Overzicht stoornissen
- Hoofdkenmerken
- Prevalentie (jongens/meisjes)
- Onset (begin)
- Verloop
- Sekseverschillen
- Comorbiditeit
Hoofdstuk 5
Reactive Attachment Disorder (RAD):
• Hoofdkenmerken: Beperkt hechtingsgedrag, moeite met het zoeken van steun,
verminderde sociale en emotionele wederkerigheid, minder positieve emoties,
verhoogde negatieve emoties en slechte emotieregulatie. RAD wordt vaak
gediagnosticeerd bij kinderen met zeer negatieve vroege ervaringen.
• Prevalentie: Zeldzaam, komt vooral voor bij kinderen die ernstige mishandeling of
verwaarlozing hebben meegemaakt.
• Onset: Ontstaat meestal op jonge leeftijd bij kinderen die een tekort aan consistente en
responsieve zorg hebben ervaren.
• Verloop: Betere verzorgingsomgevingen kunnen leiden tot verbeteringen, eerst in de
fysieke ontwikkeling, dan in cognitie en als laatste op het sociale vlak.
• Sekseverschillen: Geen specifieke sekseverschillen benoemd.
• Comorbiditeit: Vaak problemen op fysiologische, emotionele, gedrags- en cognitieve
domeinen, waaronder slechte emotieregulatie en mogelijk latere psychopathologie.
Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)
• Hoofdkenmerken: Tekort aan behoedzaamheid, ongepaste benaderingen naar
vreemdelingen, en gebrek aan fysieke en sociale grenzen. Kinderen met DSED gedragen
zich vaak te open en sociaal ongeremd tegenover onbekenden.
• Prevalentie: Komt vaker voor dan RAD en kan worden aangetroffen bij kinderen met
verschillende hechtingsstijlen.
• Onset: Ontstaat meestal in de vroege kindertijd bij kinderen die langdurige tekorten in
zorg en hechtingservaringen hebben gehad.
• Verloop: Betere zorgomgevingen kunnen de uitkomsten verbeteren, maar sociale
gedragsproblemen kunnen langer aanhouden dan bij RAD.
• Sekseverschillen: Geen duidelijke verschillen benoemd tussen jongens en meisjes.
, • Comorbiditeit: Gerelateerd aan problemen met emotieregulatie en executieve functies.
Kinderen met een ongeorganiseerde hechtingsstijl hebben een groter risico op het
ontwikkelen van DSED
Hoofdstuk 11
Seperaton anxiety disorder:
• Hoofdkenmerken: Significante stress bij separatie van huis of hechtingsfiguren,
leeftijdsongepast. Symptomen kunnen bestaan uit hoofdpijn, buikpijn, nachtmerries,
panieksymptomen en hogere levels van angstsensitiviteit.
• Prevalentie: Geschat tussen 2% en 4%.
• Co-morbiditeit: Vaak aanwezig.
• Onset: Meestal rond de vroege kindertijd (4-6 jaar).
Kan optreden na een stressvolle gebeurtenis, zoals een verhuizing of scheiding van een
ouder.
• Verloop: Kan spontaan verbeteren, vooral als het mild is. Bij ernstige gevallen kan het
aanhouden tot de adolescentie en overgaan in andere angststoornissen (zoals sociale
angst of paniekstoornis). Vaak beïnvloed door opvoeding en levensgebeurtenissen.
Specific phobia:
• Hoofdkenmerken: Excessieve en overdreven angst voor bepaalde objecten of situaties.
Dit leidt tot intense angstreacties en vermijdingsgedrag.
• Soorten: Dieren, situaties, verwondingen of bloed, en natuurlijke fenomenen.
• Comorbiditeit: Specifieke fobieën kunnen bijdragen aan het risico op andere
angstsymptomen.
• Onset: vaak in de kindertijd (gemiddeld tussen 7-11 jaar).
Kan ontstaan door directe conditionering (traumatische ervaring), modelleren (angst van
anderen overnemen), of negatieve informatie.
• Verloop: Begint vaak in de kindertijd en kan chronisch blijven als het onbehandeld blijft.
Vermijding kan de angst versterken. Met blootstellingstherapie kan de fobie goed
behandeld worden
Social anxiety disorder:
• Hoofdkenmerken: Angst en vermijding in sociale situaties en/of situaties waar negatieve
evaluaties voorkomen.
• Prevalentie: Tussen de 1% en 6%, vaker bij meisjes dan bij jongens.
• Co-morbiditeit: Kan samengaan met selectief mutisme en vaak met gegeneraliseerde
angststoornis.
• Onset: Meestal rond de adolescentie (gemiddeld 10-13 jaar).
Ontstaat vaak door negatieve sociale ervaringen of een combinatie van temperament en
omgevingsfactoren.
• Verloop: Begint meestal in de adolescentie en heeft een chronisch beloop zonder
behandeling. Kan zich verergeren als sociale situaties actief vermeden worden. Kan
leiden tot sociale isolatie en depressie.
- Hoofdkenmerken
- Prevalentie (jongens/meisjes)
- Onset (begin)
- Verloop
- Sekseverschillen
- Comorbiditeit
Hoofdstuk 5
Reactive Attachment Disorder (RAD):
• Hoofdkenmerken: Beperkt hechtingsgedrag, moeite met het zoeken van steun,
verminderde sociale en emotionele wederkerigheid, minder positieve emoties,
verhoogde negatieve emoties en slechte emotieregulatie. RAD wordt vaak
gediagnosticeerd bij kinderen met zeer negatieve vroege ervaringen.
• Prevalentie: Zeldzaam, komt vooral voor bij kinderen die ernstige mishandeling of
verwaarlozing hebben meegemaakt.
• Onset: Ontstaat meestal op jonge leeftijd bij kinderen die een tekort aan consistente en
responsieve zorg hebben ervaren.
• Verloop: Betere verzorgingsomgevingen kunnen leiden tot verbeteringen, eerst in de
fysieke ontwikkeling, dan in cognitie en als laatste op het sociale vlak.
• Sekseverschillen: Geen specifieke sekseverschillen benoemd.
• Comorbiditeit: Vaak problemen op fysiologische, emotionele, gedrags- en cognitieve
domeinen, waaronder slechte emotieregulatie en mogelijk latere psychopathologie.
Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)
• Hoofdkenmerken: Tekort aan behoedzaamheid, ongepaste benaderingen naar
vreemdelingen, en gebrek aan fysieke en sociale grenzen. Kinderen met DSED gedragen
zich vaak te open en sociaal ongeremd tegenover onbekenden.
• Prevalentie: Komt vaker voor dan RAD en kan worden aangetroffen bij kinderen met
verschillende hechtingsstijlen.
• Onset: Ontstaat meestal in de vroege kindertijd bij kinderen die langdurige tekorten in
zorg en hechtingservaringen hebben gehad.
• Verloop: Betere zorgomgevingen kunnen de uitkomsten verbeteren, maar sociale
gedragsproblemen kunnen langer aanhouden dan bij RAD.
• Sekseverschillen: Geen duidelijke verschillen benoemd tussen jongens en meisjes.
, • Comorbiditeit: Gerelateerd aan problemen met emotieregulatie en executieve functies.
Kinderen met een ongeorganiseerde hechtingsstijl hebben een groter risico op het
ontwikkelen van DSED
Hoofdstuk 11
Seperaton anxiety disorder:
• Hoofdkenmerken: Significante stress bij separatie van huis of hechtingsfiguren,
leeftijdsongepast. Symptomen kunnen bestaan uit hoofdpijn, buikpijn, nachtmerries,
panieksymptomen en hogere levels van angstsensitiviteit.
• Prevalentie: Geschat tussen 2% en 4%.
• Co-morbiditeit: Vaak aanwezig.
• Onset: Meestal rond de vroege kindertijd (4-6 jaar).
Kan optreden na een stressvolle gebeurtenis, zoals een verhuizing of scheiding van een
ouder.
• Verloop: Kan spontaan verbeteren, vooral als het mild is. Bij ernstige gevallen kan het
aanhouden tot de adolescentie en overgaan in andere angststoornissen (zoals sociale
angst of paniekstoornis). Vaak beïnvloed door opvoeding en levensgebeurtenissen.
Specific phobia:
• Hoofdkenmerken: Excessieve en overdreven angst voor bepaalde objecten of situaties.
Dit leidt tot intense angstreacties en vermijdingsgedrag.
• Soorten: Dieren, situaties, verwondingen of bloed, en natuurlijke fenomenen.
• Comorbiditeit: Specifieke fobieën kunnen bijdragen aan het risico op andere
angstsymptomen.
• Onset: vaak in de kindertijd (gemiddeld tussen 7-11 jaar).
Kan ontstaan door directe conditionering (traumatische ervaring), modelleren (angst van
anderen overnemen), of negatieve informatie.
• Verloop: Begint vaak in de kindertijd en kan chronisch blijven als het onbehandeld blijft.
Vermijding kan de angst versterken. Met blootstellingstherapie kan de fobie goed
behandeld worden
Social anxiety disorder:
• Hoofdkenmerken: Angst en vermijding in sociale situaties en/of situaties waar negatieve
evaluaties voorkomen.
• Prevalentie: Tussen de 1% en 6%, vaker bij meisjes dan bij jongens.
• Co-morbiditeit: Kan samengaan met selectief mutisme en vaak met gegeneraliseerde
angststoornis.
• Onset: Meestal rond de adolescentie (gemiddeld 10-13 jaar).
Ontstaat vaak door negatieve sociale ervaringen of een combinatie van temperament en
omgevingsfactoren.
• Verloop: Begint meestal in de adolescentie en heeft een chronisch beloop zonder
behandeling. Kan zich verergeren als sociale situaties actief vermeden worden. Kan
leiden tot sociale isolatie en depressie.