10.1 → De Nederlandse identiteit
Hoofdconcept Binding: verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen
mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het
niveau van de staat.
(14.1) Typen bindingen tussen mensen:
In totaal zijn er 4 soorten sociale bindingen tussen een groep:
1. affectieve binding: op basis van emoties en gevoelens
↳ Dit zijn de gevoelens om ergens bij te horen. Bijvoorbeeld: familie, vrienden maar ook
een land. Het zijn de afhankelijkheden die te maken hebben met positieve en
negatieve gevoelens van mensen voor elkaar.
2. cognitieve binding: op basis van kennis.
↳ Ze gebruiken de kennis die ze van anderen ontvangen om een beeld of opvatting
over de wereld te vormen. Dit kan gaan om kennis, symbolen, vaardigheden, tradities,
gedragsregels en ideologische denkbeelden. Het zijn de afhankelijkheden die te maken
hebben met kennisvorming en kennisoverdracht.
3. economische binding: op basis van schaarse goederen.
↳ Het gaat om bindingen die te maken hebben met werk en met goederen die nodig zijn
voor het bestaan. Het zijn afhankelijkheden die te maken hebben met de productie en
verdeling van schaarse goederen.
4. politieke binding: op basis van geregelde zaken.
↳ Bijvoorbeeld: onderwijs, zorg, verkeer en veiligheid. Het zijn afhankelijkheden die te
maken hebben met politieke macht.
Hoe meer binding tussen een groep, hoe lastiger het wordt om deze binding te
verbreken.
Sociale cohesie: Het aantal en de kwaliteiten van de bindingen die mensen in een
ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid zijn van een
gemeenschap, de mate waarin anderen daar ook een beroep op kunnen doen.
,(14.2) Bindingen bezien vanuit paradigma’s:
Functionalisme-paradigma: sociale cohesie is van belang, omdat betrokkenheid en
onderlinge verbondenheid een samenleving bij elkaar houdt.
Met ‘sociale cohesieprobleem’ of 'ordeprobleem' wordt de maatschappelijke ordening
bedoelt: de inrichting van de samenleving in subsystemen en istituties die een functie
vervullen voor het voortbestaan van de samenleving.
Conflict-paradigma zijn meer geïnteresseerd in de geringe mate van sociale cohesie
tussen verschillende groepen in een samenleving.
Binnen een groep is sprake van groepsvorming en sociale cohesie door insluiting en
uitsluitingsprocessen. Dat laatste kan leiden tot conflicten tussen de ‘haves’ en ‘havenots’.
Je hebt latente (verborgen) en manifeste (zichtbare) conflicten.
Sociaal constructivisme-paradigma: Hoe bindingen door individuen worden ervaren
en welke betekenis zij aan deze bindingen geven.
(Zo kan bijvoorbeeld een meisje een sterke binding ervaren met een sportvereniging
waar de sfeer voor haar goed is maar zich minder verbonden voelen met de klas waar
ze volgens haar, een negatieve sfeer ervaart.)
De nadruk ligt op de subjectieve opvattingen en de gevoelens van personen die
zorgen voor de betekenis die toegekend wordt aan bindingen. Daarom kan het ook zijn
dat mensen een dynamische, meervoudige en wisselende identificatie hebben met
verschillende groepen of personen; multiple identity.
Het meisje kan bjvoorbeeld verschillende identiteiten ervaren per groep. Bij haar
vriendinnengroep ervaart ze veel verbondenheid en waardering daardoor kan e
extravert en enthouasiast zijn. Maar in haar schoolklas, waar ze weinig affectieve
bindingen ervaart met klasgenoten, kan ze juist stil en teruggetrokkken zijn. Zo zie je
de wisselende identificaties.
Rationele actor-paradigma: bindingen ontstaan, en blijven bestaan, als actoren hier baat
bij hebben.
, (4.1) het proces van socialisatie en acculturatie
(4.2) primaire, secundaire en tertiaire socialisatie
(4.3) De vorming van identiteit
Hoofdconcept Vorming: proces van verwerving van een bepaalde identiteit
Socialisatie= Het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groepen en
de samenleving waar mensen bij horen. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en
andere vormen van omgang met anderen.
Het kernconcept gaat over het hele proces van gedrag aanleren en aangeleerd krijgen.
Socialisatoren zijn mensen die een rol spelen bij het overdragen van cultuur.
De 2 delen van socialisatie:
Socialisatie wordt ook wel het proces van leren samenleven genoemd (socialisatieproces):
Je moet iets leren, maar je moet het ook kunnen doorgeven. Er bestaan dus 2 delen:
- Het proces van overdracht →
Mensen brengen de cultuur van een groep of samenleving over aan nieuwkomers.
- Het proces van verwerving →
In dit deel van het socialisatieproces maken mensen zich de cultuur van een groep of
samenleving eigen. Ze leren. Dit heet ook wel internaliseren.
Mensen gaan door ontmoetingen andermans gedrag imiteren, socialisatie verloopt ook vaak
via identificatie.
Het is niet altijd positief, via socialisatie krijgen mensen ook stereotypen (vaststaand beeld
van mensen dat niet overeenkomt met de werkelijkheid) en vooroordelen ( mening of idee
over iemand, zonder te weten of het klopt.) overgedragen. Socialisatie is het meest intensief
in de kindertijd en jeugd.
We maken onderscheid tussen 3 vormen:
- Primaire socialisatie: Mensen die het meest dichtbij je staan
- Secundaire socialisatie: Formele omgeving, school, werk
- Tertiaire socialisatie: Door anonieme socialisatoren, bijvoorbeeld media
Socialisatie heeft de volgende functies →
- Continuering van een cultuur
- Verandering van een cultuur
- Identificatie van het individu met anderen, met een groep en een subcultuur, en het besef
van groepslidmaatschap van het individu.
- Identiteitsontwikkeling van het individu
- Gedragsregulatie van het individu
Socialisatie is een fundamenteel belang voor zowel de vorming van een individu als voor het
voortbestaan van een samenleving.