- Dendritische cel: Microbe dat gefagocyteerd is presenteren op MHC-klasse I of II
➢ Veel uitlopers → sneller contact maken met T cellen
➢ PRR binden aan PAMPs en DAMPs → rijping van dendrische cellen → B7
verhoogde expressie, CD40 op oppervlakte, CCR7 (chemokine receptor)
verhoogde expressie
1
,→ DC migreert via lymfevaten naar lymfeklier
Cross-presentatie:
= Dendritische cel zal opgenomen eiwit in cytosol sluizen → eiwit in cytosol → afgebroken door
proteasoom → getransporteerd naar het ER → binden aan MHC klasse I → contact maken met CD8
- Alleen door dendritische cellen
- Normaal → Dendritische cellen: deeltjes opnemen via fagocytose → gepresenteerd in
MHC-klasse II
- Opgenomen virus deeltje/ virus geinfecteerde cel kan worden gepresenteerd via MHC
klasse I
- Dendritische cel hoeft nu niet viraal geinfecteerd te zijn (lichaamcellen moeten dat
wel)
- Antigen op dendritische cel → binden aan T cel (geen andere binding van bvb
costimulatie) → T cel gaat dood => gebeurt ook zonder infectie in het lichaam
2
, (lichaamseigen antigen is gebonden, T cel had eigenlijk in thymus al verwijderd
moeten worden) → voorkomen autoimmuniteit
DC heeft 2 signalen nodig om T cel te activeren:
1. Herkenning van antigeen in MHC door TCR
2. Costimulatie van CD28 op T cel door B7
→ delen (prolifereren)
TCR:
TCR complex:
- TCR
CD4 (CD8) → langer intracellulair deel waar eiwitten aan kunnen binden
- CD3: molecuul op CD4 en CD 8 T cellen (algemene marker T cellen)
- Zeta ketens
→ signaal doorgeven als TCR gebonden is
3
, + costimulatie nog nodig om T cel te activeren
4