A. Het proces waarbij kinderen leren via school en vrienden
B. Een bepaalde vorm van omgang tussen volwassenen en jeugdigen die
erop gericht is steun en richting te geven aan het proces van
volwassenwording
C. Het ontwikkelen van zelfstandigheid door ervaringen in de samenleving
D. Het beschermen van kinderen tegen negatieve invloeden
Vraag 2 - Wat zijn kenmerken van een volwassene?
A. Zelfredzaam en zelfstandig
B. Leren door vallen en opstaan
C. Een eigen gezin hebben
D. Werken en belasting betalen
Vraag 3 - Wat zijn de drie opvoedingselementen?
A. Kind, school, vrienden
B. Opvoeder, opvoedeling, omgeving
C. Ouder, maatschappij, kindbeeld
D. Gezin, school, buurt
Vraag 4 - Wat is het primaire opvoedingsmilieu?
A. School en professionele opvoeders
B. Belangrijkste plek waar opvoeding plaatsvindt met directe opvoeders
(gezin)
C. De buurt en leeftijdsgenoten
D. Virtuele omgeving
Vraag 5 - Wat is het secundaire opvoedingsmilieu?
A. School/professionele opvoeders
B. Gezin
C. Vriendengroep
D. Virtueel contact
Vraag 6 - Wat is het tertiaire opvoedingsmilieu?
A. Online omgeving
B. Vriendengroep/buurt
C. School
D. Gezin
, Vraag 7 - Wat is jeugdcultuur?
A. Sociale omgangsvormen die jongeren in het gezin leren
B. Maatschappelijke stromingen van en voor jongeren, die een
identificatiekader vormen voor bepaalde grotere groepen jongeren
C. Online trends en challenges die jongeren nadoen
D. Een groep leeftijdsgenoten die elkaar steunen
Vraag 8 - Wat is een peergroup?
A. Een groep leeftijdsgenoten die hun vrije tijd gedeeltelijk samen
doorbrengen, elkaar wederzijds beïnvloeden en een milieu van
bescherming en vertrouwen vormen
B. Een virtuele community waar jongeren elkaar ontmoeten
C. Een georganiseerde sportvereniging voor jongeren
D. Een groep jongeren met dezelfde muzieksmaak
Vraag 9 - Wat is het quartaire opvoedingsmilieu?
A. School
B. Gezin
C. Virtuele milieu
D. Buurt
Vraag 10 - Uit welke elementen bestaat de pedagogische visie?
A. Kindbeeld, opvoeder, opvoedingsdoelen
B. Kindbeeld, beeld van de opvoeder, opvoedingsdoelen,
opvoedingsmiddelen, opvoedingsvoorwaarden
C. Ouderlijk beeld, opvoedingsrelatie, veiligheid
D. Kindbeeld, opvoedingsvoorwaarden, cultuur
Vraag 11 - Wat is het kindbeeld?
A. Het beeld dat ouders van hun eigen kind hebben
B. Algemene beeld dat een persoon van kinderen in het algemeen heeft
C. Het beeld dat een leraar vormt tijdens observatie
D. Het beeld van een kind in de maatschappij
Vraag 12- Op welke twee manieren kan je naar het kind kijken?
A. Subject en object
B. Leerling en opvoeder
C. Speelmaatje en leerling
D. Cultuurdrager en volwassene