Sociale Wetenschappen HC
Week 1:
Recht (en onrecht) vindt altijd plaats in de context van de samenleving. Kijk bijv.
naar:
• Women’s march op Internationale Vrouwendag 2019
• Black Lives Matter protesten 2020
• Coronaprotesten 2020-2021
• Toeslagenaffaire Nederland 2021
• Situatie Afghanistan 2021
Onze samenleving, politieke stelsel, economie, scholing beïnvloeden ons idee van
wat recht en onrecht is. Recht beïnvloedt ook weer hoe wij samenleven, samen
werken, demonstreren, etc.
Belangrijk dat jij weet hoe de samenleving in elkaar zit en wat daar speelt, om een
goede jurist te kunnen zijn.
De maatschappij waarin we leven:
In Nederland wordt de ruimte gegeven om te praten over ongelijkheid, gelijke lonen,
dierenleed etc.
Sociologie is:
… de wetenschap van manieren waarop mensen samenleven.
… wetenschap van de samenleving.
… studie van de menselijke groep.
… studie van sociale netwerken (= een te onderscheiden geheel van relaties
tussen actoren (individuen en personen)
De binding kan bewust gaan maar ook onbewust, je neemt bepaalde normen en
waarden mee. En op basis daarvan vormen wij nieuwe groepen. De gedragsregelen
veranderen afhankelijk van waar en met wie je bent.
Interdependentie (afhankelijk)
Mensen zijn fundamenteel van elkaar afhankelijk, iedereen is (in wisselende mate)
hulpbehoevend.
Verschillende soorten afhankelijkheden:
1. Economische bindingen: productie en distributie van schaarse goederen
(voedsel, kleding).
2. Politieke bindingen: fysieke dwang die mensen op andere mensen kunnen
uitoefenen.
3. Affectieve bindingen: positieve en negatieve gevoelens die mensen voor
elkaar koesteren maar ook voor bepaalde groepen of politieke instanties)
4. Cognitieve bindingen: kennisvorming en kennisoverdracht
Verwevenheid: iedere sociale relatie omvat meer bindingen tegelijkertijd.
Van jagen en verzamelen naar domesticeren
Jagers en verzamelaars hadden geen vaste woonplaats. Dit veranderde wanneer ze
gingen domesticeren. Domesticatie is het proces dat je van wilde dieren vee en
huisdieren maakt. In dit proces ontstaat een wederzijdse afhankelijkheid tussen mens
en dier. Mensen gingen sedentair leven: kregen een vaste woonplaats.
, Agrarische revolutie: het proces van het ontwikkelen van landbouw en het
daardoor kunnen leven in nederzettingen.
Door irrigatie en het vervoeren van water naar onvruchtbaar grond, kon er meer
graan, tarwe en gerst verbouwd worden. Er ontstonden ambachten en markten. Er
ontstaat een groot sociaal netwerk van mensen en functies, oftewel een
samenleving.
Nachtwakersstaat (tot 19e eeuw): beperkte overheidsbemoeienis, beschermen
landsgrenzen en openbare orde. Koning heeft absolute macht.
Grondwet van 1848 – Thorbecke (1798–1872): grondwetswijziging die het begin
betekende van de ‘gedecentraliseerde eenheidsstaat’. Macht van de koning werd
beperkt en de Tweede Kamer gekozen door burgers. Let op! Niet alle burgers.
Moderne tijd (1848-1940): samenleving steeds complexer door grote
bevolkingsgroei, ontwikkeling van de wetenschap, technologische ontwikkelingen en
industrialisatie. Het schrift ontwikkelt zich en daarmee ook geschreven wetten.
Industriële revolutie: urbanisatie, productiemiddelen, uitbuiting, vervreemding,
sociale kwestie (arbeidsvraagstuk).
Rechtsstaat (vanaf 19e eeuw): staatsvorm waarin wederzijdse rechten en plichten
van burgers en overheid zijn vastgelegd in wetten.
Globaal kan een rechtsstaat gekenmerkt worden door een scheiding der machten,
de aanwezigheid van grondrechten en het legaliteitsbeginsel.
De rol van de overheid neemt toe. Aanpak grote maatschappelijke problemen
zoals armoede en huisvesting.
De eerste sociale wetgeving was de Armenwet (1854).
Verzorgingsstaat (na WOII): overheid verzorgd de burger van de wieg tot aan het
graf.
Sociale wetgeving; Kinderwetje van Van Houten (1874), Arbeidswet (1889),
Woningwet (1901), Ongevallenwet (1901) en het algemeen kiesrecht (1919).
Veel van de regelingen die we nu nog in aangepaste vorm kennen, zijn in
deze periode ontstaan. Denk aan de vele sociale voorzieningen en de sociale
verzekeringen, bijvoorbeeld de Algemene ouderdomswet (AOW), de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de Participatiewet.
Discussie: houdbaarheid en betaalbaarheid van de verzorgingsstaat.
Participatiesamenleving (heden): Zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid terug
bij de burger. Overheid trekt zich terug.
Sturing op afstand door Rijksoverheid; decentralisatie en (Digitale)
bureaucratie.
Informatiesamenleving: informatie is makkelijk Toegankelijk gemaakt.
Specialistische kennis en expertise heeft een hoge maatschappelijke status.
Kwetsbare groepen: digibeten, laaggeletterden, licht verstandelijk beperkten,
laagopgeleiden en immigranten.
De samenleving is dynamisch. Dit vraagt van professionals een bepaalde mate
van aanpassingsvermogen.
In de netwerk- en informatiesamenleving is de structuur om sturing te geven aan de
maatschappij complexer geworden. Burgers worden mondiger. Mede hierdoor
ontstaan er nieuwe vormen van leiderschap. De overheid is niet alleen autoritair,
maar ook participerend en faciliterend.
Week 1:
Recht (en onrecht) vindt altijd plaats in de context van de samenleving. Kijk bijv.
naar:
• Women’s march op Internationale Vrouwendag 2019
• Black Lives Matter protesten 2020
• Coronaprotesten 2020-2021
• Toeslagenaffaire Nederland 2021
• Situatie Afghanistan 2021
Onze samenleving, politieke stelsel, economie, scholing beïnvloeden ons idee van
wat recht en onrecht is. Recht beïnvloedt ook weer hoe wij samenleven, samen
werken, demonstreren, etc.
Belangrijk dat jij weet hoe de samenleving in elkaar zit en wat daar speelt, om een
goede jurist te kunnen zijn.
De maatschappij waarin we leven:
In Nederland wordt de ruimte gegeven om te praten over ongelijkheid, gelijke lonen,
dierenleed etc.
Sociologie is:
… de wetenschap van manieren waarop mensen samenleven.
… wetenschap van de samenleving.
… studie van de menselijke groep.
… studie van sociale netwerken (= een te onderscheiden geheel van relaties
tussen actoren (individuen en personen)
De binding kan bewust gaan maar ook onbewust, je neemt bepaalde normen en
waarden mee. En op basis daarvan vormen wij nieuwe groepen. De gedragsregelen
veranderen afhankelijk van waar en met wie je bent.
Interdependentie (afhankelijk)
Mensen zijn fundamenteel van elkaar afhankelijk, iedereen is (in wisselende mate)
hulpbehoevend.
Verschillende soorten afhankelijkheden:
1. Economische bindingen: productie en distributie van schaarse goederen
(voedsel, kleding).
2. Politieke bindingen: fysieke dwang die mensen op andere mensen kunnen
uitoefenen.
3. Affectieve bindingen: positieve en negatieve gevoelens die mensen voor
elkaar koesteren maar ook voor bepaalde groepen of politieke instanties)
4. Cognitieve bindingen: kennisvorming en kennisoverdracht
Verwevenheid: iedere sociale relatie omvat meer bindingen tegelijkertijd.
Van jagen en verzamelen naar domesticeren
Jagers en verzamelaars hadden geen vaste woonplaats. Dit veranderde wanneer ze
gingen domesticeren. Domesticatie is het proces dat je van wilde dieren vee en
huisdieren maakt. In dit proces ontstaat een wederzijdse afhankelijkheid tussen mens
en dier. Mensen gingen sedentair leven: kregen een vaste woonplaats.
, Agrarische revolutie: het proces van het ontwikkelen van landbouw en het
daardoor kunnen leven in nederzettingen.
Door irrigatie en het vervoeren van water naar onvruchtbaar grond, kon er meer
graan, tarwe en gerst verbouwd worden. Er ontstonden ambachten en markten. Er
ontstaat een groot sociaal netwerk van mensen en functies, oftewel een
samenleving.
Nachtwakersstaat (tot 19e eeuw): beperkte overheidsbemoeienis, beschermen
landsgrenzen en openbare orde. Koning heeft absolute macht.
Grondwet van 1848 – Thorbecke (1798–1872): grondwetswijziging die het begin
betekende van de ‘gedecentraliseerde eenheidsstaat’. Macht van de koning werd
beperkt en de Tweede Kamer gekozen door burgers. Let op! Niet alle burgers.
Moderne tijd (1848-1940): samenleving steeds complexer door grote
bevolkingsgroei, ontwikkeling van de wetenschap, technologische ontwikkelingen en
industrialisatie. Het schrift ontwikkelt zich en daarmee ook geschreven wetten.
Industriële revolutie: urbanisatie, productiemiddelen, uitbuiting, vervreemding,
sociale kwestie (arbeidsvraagstuk).
Rechtsstaat (vanaf 19e eeuw): staatsvorm waarin wederzijdse rechten en plichten
van burgers en overheid zijn vastgelegd in wetten.
Globaal kan een rechtsstaat gekenmerkt worden door een scheiding der machten,
de aanwezigheid van grondrechten en het legaliteitsbeginsel.
De rol van de overheid neemt toe. Aanpak grote maatschappelijke problemen
zoals armoede en huisvesting.
De eerste sociale wetgeving was de Armenwet (1854).
Verzorgingsstaat (na WOII): overheid verzorgd de burger van de wieg tot aan het
graf.
Sociale wetgeving; Kinderwetje van Van Houten (1874), Arbeidswet (1889),
Woningwet (1901), Ongevallenwet (1901) en het algemeen kiesrecht (1919).
Veel van de regelingen die we nu nog in aangepaste vorm kennen, zijn in
deze periode ontstaan. Denk aan de vele sociale voorzieningen en de sociale
verzekeringen, bijvoorbeeld de Algemene ouderdomswet (AOW), de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de Participatiewet.
Discussie: houdbaarheid en betaalbaarheid van de verzorgingsstaat.
Participatiesamenleving (heden): Zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid terug
bij de burger. Overheid trekt zich terug.
Sturing op afstand door Rijksoverheid; decentralisatie en (Digitale)
bureaucratie.
Informatiesamenleving: informatie is makkelijk Toegankelijk gemaakt.
Specialistische kennis en expertise heeft een hoge maatschappelijke status.
Kwetsbare groepen: digibeten, laaggeletterden, licht verstandelijk beperkten,
laagopgeleiden en immigranten.
De samenleving is dynamisch. Dit vraagt van professionals een bepaalde mate
van aanpassingsvermogen.
In de netwerk- en informatiesamenleving is de structuur om sturing te geven aan de
maatschappij complexer geworden. Burgers worden mondiger. Mede hierdoor
ontstaan er nieuwe vormen van leiderschap. De overheid is niet alleen autoritair,
maar ook participerend en faciliterend.