Week 1
Lamb – The history of Research on Father
Involvement
Zowel het begrijpen en de uitvoering van vaderschap en vaderlijke betrokkenheid
zijn gedurende de jaren veranderd. Het vaderschap is altijd een veelzijdig
concept geweest, maar het dominante/bepalende motief is verschoven. Van
morele begeleiding, naar kostwinning, naar seks-rol modeleren, huwelijk
steun, en uiteindelijk voeding. Als gevolg van deze veranderende concepten,
veranderde de manier hoe er naar de betrokkenheid gekeken werd ook.
In de 1960-1970 was er meer zorg over de effecten van vaderloosheid. Ze waren
toen dus ook meer bezig met het kwantificeren van concepten zoals vaderlijke
betrokkenheid. Er was toen dus een shift van de focus van onderzoek: van
kwalitatieve dimensies (bijv. mannelijkheid, dominantie), naar meer
kwantificeerbare dimensies (bijv. hoeveelheid tijd dat vader met kind
doorbrengt). Het gevolg was echter dat er voornamelijk gekeken werd naar de
vaderlijke verzorging, maar met weinig aandacht voor de andere
functies/aspecten van het vaderschap. De subculturele variatie in definitie en
begrip van vaderschap werd hierbij genegeerd. De verschillende
conceptualiseringen in de verschillende perioden/onderzoeken, maakt het echter
lastig om vergelijkingen over tijd te maken, dat zorgde ook voor die shift naar
kwantificatie.
Korte geschiedenis van vaderschap
Binnen de literatuur over het sociale aspect van vaderschap, zijn er 3 dimensies
te onderscheiden
1. Benadrukken de impliciete vergelijking van verantwoordelijk
vaderschap met succesvolle voorzieningen of kostwinning
a. Huidige zorgen over vaderloosheid, en deadbeat dads
2. Focus op de directe interactie tussen vader en kind in voorziening van
zorg, discipline, coaching, onderwijs, gezelschap, spel en supervisie
3. Focus op de relatie tussen vader en moeder, wat vervolgens weer invloed
heeft op de ontwikkeling van het kind
Vaak wordt er in onderzoek enkel gefocust op de individuele componenten van
het vaderschap, waarbij geen rekening wordt gehouden met de interactie tussen
verschillende rollen, of dat het wat meer inclusiever is (aangezien de rol per
cultuur ook weer kan verschillen)
Verschillende fasen – andere dominante motieven
1. Morele leraar of gids
- Liep van de Puriteinse tijden (16/17e eeuw), door de Koloniale periode tot
de vroege Republikeinse tijden.
- Rol: verantwoordelijk voor moreel toezicht en morele leer
- Vaders moesten er dus voor zorgen dat de kinderen opgroeiden met
gepaste waarden, welke voornamelijk afkomstig waren van religie
- Ze leerden enkel lezen zodat ze de Scriptures konden lezen, wat bijdroeg
aan de rol van de vader en zodat ze goed Christen konden zijn
, - Goed vaderschap: mannen die een voorbeeld vormden voor een goed
christelijk leven en wier kinderen goed thuis waren in de Schrift
2. Kostwinnaar
- Rond de gecentraliseerde industrialisatie was er een shift (mid 19 e eeuw –
Great Depression)
- Rol: verantwoordelijk voor kostwinning
- De overige aspecten van vaders rol waren niet verdwenen, en het was ook
niet dat de kostwinning daarvoor niet belangrijk was. Echter was het eerst
een gedeelde verantwoordelijkheid
- Goed vaderschap: kostwinning
3. De seks-rolmodel
- 1930s, 1940s was er weer een shift
- Mogelijk als gevolg van verstoring en dislocatie dankzij de Great
Depression, New Deal en WWII
- Focus verschoof naar ontoereikendheid van vele vaders. De vader kreeg
meer de rol van seks-rolmodel, met name voor de zonen
4. De nieuwe verzorgende vader
- Rond mid 1970s
- Rol: meer een actieve rol in de dagelijkse verzorging van de kinderen
- Goed vaderschap: actieve rol hebben
Veranderend vaderschap: sociaal wetenschappelijk
perspectief
Velen stellen dat de turn of the century (begin 1900) ook voor een soort overgang
zorgde waarin sociale wetenschappen loskwamen van
filosofie/biologie/geneeskunde.
Psychoanalytische theorie
Sigmund Freud stelde dat de archetypische vader werd gekenmerkt door
klassieke mannelijke eigenschappen:
- Psychologisch sterk
- Dominant binnen de familie
- Assertief
- Besluitvol
- Succesvol als voorziener
Volgens de psychoanalytische theorie functioneert een vader voornamelijk in de
context van een motivatie systeem waarin jongens zich willen identificeren met
de vader. Dit werd dan ook de focus binnen het onderzoek: identificatie. Er werd
daarbij gekeken hoe een bepaald aspect van de persoonlijkheid van de vader
correleeerde met dat van de zoon. De focus lag dus op kwalitatieve metingen
WWII
De 2e Wereldoorlog zorgde voor 2 belangrijke zorgen binnen de psychologie, wat
gevolgen had voor onderzoek naar vaderschap:
1. Afwezigheid van moeder psychosociale gevolgen
, a. Waarin psychiaters zeiden dat kinderen die opgroeiden in
weeshuizen of ziekenhuissetting hier sterk door werden beïnvloed
2. Afwezigheid van vader
a. Kinderen (voornamelijk jongens) werden ook beschadigd wanneer zij
zonder vader opgroeiden
Opvallend bij het onderzoek is echter dat bij beiden de relatie tussen
traumatische gebeurtenissen en uitkomsten sterk werd gesimplificeerd, en dat
vele andere risicofactoren die het effect beter kunnen verklaren worden
genegeerd.
De literatuur over de afwezigheid van de moeder leidde uiteindelijk tot de
hechtingstheorie (Bowlby). Hierbij werd de invloed van andere belangrijke
figuren achterwege gelaten.
De bevindingen over de afwezigheid van vaders zorgde meer voor het ontstaan
van een meer kwantitatieve benadering, met variaties in de tijd dat de vader
doorbracht met de kinderen.
Kwantitatieve benadering
Naast dat er dus niet meer zo dichotoom naar de aan-/afwezigheid van vaders
werd gekeken, maar het meer een dimensie van hoeveel tijd werd, waren er nog
2 andere factoren die hebben bijgedragen aan de kwantitatieve benadering.
1. Feministische beweging
a. Hierdoor werden sommige fundamentele impliciete assumpties in
twijfel gebracht
i. Is het wel zo goed dat jongens meer mannelijk en meisjes
meer vrouwelijk moeten zijn?
ii. Moet de hogere mate van agressiviteit bij jongens worden
beperkt of geprezen?
b. Aangezien velen het ingewikkeld vonden hier echt een mening over
te vormen, gingen ze zich meer richten op objectieve dimensies
2. Heropkomst van interesse in methodologieën die tijd gebruiken
Er waren nog wel wat limitaties: ze focusten bijv. enkel op de hoeveelheid tijd
die met het kind werd doorgebracht, waarbij geen onderscheid werd gemaakt in
de kwaliteit van de interactie. Daarnaast werd er ook niet gefocust op andere
manieren hoe een vader bijdraagt aan het welzijn van een kind, zoals financieel
of emotionele steun voor de moeder.
Hoe hebben ze de niveaus van vaderlijke betrokkenheid
vergeleken?
De resultaten die gevonden werden, varieerden énorm: van 37 sec. tot 8 uur per
dag. Er zijn meerdere factoren die hebben bijgedragen aan de onbetrouwbare
bevindingen
Definitie – engagement, accessibility, responsibility
De impliciete definities van ouderlijke betrokkenheid verschilden vaak per studie,
waarbij er verschillende activiteiten werden meegenomen in de definitie,
waardoor vergelijking moeilijk was. Er zijn eigenlijk 3 componenten die vaak
beschreven worden, componenten van de ouderlijke betrokkenheid:
, 1. Engagement – de tijd die gespendeerd is in een daadwerkelijke 1-op-1
interactie
a. Dus niet de tijd die je kwijt bent aan bijv. opruimen van de rommel
van het kind of dat je in de kamer zit terwijl het kind zelf speelt
2. Accessibility (toegankelijkheid) – de tijd gekenmerkt door mindere mate
van interactie. Als in: je bent wel toegankelijk voor het kind, maar het
draait niet zo zeer op een directe interactie
a. Dus wel dat je in de kamer zit terwijl het kind zelf speelt
3. Responsibility (verantwoordelijkheid) – mate waarin de ouder de
verantwoordelijkheid neemt voor de zorg en welzijn van het kind.
a. Weten wanneer kind naar de dokter moet, afspraak maken etc.
b. Oppas regelen als dat nodig is
c. Echter vaak moeilijk om goed te meten
Toen ze eenmaal deze categorieën hadden, was het nog steeds lastig om een
goede vergelijking te maken, aangezien dit retrospectief is toegepast op de
bestaande data en er dus verschillen zijn in hoe een specifieke situatie bijv.
gedefinieerd werd.
Uiteindelijk bleek de beste oplossing om het proportioneel te bekijken. Dus
waarin de resultaten van de vader werden vergeleken met de moeders. En dan
werden die proportionele resultaten weer met elkaar vergeleken
Mate ven betrokkenheid vader
- 2-oudergezin – moeder werkloos, betrokkenheid van de vader:
Directe interactie en engagement 20-25%
Toegankelijk 35%
Verantwoordelijkheid vrijwel niet
- 2-oudergezin – beiden werken
Engagement en accessibility zijn hoger
ₓ Engagement 33-44%
ₓ Accessibility 65%
Verantwoordelijkheid lag vooral nog bij de moeder
In de genoemde aantallen lijkt het bij de 2e dat de vaders meer doen, maar het is
vooral zo dat de moeders minder doen (en de vaders evenveel), dus dan wordt
alsnog de proportie groter maar doen ze niet zozeer meer.
Veranderingen over tijd
Er is weinig bewijs dat er echt veranderingen zijn in de mate van vaderlijke
betrokkenheid. Het was in 1980 nog steeds zo dat de moeders veel meer
interactie hadden met het kind dan vaders.
Uit ander onderzoek van Pleck bleek wel dat de gemiddelde niveaus van vader
betrokkenheid wel waren toegenomen, zowel absoluut als relatief. Maar dan
vooral wanneer er werd gekeken naar directe interactie (engagement) en
accessibility, niet de verantwoordelijkheid
Lamb – The history of Research on Father
Involvement
Zowel het begrijpen en de uitvoering van vaderschap en vaderlijke betrokkenheid
zijn gedurende de jaren veranderd. Het vaderschap is altijd een veelzijdig
concept geweest, maar het dominante/bepalende motief is verschoven. Van
morele begeleiding, naar kostwinning, naar seks-rol modeleren, huwelijk
steun, en uiteindelijk voeding. Als gevolg van deze veranderende concepten,
veranderde de manier hoe er naar de betrokkenheid gekeken werd ook.
In de 1960-1970 was er meer zorg over de effecten van vaderloosheid. Ze waren
toen dus ook meer bezig met het kwantificeren van concepten zoals vaderlijke
betrokkenheid. Er was toen dus een shift van de focus van onderzoek: van
kwalitatieve dimensies (bijv. mannelijkheid, dominantie), naar meer
kwantificeerbare dimensies (bijv. hoeveelheid tijd dat vader met kind
doorbrengt). Het gevolg was echter dat er voornamelijk gekeken werd naar de
vaderlijke verzorging, maar met weinig aandacht voor de andere
functies/aspecten van het vaderschap. De subculturele variatie in definitie en
begrip van vaderschap werd hierbij genegeerd. De verschillende
conceptualiseringen in de verschillende perioden/onderzoeken, maakt het echter
lastig om vergelijkingen over tijd te maken, dat zorgde ook voor die shift naar
kwantificatie.
Korte geschiedenis van vaderschap
Binnen de literatuur over het sociale aspect van vaderschap, zijn er 3 dimensies
te onderscheiden
1. Benadrukken de impliciete vergelijking van verantwoordelijk
vaderschap met succesvolle voorzieningen of kostwinning
a. Huidige zorgen over vaderloosheid, en deadbeat dads
2. Focus op de directe interactie tussen vader en kind in voorziening van
zorg, discipline, coaching, onderwijs, gezelschap, spel en supervisie
3. Focus op de relatie tussen vader en moeder, wat vervolgens weer invloed
heeft op de ontwikkeling van het kind
Vaak wordt er in onderzoek enkel gefocust op de individuele componenten van
het vaderschap, waarbij geen rekening wordt gehouden met de interactie tussen
verschillende rollen, of dat het wat meer inclusiever is (aangezien de rol per
cultuur ook weer kan verschillen)
Verschillende fasen – andere dominante motieven
1. Morele leraar of gids
- Liep van de Puriteinse tijden (16/17e eeuw), door de Koloniale periode tot
de vroege Republikeinse tijden.
- Rol: verantwoordelijk voor moreel toezicht en morele leer
- Vaders moesten er dus voor zorgen dat de kinderen opgroeiden met
gepaste waarden, welke voornamelijk afkomstig waren van religie
- Ze leerden enkel lezen zodat ze de Scriptures konden lezen, wat bijdroeg
aan de rol van de vader en zodat ze goed Christen konden zijn
, - Goed vaderschap: mannen die een voorbeeld vormden voor een goed
christelijk leven en wier kinderen goed thuis waren in de Schrift
2. Kostwinnaar
- Rond de gecentraliseerde industrialisatie was er een shift (mid 19 e eeuw –
Great Depression)
- Rol: verantwoordelijk voor kostwinning
- De overige aspecten van vaders rol waren niet verdwenen, en het was ook
niet dat de kostwinning daarvoor niet belangrijk was. Echter was het eerst
een gedeelde verantwoordelijkheid
- Goed vaderschap: kostwinning
3. De seks-rolmodel
- 1930s, 1940s was er weer een shift
- Mogelijk als gevolg van verstoring en dislocatie dankzij de Great
Depression, New Deal en WWII
- Focus verschoof naar ontoereikendheid van vele vaders. De vader kreeg
meer de rol van seks-rolmodel, met name voor de zonen
4. De nieuwe verzorgende vader
- Rond mid 1970s
- Rol: meer een actieve rol in de dagelijkse verzorging van de kinderen
- Goed vaderschap: actieve rol hebben
Veranderend vaderschap: sociaal wetenschappelijk
perspectief
Velen stellen dat de turn of the century (begin 1900) ook voor een soort overgang
zorgde waarin sociale wetenschappen loskwamen van
filosofie/biologie/geneeskunde.
Psychoanalytische theorie
Sigmund Freud stelde dat de archetypische vader werd gekenmerkt door
klassieke mannelijke eigenschappen:
- Psychologisch sterk
- Dominant binnen de familie
- Assertief
- Besluitvol
- Succesvol als voorziener
Volgens de psychoanalytische theorie functioneert een vader voornamelijk in de
context van een motivatie systeem waarin jongens zich willen identificeren met
de vader. Dit werd dan ook de focus binnen het onderzoek: identificatie. Er werd
daarbij gekeken hoe een bepaald aspect van de persoonlijkheid van de vader
correleeerde met dat van de zoon. De focus lag dus op kwalitatieve metingen
WWII
De 2e Wereldoorlog zorgde voor 2 belangrijke zorgen binnen de psychologie, wat
gevolgen had voor onderzoek naar vaderschap:
1. Afwezigheid van moeder psychosociale gevolgen
, a. Waarin psychiaters zeiden dat kinderen die opgroeiden in
weeshuizen of ziekenhuissetting hier sterk door werden beïnvloed
2. Afwezigheid van vader
a. Kinderen (voornamelijk jongens) werden ook beschadigd wanneer zij
zonder vader opgroeiden
Opvallend bij het onderzoek is echter dat bij beiden de relatie tussen
traumatische gebeurtenissen en uitkomsten sterk werd gesimplificeerd, en dat
vele andere risicofactoren die het effect beter kunnen verklaren worden
genegeerd.
De literatuur over de afwezigheid van de moeder leidde uiteindelijk tot de
hechtingstheorie (Bowlby). Hierbij werd de invloed van andere belangrijke
figuren achterwege gelaten.
De bevindingen over de afwezigheid van vaders zorgde meer voor het ontstaan
van een meer kwantitatieve benadering, met variaties in de tijd dat de vader
doorbracht met de kinderen.
Kwantitatieve benadering
Naast dat er dus niet meer zo dichotoom naar de aan-/afwezigheid van vaders
werd gekeken, maar het meer een dimensie van hoeveel tijd werd, waren er nog
2 andere factoren die hebben bijgedragen aan de kwantitatieve benadering.
1. Feministische beweging
a. Hierdoor werden sommige fundamentele impliciete assumpties in
twijfel gebracht
i. Is het wel zo goed dat jongens meer mannelijk en meisjes
meer vrouwelijk moeten zijn?
ii. Moet de hogere mate van agressiviteit bij jongens worden
beperkt of geprezen?
b. Aangezien velen het ingewikkeld vonden hier echt een mening over
te vormen, gingen ze zich meer richten op objectieve dimensies
2. Heropkomst van interesse in methodologieën die tijd gebruiken
Er waren nog wel wat limitaties: ze focusten bijv. enkel op de hoeveelheid tijd
die met het kind werd doorgebracht, waarbij geen onderscheid werd gemaakt in
de kwaliteit van de interactie. Daarnaast werd er ook niet gefocust op andere
manieren hoe een vader bijdraagt aan het welzijn van een kind, zoals financieel
of emotionele steun voor de moeder.
Hoe hebben ze de niveaus van vaderlijke betrokkenheid
vergeleken?
De resultaten die gevonden werden, varieerden énorm: van 37 sec. tot 8 uur per
dag. Er zijn meerdere factoren die hebben bijgedragen aan de onbetrouwbare
bevindingen
Definitie – engagement, accessibility, responsibility
De impliciete definities van ouderlijke betrokkenheid verschilden vaak per studie,
waarbij er verschillende activiteiten werden meegenomen in de definitie,
waardoor vergelijking moeilijk was. Er zijn eigenlijk 3 componenten die vaak
beschreven worden, componenten van de ouderlijke betrokkenheid:
, 1. Engagement – de tijd die gespendeerd is in een daadwerkelijke 1-op-1
interactie
a. Dus niet de tijd die je kwijt bent aan bijv. opruimen van de rommel
van het kind of dat je in de kamer zit terwijl het kind zelf speelt
2. Accessibility (toegankelijkheid) – de tijd gekenmerkt door mindere mate
van interactie. Als in: je bent wel toegankelijk voor het kind, maar het
draait niet zo zeer op een directe interactie
a. Dus wel dat je in de kamer zit terwijl het kind zelf speelt
3. Responsibility (verantwoordelijkheid) – mate waarin de ouder de
verantwoordelijkheid neemt voor de zorg en welzijn van het kind.
a. Weten wanneer kind naar de dokter moet, afspraak maken etc.
b. Oppas regelen als dat nodig is
c. Echter vaak moeilijk om goed te meten
Toen ze eenmaal deze categorieën hadden, was het nog steeds lastig om een
goede vergelijking te maken, aangezien dit retrospectief is toegepast op de
bestaande data en er dus verschillen zijn in hoe een specifieke situatie bijv.
gedefinieerd werd.
Uiteindelijk bleek de beste oplossing om het proportioneel te bekijken. Dus
waarin de resultaten van de vader werden vergeleken met de moeders. En dan
werden die proportionele resultaten weer met elkaar vergeleken
Mate ven betrokkenheid vader
- 2-oudergezin – moeder werkloos, betrokkenheid van de vader:
Directe interactie en engagement 20-25%
Toegankelijk 35%
Verantwoordelijkheid vrijwel niet
- 2-oudergezin – beiden werken
Engagement en accessibility zijn hoger
ₓ Engagement 33-44%
ₓ Accessibility 65%
Verantwoordelijkheid lag vooral nog bij de moeder
In de genoemde aantallen lijkt het bij de 2e dat de vaders meer doen, maar het is
vooral zo dat de moeders minder doen (en de vaders evenveel), dus dan wordt
alsnog de proportie groter maar doen ze niet zozeer meer.
Veranderingen over tijd
Er is weinig bewijs dat er echt veranderingen zijn in de mate van vaderlijke
betrokkenheid. Het was in 1980 nog steeds zo dat de moeders veel meer
interactie hadden met het kind dan vaders.
Uit ander onderzoek van Pleck bleek wel dat de gemiddelde niveaus van vader
betrokkenheid wel waren toegenomen, zowel absoluut als relatief. Maar dan
vooral wanneer er werd gekeken naar directe interactie (engagement) en
accessibility, niet de verantwoordelijkheid