100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Biologie samenvatting HEEL havo 4 stof

Rating
-
Sold
8
Pages
31
Uploaded on
08-11-2020
Written in
2020/2021

Biologie samenvatting van de hele havo 4 stof. Ook havo 5 is te vinden op mijn profiel. deze combi is de totale examenstof van biologie

Level
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Secondary school
Level
Course
School year
4

Document information

Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
November 8, 2020
Number of pages
31
Written in
2020/2021
Type
Summary

Subjects

Content preview

Biologie HAVO 4
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1
Onder stofwisseling verstaan we alle chemische reacties in een organisme. Elk organisme heeft een
levensloop, deze eindigt met de dood. Elk soort heeft een levenscyclus, deze blijft maar doorgaan
met leven en dood tot een soort uitsterft. Enzymen zijn eiwitten die de chemische processen van
stofwisselingsprocessen versnellen.

De laatste honderd jaar is er meer inzicht gekomen in de volgende vraagstukken die belangrijk zijn
binnen de biologie:

 Voeding
 Voedselzekerheid
 Gezondheid
 Duurzame ontwikkeling
 Energie
 Veiligheid

Paragraaf 2
Organisme zijn georganiseerd in biologische eenheden. Deze biologische eenheden hebben een
volgorde van klein naar groot:

1. Molecuul (DNA)
2. Organel
3. Cel
4. Weefsel
5. Orgaan
6. Organenstelsel
7. Organisme
8. Populatie
9. Levensgemeenschap
10. Ecosysteem
11. Biosfeer

Prokaryoten zijn eencellige organisme zonder celkern. Het DNA van de prokaryoten ligt los in de cel
verdeelt. (Bacterie en archaea)

Eukaryoten zijn een- of meercellige organisme die wel een celkern hebben. Het DNA ligt hierbij dan
ook in de celkern opgeslagen. Daarbij bevat een eukaryoten cel ook allerlei organellen.

Orgaan = een deel van het organisme met een specifieke bouw en functie.

Populatie = een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven en zich
onderling kunnen voortplanten

,Paragraaf 3
 Zelfregulatie:

Organismen zijn in staat zichzelf in stand te houden door middel van zelfregulatie. Zelfregulatie vindt
plaats in de vormen van zichzelf te herstellen na schade, zichzelf verdedigen tegen indringers en
schadelijke stoffen. Ook zien we onder zelfregulatie het ademhalen, voeden en verplaatsen.
Zelfregulatie komt tot stand door:

 Hormonen
 Zenuwen
 Zintuigen
 Transport van stoffen

Autotrofe organisme = zelfonderhoud. Maken door middel van fotosynthese chemische energie

Heterotrofe organisme = verbruiken de chemische energie die door de autotrofe organisme is
vastgelegd. Hierdoor ontstaat een kringloop van stoffen die op het niveau biosfeer merkbaar zijn.

 Zelforganisatie:

Door zelforganisatie zijn biologische eenheden in staat zichzelf te organiseren tot biologische
eenheden van een hogere orde. Hierdoor ontstaan nieuwe structuren. Ook kan door zelforganisatie
een organisme zijn eigen temperatuur handhaven. In de geordende structuren van de biologische
eenheden is een verband te zien tussen vorm en functie.

 Interactie:

Biologische eenheden reageren op biologische eenheden en abiotische factoren, op elk niveau van
de biologische eenheden vindt interactie plaats. Deze interactie heeft op elk niveau een andere
betekenis. Een voorbeeld van interactie is cellen die met elkaar kunnen communiceren waardoor
stofwisseling plaats vindt. Ook zijn organisme constant met elkaar in interactie.

 Reproductie:

Door het delen van cellen blijft een organisme bestaan.

 Evolutie:

Door voortplanting ontstaat genetische variatie door verscheidenheid in genotype. Het genotype is
het totale pakket aan genen die je van je ouders hebt doorgekregen.

Bij natuurlijke selectie hebben de individuen met de beste aanpassing de grootste kans om te
overleven en nakomelingen voort te brengen .

Je spreekt van reproductieve isolatie wanneer twee soorten zich niet meer kunnen voortplanten. Dit
kan komen door een berg die is ontstaan. Beide populaties raken dan aangepast in het milieu waarin
zij leven, door deze aanpassingen kunnen ze zich vervolgens niet meer onderling voortplanten.

Evolutie = het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen. De evolutie
heeft gezorgd voor veel biodiversiteit.

De evolutietheorie is gebaseerd op drie dingen:

 Genetische variatie

,  Natuurlijke selectie
 Reproductieve isolatie

Paragraaf 4

Taxonomie = houdt zich bezig met de regels van het ordeningssysteem, zoals de naamgeving.

Systematiek = houdt zich bezig met het indelen van de organismen zelf. Hierbij wordt gekeken dat
de evolutionaire verwantschappen zo goed mogelijk zijn weergeven.

Door de opkomst van de DNA-technieken is veel beter te zien welke organisme verwant zijn aan
elkaar. Alle organisme worden nu ingedeeld in domeinen, deze domeinen kunnen vervolgens weer
verder worden ingedeeld in rijken.

Archaea leven onder hele ongunstige omstandigheden. Hiervoor is hun biochemie heel erg te
onderscheiden van andere organisme.

De protisten is een groep waarvan de indeling door systematici nog ter discussie staat. De protisten
zijn meestal eencellig, maar ze kunnen ook meercellig zijn. Bij de protisten komen ook nog een
aantal autotrofe organisme voor.

Paragraaf 5

Beschrijvend onderzoek wordt ook wel ontdekkend onderzoek genoemd. Een onderzoeker
verzamelt hier heel erg veel informatie, deze informatie wordt ook wel data genoemd. Vervolgens
gaat een onderzoeker nog goed oberserveren. Een onderzoek gebaseerd op een hypothese bestaat
uit een aantal fasen.

Observatie = waarneming van een bepaald natuurverschijnsel

Probleemstelling = er wordt een natuurverschijnsel als een probleem gezien en formuleert dit als
een probleemstelling. Vb: hoe ontstaan maden in rottend vlees?

Hypothese = er wordt een logische verklaring gezocht voor het probleem. Vb: maden in rottend
vlees ontstaan door eieren van vliegen

Experimentele fase = hierin wordt getoetst of een hypothese juist is of niet. Hier wordt getest met
twee groepen, een experimenteergroep en een controlegroep. Deze groepen mogen elke keer maar
met 1 factor van elkaar verschillen.

Verwachting = dit is de uitkomst van het experiment. Als...(hypothese)… dan....(resultaat
experiment)…

Resultaten = je maakt een duidelijk overzicht van al je bevindingen

Conclusie = je vergelijkt je resultaten met je verwachtingen. Hierna kan worden besloten of de
hypothese juist of onjuist is.



Een onderzoek moet van goede kwaliteit zijn. Hierbij hoort dat er een groot genoeg aantal is
genomen.

Betrouwbaar onderzoek: het onderzoek bevat zo min mogelijk toevallige fouten

Valide onderzoek: zo min mogelijk systematische fouten.

, Paragraaf 6

Observatie = biologen verzamelen data

Experiment = hierin wordt de werkelijkheid gemanipuleerd

Interview = een aantal mensen worden mondeling een aantal vragen gesteld

Literatuuronderzoek = er wordt hier gebruik gemaakt van bestaand materiaal

Ontwerponderzoek = hier maakt een onderzoeker een concreet product als antwoord op het
probleem

Modelleren = het maken van wiskundige modellen door computers


Hoofdstuk 2
Paragraaf 1

Tumor = gezwel

Het verzamelen van weefsel wordt biopsie genoemd, en het afgenomen weefsel het biopt. Het is
lastige om op de goede plek te prikken om het goede weefsel te vinden. Hiervoor wordt een echo
gebruikt en zijn er nog betere technieken in ontwikkeling.

Een arts beschrijft hoe het weefsel eruitziet, vervolgens wordt het in vloeibaar was gegoten. Daarna
wordt er met een speciaal apparaat het weefsel in dunne plakjes gesneden. Als laatste wordt er een
kleurstof toegevoegd. Deze zorgt ervoor dat de structuren beter zichtbaar zijn.

Paragraaf 2

Transmissie-elektronenmicroscoop zorgt voor een beeld dat lijkt op een lichtmicroscoop. Een
scanning elektronenmicroscoop geeft een driedimensionaal beeld.

Paragraaf 3

Cellen zijn omgeven door celmembraan. Het celmembraan zorgt voor de afscheiding tussen het
inwendige van de cel en zijn omgeving. Via het celmembraan vindt selectieve opname en afgifte
plaats van stoffen, hierdoor vindt ook cel communicatie plaats.

Cytoplasma bestaat uit:

 Water
 Organellen (biologische eenheden)
 Opgeloste stoffen

Celwanden maken geen deel uit van de cel, maar wordt gerekend tot de tussencelstof. De cellen van
planten liggen vaak niet strak tegen elkaar aan, de holtes die zich hiertussen bevinden noemen we
de intercellulaire ruimtes gevuld met water. (bij bladeren vaak gevuld met lucht.) de vacuole van de
plant heeft een functie voor de stevigheid.

Chloroplasten: bladgroenkorrels

Chromoplasten: kleurstoffen

Tijdens rijpen van fruit veranderen chloroplasten in chromoplasten.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
birgittriepels
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
67
Member since
5 year
Number of followers
53
Documents
29
Last sold
2 months ago

4.2

6 reviews

5
4
4
1
3
0
2
0
1
1

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions