Beginselen Accountancy Samenvatting
Hoofdstuk 1:
Wat is wetenschap?
Het zit in de mensheid om antwoorden te zoeken of te bedenken op vragen. Daardoor ontstaat
kennis. Door deze kennis op systematische wijze te verzamelen en met elkaar in verband te brengen,
ontstaat een ‘kennissyteem’. Door van dezelfde kennissystemen uit te gaan kunnen we met elkaar
van gedachten wisselen, en elkaar begrijpen in wat we zeggen. We spreken ook wel van
pragmatische kennis of niet-wetenschappelijke kennis: kennis die we nodig hebben om in onze
dagelijkse omgang elkaar te kunnen begrijpen.
Daarnaast bestaat het begrip wetenschappelijke kennis. Dat is gefundeerde kennis over de aard van
en samenhang tussen verschijnselen die voortvloeit uit wetenschapsbeoefening. Om kennis als
wetenschappelijke kennis te kunnen kwalificeren, moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
De kennis is gegrond: er worden geen lukrake beweringen gedaan, de ontstane kennis kan
worden getoetst.
De kennis is intersubjectief. Dit houdt in dat het niet uitmaakt wie tot bepaalde kennis komt.
De kennis is niet afhankelijk van de persoon van de onderzoeker (het subject), maar een
ieder ter zake kundige zou tot dezelfde kennis zijn gekomen.
De kennis is systematisch, dat wil zeggen dat er verbanden worden gelegd tussen
verschijnselen.
Hoe zijn wetenschappen in te delen?
Een eerste indeling van wetenschappen is in formele en empirische wetenschappen. Formele
wetenschappen bestuderen niet de werkelijkheid om ons heen, maar abstracte, door de mens zelf
bedachte zaken en gedachteconstructies. Een voorbeeld hiervan is wiskunde. Daarnaast zijn er
wetenschappen die onze ervaringen met de werkelijkheid, de empirie, bestuderen: de empirische of
ervaringswetenschappen.
Empirische wetenschappen kunnen worden ingedeeld in natuurwetenschappen en
gedragswetenschappen. Deze indeling gebeurt op basis van het ervaringsobject. Het ervaringsobject
(of empirisch object) is de groep van verschijnselen, die het onderwerp van het onderzoek is.
Onderzoek naar natuurverschijnselen (mens, dier, materie) = natuurwetenschappen. Voorbeelden
hiervan zijn scheikunde, natuurkunde en biologie. Is het ervaringsobject menselijk gedrag, dan
spreken we van gedrags- of geesteswetenschappen. Voorbeelden: psychologie, sociologie, economie
en accountancy.
Natuur- en gedragswetenschappen kunnen verder worden onderverdeeld op basis van hun
kenobject. Het kenobject is het specifieke aspect of verschijnsel dat wordt bestudeerd. Dit heeft ook
invloed op het type vraag dat wordt gesteld.
, Hoe kunnen we onze wetenschappelijke kennis vermeerderen?
Het verkrijgen en vergroten van wetenschappelijke kennis is aan regels gebonden. Bij empirische
wetenschappen begint dat altijd bij observatie: het waarnemen van verschijnselen. Daarna ontstaat
een vraagstelling: wat verklaart dat verschijnsel en wat kunnen we daaruit leren?
Wetenschappelijke kennis wordt vermeerderd door deductieve, inductieve en abductieve
redeneerwijzen.
Wanneer vanuit algemeen geldende wetten of uitspraken wordt geredeneerd naar een specifiek
geval = deductie
Wanneer we uit één of meer specifieke gevallen algemeen geldende uitspraken willen afleiden =
inductie
Wanneer uit een aantal uitspraken een mogelijke verklaring wordt getrokken = abductie
Deductie houdt in dat vanuit algemene uitspraken, premissen genoemd, wordt doorgeredeneerd
naar individuele conclusies. Als de premissen waar zijn, moet automatisch de daaruit afgeleide
individuele uitspraak de conclusie, ook waar zijn.
Bij inductie proberen we vanuit specifieke uitspraken tot een algemeen geldende uitspraak te komen.
Dat is een stuk lastiger. De specifieke uitspraken ontstaan door waarnemingen; in die waarnemingen
proberen we vervolgens een wetmatigheid aan te wijzen. De conclusie kan waar zijn, maar dat hoeft
niet. De redenering leidt wel tot nieuwe kennis, maar het waarheidsgehalte van die kennis moet nog
worden getoetst. Het probleem met inductie is dat de conclusie onwaar kan zijn, ook als de
premissen waar zijn.
Bij abductie gaan we een mogelijke verklaring geven voor een verschijnsel, die voortkomt uit een
aantal uitspraken over dat verschijnsel. Het is een mogelijke verklaring: andere verklaringen zijn ook
mogelijk. Daarmee is abductief redeneren zwakker dan deductief of inductief redeneren. De
mogelijke verklaring die wordt gegeven heeft de vorm van een hypothese.
Hoe kunnen we beweringen toetsen?
Toetsing is het beoordelen of gestelde hypothesen wel of niet waar zijn. Dat doen we door steeds
weer te proberen de hypothese onderuit te halen. Indien dat steeds maar niet lukt, wordt de
hypothese sterker.
De wijze waarop de toetsing van de hypothese plaatsvindt, hangt af van het type hypothese. Daarbij
worden de volgende hypothesen onderscheiden:
De universele hypothese. Dit is een bewering die betrekking heeft op alle relevante objecten
in een populatie.
De existentiële hypothese. Dit is een bewering die betrekking heeft op slechts een of enkele
objecten uit een populatie.
De waarschijnlijkheidshypothese. Dit is een bewering die met behulp van een
kanspercentage betrekking heeft op een deel van de populatie.
,Het toetsen gebeurt aan de hand van nieuw empirisch onderzoek. Daarbij zijn twee typen toetsen
van belang:
Een universele hypothese wordt getoetst door middel van falsificatie. Dit houdt in dat de
hypothese als waar wordt aangenomen, totdat het tegendeel wordt bewezen, dat wil zeggen
totdat er een object in de empirie wordt gevonden die niet voldoet aan de in de hypothese
beschreven kenmerken.
Een existentiële hypothese wordt getoetst door middel van verificatie. Dit houdt in dat het
object uit de bewering aan nader onderzoek wordt onderworpen.
Een waarschijnlijkheidshypothese is lastig toetsbaar, aangezien een uitspraak met een
kanspercentage noch falsifieerbaar, noch verifieerbaar is. Dit type bewering wordt falsifieerbaar
gemaakt. Door onderzoek te doen bij een x aantal bedrijven en daarvan de benodigde informatie de
meten, kan worden bepaald of de uitkomst van dat onderzoek procentueel voldoet aan de
hypothese, dikwijls met vooraf bepaalde marges +/- 5% van het gezette kanspercentage. Als de
uitkomst van het onderzoek binnen die marge blijft, wordt de hypothese geconfirmeerd, als de
uitkomst erbuiten valt dan wordt de hypothese verworpen. Absolute zekerheid wordt echter nooit
verkregen.
De twee genoemde toetsen worden samengevat onder de term correspondentietoets: er wordt
onderzocht of er overeenstemming is tussen de hypothese en de werkelijkheid. Er is echter nog een
tweede soort toetsing: de consistentietoets. Een samenhangend geheel van hypothesen wordt een
theorie genoemd. En bij een theorie is het noodzakelijk om de hypothesen te toetsen op hun
consistentie: beoordelen of er in de theorie geen onderlinge strijdige beweringen worden gedaan.
Wat is een model, en hoe werken modellen?
Om de complexe wereld te kunnen begrijpen, kan het handig zijn om met een vereenvoudigde
weergave van de werkelijkheid te werken. We spreken dan van een model. Een model is makkelijker
te hanteren en met behulp van een model kunnen soms sneller conclusies worden getrokken.
Uiteraard valt of staat de werking van de modellen met de overeenkomst tussen model en
werkelijkheid. Bij het maken van een model wordt een deel van de werkelijkheid weggelaten
(=abstraheren). Hoe meer zaken worden weggelaten, hoe abstracter het model is. Hoe abstracter het
model is, des te noodzakelijker wordt het om de conclusies die worden getrokken te toetsen op hun
betrouwbaarheid.
Er zijn verschillende soorten modellen:
Iconische modellen geven een voorstelling van de werkelijkheid op verkleinde of vergrote
schaal.
Analoge modellen geven een voorstelling van de werkelijkheid door de eigenschappen van
die werkelijkheid op versimpelde wijze weer te geven.
Symbolische modellen geven de werkelijkheid weer in de vorm van symbolen.
Een groot voordeel van het werken met modellen is de mogelijkheid van simulatie. We spreken ook
wel van een scenario-analyse, waarbij we de what-if vraag stellen: wat gebeurt er met de uitkomst
van ons onderzoek als er iets in de werkelijkheid verandert?
, Bij de simulatie kan van verschillende simulatietechnieken worden uitgegaan. Zo hebben we:
De methode van de afnemende abstractie. Het model begin simpel, en langzamerhand
neemt het aantal factoren dat in het model wordt opgenomen toe. Hierdoor kan de
werkelijkheid stap voor stap in het model worden opgenomen.
De methode van de toenemende abstractie. Het model begint complex, en wordt door het
abstraheren van een aantal elementen steeds verder vereenvoudigd.
De methode van de wisselende abstractie. Een model wort verschillende malen
doorgerekend met steeds andere factoren. Zo kan een winstdaling bij een bedrijf eerst
worden gerelateerd aan een omzetdaling. Vervolgens wordt de winstdaling gerelateerd aan
een loonkostenstijging. En daarna aan de algemene economische ontwikkeling.
De ceteris paribus-clausule. Dit houdt in dat er simulatie plaatsvindt op een aspect, waarbij
alle overige aspecten als onveranderlijk worden verondersteld.
Wat wordt bedoeld met de agency-theorie?
In organisaties werken allerlei mensen op verschillende niveaus met elkaar samen. Zo kent een
organisatie wellicht eigenaren, bijvoorbeeld door aandeelhouders van een NV (naamloos
vennootschap). Deze eigenaren zijn in veel gevallen niet bij uitvoerende werkzaamheden binnen hun
organisatie betrokken; zij blijven op afstand. Zij stellen wel een leiding (directie) aan, die namens hen
hun doelstellingen moeten realiseren. Veelal hebben directieleden echter hele andere doelstellingen
dan de aandeelhouders, voor wie zij het werk doen. We spreken van twee groepen van
participanten: de opdrachtgevers (ook wel lastgevers of principalen genoemd) en de opdrachtnemers
(ook wel lasthebbers of agenten genoemd). Zo ontstaat een principaal – agent relatie: de relatie
tussen in dit geval de eigenaren van een NV, de principalen, en de door hen aangestelde directie, de
agenten. Doordat de principalen op afstand staan van hun organisatie, hebben zij niet altijd zicht op
de agenten. Doen die wel wat zij, de principalen, willen? Of streven de agenten hun eigen
doelstellingen na? Daar komt nog bij dat een principaal minder informatie heeft over hoe zaken in de
organisatie lopen dan de agent. De principaal staat op afstand, en heeft daarmee minder of andere
informatie dan de agent = informatie-asymmetrie.
Het bestaan van mogelijke belangentegenstellingen en informatie-asymmetrie leidt ertoe dat
principalen meer ‘grip’ op hun eigendom willen krijgen. Daartoe kunnen zij verschillende
maatregelen treffen:
Het beloningssysteem van de agent zo vormgeven, dat deze een ‘trigger’ krijgt om de
belangen van de principaal te gaan najagen. De maatregelen die worden genomen om dit te
bereiken zijn uiteraard ook met kosten gemoeid. Deze kosten worden bonding costs
genoemd.
Het uitoefenen van toezicht, waardoor het verschil in informatie afneemt. Door tussen
aandeelhouders en bestuurders een extra, toezichthoudende laag in de organisatie in te
brengen, bijvoorbeeld door een Raad van Commissarissen in te stellen. De commissarissen
werken in het belang van de vennootschap en zitten dicht ‘op’ het bestuur en krijgen
daardoor veel informatie. Ook is het mogelijk om het bestuur te dwingen bepaalde, voor de
aandeelhouders relevante, informatie vrij te geven, bijvoorbeeld in de vorm van een
jaarrekening. Dan moet de aandeelhouder er echter wel van op aan kunnen dat het bestuur
de waarheid vertelt. Om dat te kunnen waarborgen kunnen ze een onafhankelijke
deskundige op het gebied van de kwaliteit van informatie in jaarrekeningen inhuren (een
geregistreerde accountant). Met deze maatregelen zijn uiteraard ook kosten gemoeid. Deze
kosten worden monitoring costs genoemd.
Hoofdstuk 1:
Wat is wetenschap?
Het zit in de mensheid om antwoorden te zoeken of te bedenken op vragen. Daardoor ontstaat
kennis. Door deze kennis op systematische wijze te verzamelen en met elkaar in verband te brengen,
ontstaat een ‘kennissyteem’. Door van dezelfde kennissystemen uit te gaan kunnen we met elkaar
van gedachten wisselen, en elkaar begrijpen in wat we zeggen. We spreken ook wel van
pragmatische kennis of niet-wetenschappelijke kennis: kennis die we nodig hebben om in onze
dagelijkse omgang elkaar te kunnen begrijpen.
Daarnaast bestaat het begrip wetenschappelijke kennis. Dat is gefundeerde kennis over de aard van
en samenhang tussen verschijnselen die voortvloeit uit wetenschapsbeoefening. Om kennis als
wetenschappelijke kennis te kunnen kwalificeren, moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
De kennis is gegrond: er worden geen lukrake beweringen gedaan, de ontstane kennis kan
worden getoetst.
De kennis is intersubjectief. Dit houdt in dat het niet uitmaakt wie tot bepaalde kennis komt.
De kennis is niet afhankelijk van de persoon van de onderzoeker (het subject), maar een
ieder ter zake kundige zou tot dezelfde kennis zijn gekomen.
De kennis is systematisch, dat wil zeggen dat er verbanden worden gelegd tussen
verschijnselen.
Hoe zijn wetenschappen in te delen?
Een eerste indeling van wetenschappen is in formele en empirische wetenschappen. Formele
wetenschappen bestuderen niet de werkelijkheid om ons heen, maar abstracte, door de mens zelf
bedachte zaken en gedachteconstructies. Een voorbeeld hiervan is wiskunde. Daarnaast zijn er
wetenschappen die onze ervaringen met de werkelijkheid, de empirie, bestuderen: de empirische of
ervaringswetenschappen.
Empirische wetenschappen kunnen worden ingedeeld in natuurwetenschappen en
gedragswetenschappen. Deze indeling gebeurt op basis van het ervaringsobject. Het ervaringsobject
(of empirisch object) is de groep van verschijnselen, die het onderwerp van het onderzoek is.
Onderzoek naar natuurverschijnselen (mens, dier, materie) = natuurwetenschappen. Voorbeelden
hiervan zijn scheikunde, natuurkunde en biologie. Is het ervaringsobject menselijk gedrag, dan
spreken we van gedrags- of geesteswetenschappen. Voorbeelden: psychologie, sociologie, economie
en accountancy.
Natuur- en gedragswetenschappen kunnen verder worden onderverdeeld op basis van hun
kenobject. Het kenobject is het specifieke aspect of verschijnsel dat wordt bestudeerd. Dit heeft ook
invloed op het type vraag dat wordt gesteld.
, Hoe kunnen we onze wetenschappelijke kennis vermeerderen?
Het verkrijgen en vergroten van wetenschappelijke kennis is aan regels gebonden. Bij empirische
wetenschappen begint dat altijd bij observatie: het waarnemen van verschijnselen. Daarna ontstaat
een vraagstelling: wat verklaart dat verschijnsel en wat kunnen we daaruit leren?
Wetenschappelijke kennis wordt vermeerderd door deductieve, inductieve en abductieve
redeneerwijzen.
Wanneer vanuit algemeen geldende wetten of uitspraken wordt geredeneerd naar een specifiek
geval = deductie
Wanneer we uit één of meer specifieke gevallen algemeen geldende uitspraken willen afleiden =
inductie
Wanneer uit een aantal uitspraken een mogelijke verklaring wordt getrokken = abductie
Deductie houdt in dat vanuit algemene uitspraken, premissen genoemd, wordt doorgeredeneerd
naar individuele conclusies. Als de premissen waar zijn, moet automatisch de daaruit afgeleide
individuele uitspraak de conclusie, ook waar zijn.
Bij inductie proberen we vanuit specifieke uitspraken tot een algemeen geldende uitspraak te komen.
Dat is een stuk lastiger. De specifieke uitspraken ontstaan door waarnemingen; in die waarnemingen
proberen we vervolgens een wetmatigheid aan te wijzen. De conclusie kan waar zijn, maar dat hoeft
niet. De redenering leidt wel tot nieuwe kennis, maar het waarheidsgehalte van die kennis moet nog
worden getoetst. Het probleem met inductie is dat de conclusie onwaar kan zijn, ook als de
premissen waar zijn.
Bij abductie gaan we een mogelijke verklaring geven voor een verschijnsel, die voortkomt uit een
aantal uitspraken over dat verschijnsel. Het is een mogelijke verklaring: andere verklaringen zijn ook
mogelijk. Daarmee is abductief redeneren zwakker dan deductief of inductief redeneren. De
mogelijke verklaring die wordt gegeven heeft de vorm van een hypothese.
Hoe kunnen we beweringen toetsen?
Toetsing is het beoordelen of gestelde hypothesen wel of niet waar zijn. Dat doen we door steeds
weer te proberen de hypothese onderuit te halen. Indien dat steeds maar niet lukt, wordt de
hypothese sterker.
De wijze waarop de toetsing van de hypothese plaatsvindt, hangt af van het type hypothese. Daarbij
worden de volgende hypothesen onderscheiden:
De universele hypothese. Dit is een bewering die betrekking heeft op alle relevante objecten
in een populatie.
De existentiële hypothese. Dit is een bewering die betrekking heeft op slechts een of enkele
objecten uit een populatie.
De waarschijnlijkheidshypothese. Dit is een bewering die met behulp van een
kanspercentage betrekking heeft op een deel van de populatie.
,Het toetsen gebeurt aan de hand van nieuw empirisch onderzoek. Daarbij zijn twee typen toetsen
van belang:
Een universele hypothese wordt getoetst door middel van falsificatie. Dit houdt in dat de
hypothese als waar wordt aangenomen, totdat het tegendeel wordt bewezen, dat wil zeggen
totdat er een object in de empirie wordt gevonden die niet voldoet aan de in de hypothese
beschreven kenmerken.
Een existentiële hypothese wordt getoetst door middel van verificatie. Dit houdt in dat het
object uit de bewering aan nader onderzoek wordt onderworpen.
Een waarschijnlijkheidshypothese is lastig toetsbaar, aangezien een uitspraak met een
kanspercentage noch falsifieerbaar, noch verifieerbaar is. Dit type bewering wordt falsifieerbaar
gemaakt. Door onderzoek te doen bij een x aantal bedrijven en daarvan de benodigde informatie de
meten, kan worden bepaald of de uitkomst van dat onderzoek procentueel voldoet aan de
hypothese, dikwijls met vooraf bepaalde marges +/- 5% van het gezette kanspercentage. Als de
uitkomst van het onderzoek binnen die marge blijft, wordt de hypothese geconfirmeerd, als de
uitkomst erbuiten valt dan wordt de hypothese verworpen. Absolute zekerheid wordt echter nooit
verkregen.
De twee genoemde toetsen worden samengevat onder de term correspondentietoets: er wordt
onderzocht of er overeenstemming is tussen de hypothese en de werkelijkheid. Er is echter nog een
tweede soort toetsing: de consistentietoets. Een samenhangend geheel van hypothesen wordt een
theorie genoemd. En bij een theorie is het noodzakelijk om de hypothesen te toetsen op hun
consistentie: beoordelen of er in de theorie geen onderlinge strijdige beweringen worden gedaan.
Wat is een model, en hoe werken modellen?
Om de complexe wereld te kunnen begrijpen, kan het handig zijn om met een vereenvoudigde
weergave van de werkelijkheid te werken. We spreken dan van een model. Een model is makkelijker
te hanteren en met behulp van een model kunnen soms sneller conclusies worden getrokken.
Uiteraard valt of staat de werking van de modellen met de overeenkomst tussen model en
werkelijkheid. Bij het maken van een model wordt een deel van de werkelijkheid weggelaten
(=abstraheren). Hoe meer zaken worden weggelaten, hoe abstracter het model is. Hoe abstracter het
model is, des te noodzakelijker wordt het om de conclusies die worden getrokken te toetsen op hun
betrouwbaarheid.
Er zijn verschillende soorten modellen:
Iconische modellen geven een voorstelling van de werkelijkheid op verkleinde of vergrote
schaal.
Analoge modellen geven een voorstelling van de werkelijkheid door de eigenschappen van
die werkelijkheid op versimpelde wijze weer te geven.
Symbolische modellen geven de werkelijkheid weer in de vorm van symbolen.
Een groot voordeel van het werken met modellen is de mogelijkheid van simulatie. We spreken ook
wel van een scenario-analyse, waarbij we de what-if vraag stellen: wat gebeurt er met de uitkomst
van ons onderzoek als er iets in de werkelijkheid verandert?
, Bij de simulatie kan van verschillende simulatietechnieken worden uitgegaan. Zo hebben we:
De methode van de afnemende abstractie. Het model begin simpel, en langzamerhand
neemt het aantal factoren dat in het model wordt opgenomen toe. Hierdoor kan de
werkelijkheid stap voor stap in het model worden opgenomen.
De methode van de toenemende abstractie. Het model begint complex, en wordt door het
abstraheren van een aantal elementen steeds verder vereenvoudigd.
De methode van de wisselende abstractie. Een model wort verschillende malen
doorgerekend met steeds andere factoren. Zo kan een winstdaling bij een bedrijf eerst
worden gerelateerd aan een omzetdaling. Vervolgens wordt de winstdaling gerelateerd aan
een loonkostenstijging. En daarna aan de algemene economische ontwikkeling.
De ceteris paribus-clausule. Dit houdt in dat er simulatie plaatsvindt op een aspect, waarbij
alle overige aspecten als onveranderlijk worden verondersteld.
Wat wordt bedoeld met de agency-theorie?
In organisaties werken allerlei mensen op verschillende niveaus met elkaar samen. Zo kent een
organisatie wellicht eigenaren, bijvoorbeeld door aandeelhouders van een NV (naamloos
vennootschap). Deze eigenaren zijn in veel gevallen niet bij uitvoerende werkzaamheden binnen hun
organisatie betrokken; zij blijven op afstand. Zij stellen wel een leiding (directie) aan, die namens hen
hun doelstellingen moeten realiseren. Veelal hebben directieleden echter hele andere doelstellingen
dan de aandeelhouders, voor wie zij het werk doen. We spreken van twee groepen van
participanten: de opdrachtgevers (ook wel lastgevers of principalen genoemd) en de opdrachtnemers
(ook wel lasthebbers of agenten genoemd). Zo ontstaat een principaal – agent relatie: de relatie
tussen in dit geval de eigenaren van een NV, de principalen, en de door hen aangestelde directie, de
agenten. Doordat de principalen op afstand staan van hun organisatie, hebben zij niet altijd zicht op
de agenten. Doen die wel wat zij, de principalen, willen? Of streven de agenten hun eigen
doelstellingen na? Daar komt nog bij dat een principaal minder informatie heeft over hoe zaken in de
organisatie lopen dan de agent. De principaal staat op afstand, en heeft daarmee minder of andere
informatie dan de agent = informatie-asymmetrie.
Het bestaan van mogelijke belangentegenstellingen en informatie-asymmetrie leidt ertoe dat
principalen meer ‘grip’ op hun eigendom willen krijgen. Daartoe kunnen zij verschillende
maatregelen treffen:
Het beloningssysteem van de agent zo vormgeven, dat deze een ‘trigger’ krijgt om de
belangen van de principaal te gaan najagen. De maatregelen die worden genomen om dit te
bereiken zijn uiteraard ook met kosten gemoeid. Deze kosten worden bonding costs
genoemd.
Het uitoefenen van toezicht, waardoor het verschil in informatie afneemt. Door tussen
aandeelhouders en bestuurders een extra, toezichthoudende laag in de organisatie in te
brengen, bijvoorbeeld door een Raad van Commissarissen in te stellen. De commissarissen
werken in het belang van de vennootschap en zitten dicht ‘op’ het bestuur en krijgen
daardoor veel informatie. Ook is het mogelijk om het bestuur te dwingen bepaalde, voor de
aandeelhouders relevante, informatie vrij te geven, bijvoorbeeld in de vorm van een
jaarrekening. Dan moet de aandeelhouder er echter wel van op aan kunnen dat het bestuur
de waarheid vertelt. Om dat te kunnen waarborgen kunnen ze een onafhankelijke
deskundige op het gebied van de kwaliteit van informatie in jaarrekeningen inhuren (een
geregistreerde accountant). Met deze maatregelen zijn uiteraard ook kosten gemoeid. Deze
kosten worden monitoring costs genoemd.