de tijd heen:
Martinus Langeveld: een kind moet niet verwend worden, maar ouders moeten hun kind helpen ‘mondig’ te
worden. Het doel is zelfverantwoordelijke zelfbepaling (zelf autonoom zijn en weten wat goed en slecht is)
Spock: behoefte van ouders aan informatie en ondersteuning
Pyschodynamische perspectief
Sigmund Freud: psychodynamische benadering = psychologische groei wordt bepaald door onbewuste,
biologisch gebaseerde driften en instincten, zoals seks, agressie en honger, en wordt gevormd door ervaringen
met de omgeving, vooral met andere gezinsleden.
Oorsprong: sterke intrinsieke energie (krachtige innerlijke motivatie)
Externe controle leidt tot interne controle/identificatie (super-ego)
De ontwikkelende persoonlijkheid bestaat uit 3 verbonden delen:
Id: primitieve driften leiden tot genot. Maximaliseert het plezier en voldoet
onmiddellijk aan behoeften (zuigelingen) directe behoeftebevrediging
Ego: reguleert implusen, probeert behoeften te bevredigen door gepast, sociaal
constructief gedrag.
Superego: geweten, wanneer het kind moraal, waarden, rollen en een geweten
ontwikkelt of om dit toe te passen op haar eigen daden.
Taak ouders: kind helpen om impulsen te beheersen, om te buigen of uit te stellen: zelfregulatie
Ontwikkeling is onder te verdelen in 5 perioden: invloed op later gedrag en persoonlijkheid
Phallic (fallische) fase:
Jongens raken verstrikt in het Oedipus complex waarin ze aangetrokken voelen tot
moeder en vader als rivaal zien
Meiden raken verstrikt in het Electra complex waarin meiden hun moeder de schuld
van hun eigen gebrek en richten seksuele gevoelens op vader.
Erik Erikson: psychosociale theorie = geloof dat ontwikkeling een discontinu proces is en dat door een aantal
fasen heen loopt. Deze lopen in tegenstelling tot Freud ook door de volwassenheid. Voor elke fase specificeerde
hij de persoonlijke en sociale taken die een individu moet volbrengen, en de risico’s van die taken als ze niet
volbracht worden
Problemen van deze theorieën: basis moeilijk te toetsen, theorie gebaseerd op volwassenen in therapie,
informatieverzameling is biased en selectief, focus op seksualiteit nauw en overdreven
Zelfregulatie
1970: Block & Block: Ego-controle (impulsen controleren) en ego-resiliency (de mate van impuls
controle)
1990: Rothbart: Effortful control = aandacht verdelen, ihibitie (inhouden van uitingen), waarnemend
sensitief zijn, lage intensiteit van plezier
,Traditionele leertheorie perspectief
Watson: Begin 20e eeuw: behavioristisch perspectief Klassieke conditionering
Watson kind is een onbeschreven blad (tabula rasa), dus nurture
Nadruk op uiterlijk gedrag
Versterken van associaties: stimulus leidt tot respons
Leren door associaties (Pavlov & Litte Albert)
Bepaalde sterke emoties door klassieke conditionering kunnen ook vermindert worden door
systematische desensibilisatie
Skinner: Halverwege de 20e eeuw: behavioristisch perspectief Operante conditionering
Aanleren van gewenst gedrag door bekrachtiging en bestraffen van ongewenst gedrag
S-R relaties (stimulus-respons relaties) = stimulus lokt respons uit
Ouders ‘vormen’ hun kind
Voorbeeld: rat drukt op een hendeltje voor brood
Verschil: klassiek is reflexmatig, automatische reacties (associaties tussen 2 stimuli) en operant is vrijwillig en
doelgericht (associatie tussen gedrag en consequentie)
Hull: drive-reduction theorie = stelt dat klassieke en operante conditionering alleen tot leren leidt
wanneer het samengaat met het verminderen van primaire driften zoals honger en dorst.
,Patterson: coercion cycle
1. Moeder dringt op ‘aversieve’ manier binnen in de activiteit van het kind (ik wil dat je de tafel gaat
dekken)
2. Het kind gaat in de tegenaanval (ik ga de tafel niet dekken)
3. Moeder stopt met berispen (moeder dekt de tafel zelf)
Effect op korte termijn we kunnen eten
Effect op lange termijn bij zeuren hoef ik geen tafel te dekken (negatieve bekrachtiging)
4. Het kind staakt de tegenaanval
Cognitief leerperspectief
Bandura: Leren door observeren/imiteren, performance versus learning (je kan iets wel snappen, maar
het daadwerkelijk doen heeft te maken met:
Motivatie
Self-efficacy (zelfredzaamheid = denken dat je bepaald gedrag wel kan) hoge mate eerder
gedrag laten zien.
4 factoren bepalen hoe goed kinderen leren door het gedrag van een ander te observeren.
1. Factor attention = Of het kind wel aandacht heeft voor het gedrag van het model.
2. Factor retention = Behoud van de kennis.
3. Factor reproduction = Reproduceren.
4. Factor motivation = Kinderen zullen het model eerder imiteren als ze daartoe worden gemotiveerd door
extrinsieke of intrinsieke prikkels.
In de echte wereld beïnvloedt het kind ook het gedrag van het model in het proces van reciprocal determination
Ontwikkelen van self-efficacy:
1. Kinderen succes in eerdere soortgelijke pogingen.
2. Kinderen andere mensen observeren die op de een of andere manier op hen lijken en in soortgelijke
taken slagen.
3. Ouders of leeftijdsgenoten die het kind aanmoedigen en overtuigen dat hij het wel kan.
4. Biologische en affectieve reacties in sociale situaties.
5. Collective efficacy = het gedeelde geloof van de groep in haar vermogen als eenheid om een bepaald
doel te bereiken. Ook bereikt door de ‘maatschappij’ op school.
Taak ouders: een goed model zijn voor het kind
Informatieverwerkingsperspectief
Informatieverwerkingsperspectief = een persoon krijgt informatie binnen, verandert het in een mentale
representatie, slaat het op in het geheugen, vergelijkt het met andere herinneringen, genereert
antwoordmogelijkheden, maakt een besluit over de beste reactie en onderneemt actie.
Sociale informatieverwerkingstheorie = Volgens deze theorie doorlopen kinderen in sociale situaties een reeks
cognitieve verwerkingsbeslissingen of stappen, zoals het beoordelen van de intentie van een ander kind, het
beslissen over mogelijke reacties, het evalueren van de waarschijnlijke resultaten van verschillende acties en
uiteindelijk het selecteren en handelen naar hun beslissing.
Cognitief ontwikkelingsperspectief
Piaget: kinderen begrijpen de informatie en gebeurtenissen die ze tegenkomen actief. Ze bewegen zich
door verschillende fasen in hun kindertijd. Egocentrisch realisme
Assimilatie = huidige kennis als kader voor opnemen/verwerken nieuwe ervaringen
Accommodatie = wijzigen bestaande kennis door aanpassing van mentale structuren
Sociaal-cognitieve domeintheorie = kinderen sociale problemen in specifieke domeinen categoriseren
en verschillende oordelen vellen, afhankelijk van het domein domein specificiteit. (tegenovergesteld
van piaget (hij zegt dat alle domeinen worden beïnvloed door dezelfde processen en principes)
Vygotsky: ontwikkeling is product van sociale interactie. Focuste op de zone van proximale
ontwikkeling = verschil tussen het niveau van het kind wanneer het alleen werkt, en wanneer het
samenwerkt met een ervaren partner
3 principes van culturele invloeden
1. Culturen verschillen in omgevingen en praktijken die het aanbied
2. Deze omgevingen en praktijken vergemakkelijken de ontwikkeling
3. Kinderen leren over hun cultuur van ervaren leden van de cultuur
, Systeemtheorie perspectief
Ontwikkelingspsychologen vinden ook dat kinderen beïnvloed worden door verschillende systemen.
Bronfenbrenner: ecologische theorie
Biologisch perspectief
Ethologische theorie = onderzoekers rekening houden met de omgeving van het kind waarin het gedrag
plaatsvindt. Ethologen zien gedrag als iets biologisch, maar ze denken wel dat het gedrag aangepast kan
worden door ervaringen.
Belangrijke periode = kritieke periode
Evolutionaire ontwikkelingstheorie = gedrag dat het voortbestaan van de soort in het verleden
verzekerde. Deze psychologen gaan ervan uit dat onze voorouders vaardigheden ontwikkelden om te
overleven.
Recente toepassing: levensgeschiedenistheorie = natuurlijke selectie om het grootst mogelijke
aantal overlevende nakomelingen te produceren succesvolle overdracht van de genen.
Belangrijke gebeurtenissen tijdens de levensloop worden hierdoor beïnvloedt
Gedragsgenetische theorie = kijkt naar erfelijkheid en omgeving als invloeden op verschillen in het
gedrag van mensen
Levensloopperspectief
Verandering over tijd kan volgens dit perspectief, drie oorzaken hebben:
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die de meeste mensen op dezelfde leeftijd tegenkomen,
zoals menstruatie, maar ook leeftijd dat kinderen naar school gaan.
Non-normatieve gebeurtenissen: onverwachte gebeurtenissen die ontwikkeling in een andere richting
duwt. Bijv. scheiding
Historische gebeurtenissen: mensen die in hetzelfde jaar of periode zijn geboren vormen
leeftijdscohorten die dezelfde historische ervaringen delen.
Socialisatie: resultaat evolutie
Bowlby en Ainsworth: Het kind heeft de aangeboren neiging om bij de ouder bescherming te zoeken in
geval van stress, gevaar of ziekte / gebruikt ouder om omgeving te exploreren
Taak ouders: ingaan op de behoefte aan bescherming/steun, bijv. troosten
Harlow: koestering belangrijker dan voedsel (experiment aapjes)
Lorenz: Imprinting: kwam erachter dat ganzen een sensitieve periode hebben
Taak ouders: in kritische/sensitieve periode het kind iets aanleren (lijkt op montessori)
Theorie =
Een door de mens geconstrueerd beeld van de werkelijkheid, een ‘denksel’
Anders dan de waarneembare werkelijkheid (empirie), maar poging deze begrijpelijk en inzichtelijk te
maken
Een theorie geeft verbanden aan
Hypothesen worden afgeleid uit de theorie
Een theorie kan worden weergegeven in een schema of model
Empirisch onderzoek kan de theorie ondersteunen of verwerpen
Socialisatieprocessen en mechanismen
Samenhang versus causaliteit
Opvoeding gedrag kind (unidirectioneel)
Gedrag kind opvoeding (bidirectioneel)
Moderatie
Gedrag kind x opvoeding sociale ontwikkeling kind
Meditatie/indirecte effecten
Gedrag kind via opvoeding sociale ontwikkeling kind
1.Opvoeding gedrag kind
Opvoedingsstijl leidt tot emotionele/gedragsaanpassing kind
Lewin, Lippitt, and White:
Autoritaire stijl, democratische stijl, laissez-faire (permissief)
Democratische stijl beste resultaten (tevreden, coöperatief en productief)
Autoritair leidt tot ongewenste ontwikkeling wat leidt tot minder streng, minder klemtoon op
ongehoorzaamheid
Samenvatting 2024/2025
Hoorcollege 1
Socialisatie = een proces waarbij kinderen kennis, vaardigheden en gedragingen verkrijgen/aanleren en
overtuigingen, waarden en normen eigen maken die eigen zijn aan een bepaalde cultuur/samenleving, waardoor
ze in staat zijn te participeren in de samenleving.
Unidirectioneel = 1 richting op (alle systemen hebben invloed op een kind)
Bidirectioneel = 2 kanten op (kinderen kunnen ook ouders socialiseren, dus wederkerig)
Transactioneel = Uni-/bidirectionele processen over de tijd heen
Socialisatie door de tijd heen:
Martinus Langeveld: een kind moet niet verwend worden, maar ouders moeten hun kind helpen ‘mondig’ te
worden. Het doel is zelfverantwoordelijke zelfbepaling (zelf autonoom zijn en weten wat goed en slecht is)
Spock: behoefte van ouders aan informatie en ondersteuning
Pyschodynamische perspectief
Sigmund Freud: psychodynamische benadering = psychologische groei wordt bepaald door onbewuste,
biologisch gebaseerde driften en instincten, zoals seks, agressie en honger, en wordt gevormd door ervaringen
met de omgeving, vooral met andere gezinsleden.
Oorsprong: sterke intrinsieke energie (krachtige innerlijke motivatie)
Externe controle leidt tot interne controle/identificatie (super-ego)
De ontwikkelende persoonlijkheid bestaat uit 3 verbonden delen:
Id: primitieve driften leiden tot genot. Maximaliseert het plezier en voldoet
onmiddellijk aan behoeften (zuigelingen) directe behoeftebevrediging
Ego: reguleert implusen, probeert behoeften te bevredigen door gepast, sociaal
constructief gedrag.
Superego: geweten, wanneer het kind moraal, waarden, rollen en een geweten
ontwikkelt of om dit toe te passen op haar eigen daden.
Taak ouders: kind helpen om impulsen te beheersen, om te buigen of uit te stellen: zelfregulatie
Ontwikkeling is onder te verdelen in 5 perioden: invloed op later gedrag en persoonlijkheid
Phallic (fallische) fase:
Jongens raken verstrikt in het Oedipus complex waarin ze aangetrokken voelen tot
moeder en vader als rivaal zien
Meiden raken verstrikt in het Electra complex waarin meiden hun moeder de schuld
van hun eigen gebrek en richten seksuele gevoelens op vader.
Erik Erikson: psychosociale theorie = geloof dat ontwikkeling een discontinu proces is en dat door een aantal
fasen heen loopt. Deze lopen in tegenstelling tot Freud ook door de volwassenheid. Voor elke fase specificeerde
hij de persoonlijke en sociale taken die een individu moet volbrengen, en de risico’s van die taken als ze niet
volbracht worden
Problemen van deze theorieën: basis moeilijk te toetsen, theorie gebaseerd op volwassenen in therapie,
informatieverzameling is biased en selectief, focus op seksualiteit nauw en overdreven
Zelfregulatie
1970: Block & Block: Ego-controle (impulsen controleren) en ego-resiliency (de mate van impuls
controle)
1990: Rothbart: Effortful control = aandacht verdelen, ihibitie (inhouden van uitingen), waarnemend
sensitief zijn, lage intensiteit van plezier
,Traditionele leertheorie perspectief
Watson: Begin 20e eeuw: behavioristisch perspectief Klassieke conditionering
Watson kind is een onbeschreven blad (tabula rasa), dus nurture
Nadruk op uiterlijk gedrag
Versterken van associaties: stimulus leidt tot respons
Leren door associaties (Pavlov & Litte Albert)
Bepaalde sterke emoties door klassieke conditionering kunnen ook vermindert worden door
systematische desensibilisatie
Skinner: Halverwege de 20e eeuw: behavioristisch perspectief Operante conditionering
Aanleren van gewenst gedrag door bekrachtiging en bestraffen van ongewenst gedrag
S-R relaties (stimulus-respons relaties) = stimulus lokt respons uit
Ouders ‘vormen’ hun kind
Voorbeeld: rat drukt op een hendeltje voor brood
Verschil: klassiek is reflexmatig, automatische reacties (associaties tussen 2 stimuli) en operant is vrijwillig en
doelgericht (associatie tussen gedrag en consequentie)
Hull: drive-reduction theorie = stelt dat klassieke en operante conditionering alleen tot leren leidt
wanneer het samengaat met het verminderen van primaire driften zoals honger en dorst.
,Patterson: coercion cycle
1. Moeder dringt op ‘aversieve’ manier binnen in de activiteit van het kind (ik wil dat je de tafel gaat
dekken)
2. Het kind gaat in de tegenaanval (ik ga de tafel niet dekken)
3. Moeder stopt met berispen (moeder dekt de tafel zelf)
Effect op korte termijn we kunnen eten
Effect op lange termijn bij zeuren hoef ik geen tafel te dekken (negatieve bekrachtiging)
4. Het kind staakt de tegenaanval
Cognitief leerperspectief
Bandura: Leren door observeren/imiteren, performance versus learning (je kan iets wel snappen, maar
het daadwerkelijk doen heeft te maken met:
Motivatie
Self-efficacy (zelfredzaamheid = denken dat je bepaald gedrag wel kan) hoge mate eerder
gedrag laten zien.
4 factoren bepalen hoe goed kinderen leren door het gedrag van een ander te observeren.
1. Factor attention = Of het kind wel aandacht heeft voor het gedrag van het model.
2. Factor retention = Behoud van de kennis.
3. Factor reproduction = Reproduceren.
4. Factor motivation = Kinderen zullen het model eerder imiteren als ze daartoe worden gemotiveerd door
extrinsieke of intrinsieke prikkels.
In de echte wereld beïnvloedt het kind ook het gedrag van het model in het proces van reciprocal determination
Ontwikkelen van self-efficacy:
1. Kinderen succes in eerdere soortgelijke pogingen.
2. Kinderen andere mensen observeren die op de een of andere manier op hen lijken en in soortgelijke
taken slagen.
3. Ouders of leeftijdsgenoten die het kind aanmoedigen en overtuigen dat hij het wel kan.
4. Biologische en affectieve reacties in sociale situaties.
5. Collective efficacy = het gedeelde geloof van de groep in haar vermogen als eenheid om een bepaald
doel te bereiken. Ook bereikt door de ‘maatschappij’ op school.
Taak ouders: een goed model zijn voor het kind
Informatieverwerkingsperspectief
Informatieverwerkingsperspectief = een persoon krijgt informatie binnen, verandert het in een mentale
representatie, slaat het op in het geheugen, vergelijkt het met andere herinneringen, genereert
antwoordmogelijkheden, maakt een besluit over de beste reactie en onderneemt actie.
Sociale informatieverwerkingstheorie = Volgens deze theorie doorlopen kinderen in sociale situaties een reeks
cognitieve verwerkingsbeslissingen of stappen, zoals het beoordelen van de intentie van een ander kind, het
beslissen over mogelijke reacties, het evalueren van de waarschijnlijke resultaten van verschillende acties en
uiteindelijk het selecteren en handelen naar hun beslissing.
Cognitief ontwikkelingsperspectief
Piaget: kinderen begrijpen de informatie en gebeurtenissen die ze tegenkomen actief. Ze bewegen zich
door verschillende fasen in hun kindertijd. Egocentrisch realisme
Assimilatie = huidige kennis als kader voor opnemen/verwerken nieuwe ervaringen
Accommodatie = wijzigen bestaande kennis door aanpassing van mentale structuren
Sociaal-cognitieve domeintheorie = kinderen sociale problemen in specifieke domeinen categoriseren
en verschillende oordelen vellen, afhankelijk van het domein domein specificiteit. (tegenovergesteld
van piaget (hij zegt dat alle domeinen worden beïnvloed door dezelfde processen en principes)
Vygotsky: ontwikkeling is product van sociale interactie. Focuste op de zone van proximale
ontwikkeling = verschil tussen het niveau van het kind wanneer het alleen werkt, en wanneer het
samenwerkt met een ervaren partner
3 principes van culturele invloeden
1. Culturen verschillen in omgevingen en praktijken die het aanbied
2. Deze omgevingen en praktijken vergemakkelijken de ontwikkeling
3. Kinderen leren over hun cultuur van ervaren leden van de cultuur
, Systeemtheorie perspectief
Ontwikkelingspsychologen vinden ook dat kinderen beïnvloed worden door verschillende systemen.
Bronfenbrenner: ecologische theorie
Biologisch perspectief
Ethologische theorie = onderzoekers rekening houden met de omgeving van het kind waarin het gedrag
plaatsvindt. Ethologen zien gedrag als iets biologisch, maar ze denken wel dat het gedrag aangepast kan
worden door ervaringen.
Belangrijke periode = kritieke periode
Evolutionaire ontwikkelingstheorie = gedrag dat het voortbestaan van de soort in het verleden
verzekerde. Deze psychologen gaan ervan uit dat onze voorouders vaardigheden ontwikkelden om te
overleven.
Recente toepassing: levensgeschiedenistheorie = natuurlijke selectie om het grootst mogelijke
aantal overlevende nakomelingen te produceren succesvolle overdracht van de genen.
Belangrijke gebeurtenissen tijdens de levensloop worden hierdoor beïnvloedt
Gedragsgenetische theorie = kijkt naar erfelijkheid en omgeving als invloeden op verschillen in het
gedrag van mensen
Levensloopperspectief
Verandering over tijd kan volgens dit perspectief, drie oorzaken hebben:
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die de meeste mensen op dezelfde leeftijd tegenkomen,
zoals menstruatie, maar ook leeftijd dat kinderen naar school gaan.
Non-normatieve gebeurtenissen: onverwachte gebeurtenissen die ontwikkeling in een andere richting
duwt. Bijv. scheiding
Historische gebeurtenissen: mensen die in hetzelfde jaar of periode zijn geboren vormen
leeftijdscohorten die dezelfde historische ervaringen delen.
Socialisatie: resultaat evolutie
Bowlby en Ainsworth: Het kind heeft de aangeboren neiging om bij de ouder bescherming te zoeken in
geval van stress, gevaar of ziekte / gebruikt ouder om omgeving te exploreren
Taak ouders: ingaan op de behoefte aan bescherming/steun, bijv. troosten
Harlow: koestering belangrijker dan voedsel (experiment aapjes)
Lorenz: Imprinting: kwam erachter dat ganzen een sensitieve periode hebben
Taak ouders: in kritische/sensitieve periode het kind iets aanleren (lijkt op montessori)
Theorie =
Een door de mens geconstrueerd beeld van de werkelijkheid, een ‘denksel’
Anders dan de waarneembare werkelijkheid (empirie), maar poging deze begrijpelijk en inzichtelijk te
maken
Een theorie geeft verbanden aan
Hypothesen worden afgeleid uit de theorie
Een theorie kan worden weergegeven in een schema of model
Empirisch onderzoek kan de theorie ondersteunen of verwerpen
Socialisatieprocessen en mechanismen
Samenhang versus causaliteit
Opvoeding gedrag kind (unidirectioneel)
Gedrag kind opvoeding (bidirectioneel)
Moderatie
Gedrag kind x opvoeding sociale ontwikkeling kind
Meditatie/indirecte effecten
Gedrag kind via opvoeding sociale ontwikkeling kind
1.Opvoeding gedrag kind
Opvoedingsstijl leidt tot emotionele/gedragsaanpassing kind
Lewin, Lippitt, and White:
Autoritaire stijl, democratische stijl, laissez-faire (permissief)
Democratische stijl beste resultaten (tevreden, coöperatief en productief)
Autoritair leidt tot ongewenste ontwikkeling wat leidt tot minder streng, minder klemtoon op
ongehoorzaamheid