Humane wetenschappen
h1: geest, gedrag en psychologische wetenschap
psychologie: wetenschap van gedrag en mentale processen.
intern geestelijke = denken, voelen.. ( niet waarneembaar )
externe processen = praten, lopen, .. ( waarneembaar )
verschillende domeinen: schoolpsychologie, sportpsychologie, …
psychiatrie: een medisch specialisme, psychiaters hebben een medische opleiding
klinische psychologie: opleiding is niet medisch
psychotherapie: een behandelvorm ( bijkomende opleiding )
pseudopsychologie: horoscopen, zesde zintuig, paranormale activiteiten,..
dus kritisch nadenken! ( wat is de bron, redelijk of extreem, bewijs? Beinvloed door bias,
worden denkfouten vermeden? Invalshoek? )
bias: emotioneel ( oordelen o.b.v. gevoelens), confirmation ( tegenstrijdige bewijzen negeren) en
expectancy ( op verwachtingen uitgaan )
verschillende perspectieven:
1. biologisch ( lichaam staat apart van geest ) modern = neurowetenschappen
2. cognitief ( richt op de mentale processen )
Wilhelm Wundt: structuralisme
psychologie structureren zoals periodiek systeem
“elementen”: aandacht, perceptie, geheugen, emotie, sensatie en denken
introspectie: beschrijving van de sensorische en emotionele reacties op verschillende
prikkels. Eerste experiment ooit!
gestaltpsychologie
functionalisme: richt zich op de functies van ons bewustzijn ( waarom gebeurt dit? )
modern cognitief perspectief: nadruk op mentale processen? Gedachten en
handelingen zijn het resultaat van het cognitief patroon.
3. behavioristisch ( gedrag staat centraal )
Watson en Skinner ( Skinner box )
4. Perspectief van de gehele persoon
psychodynamische psychologie ( Sigmund Freud ) ijsberg theorie
het menselijk functioneren + onbewuste behoeften, verlangen, herinneringen
humanistische psychologie: ( Rogers en Maslow )
innerlijk is even belangrijk!! ( opstand tegen behaviorisme )
onze mogelijkheden, groei en potentie ( persoon staat volledig centraal )
5. ontwikkeling (genetische veranderingen )
nature en nurture
Piaget experiment met glas ( cognitieve ontwikkeling van het kind )
6. sociocultureel ( socioculturele factoren kunnen gedrag beïnvloeden )
,hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?
essentie= empirisch onderzoek: op basis van ervaring
4 stappen
1. een hypothese ontwikkelen
hypothese = voorspelling van de uitkomt van een wetenschappelijk onderzoek
alle variabelen worden gedefinieerd. ( opperante definitie )
2. hypothese toetsen
verzameling van objectieve data
experimentele conditie: mensen die onderzocht worden
controlegroep en experimentele groep
onafhankelijke variabele = de hoeveelheid suiker er werd gegeven aan de kinderen
afhankelijke variabele = het gevolg van de onafhankelijke variabele
randomisering ( groep wordt volledig per toeval ingedeeld )
3. de resultaten analyseren
wiskundige analyse nodig aan de hand van statische methoden berekenen of de
waargenomen resultaten significant zijn
= resultaat echt of toeval?
4. de resultaten publiceren
- bestand tegen de kritische blik?
- in vakblad publiceren
-…
soorten onderzoek
experiment: type onderzoek waarbij de onderzoeker gebruikmaakt van vergelijkbare groepen en
alle omstandigheden controleert en rechtstreeks manipuleert, inclusief de onafhankelijke
variabele
enige onderzoeksmethode om betrouwbaar causaliteit te kunnen nagaan
( = oorzaak – gevolg relatie )
correlatieonderzoek: wanneer controle slechts beperkt is wegens praktische of ethische
redenen.
( vb: onderzoek met giftige stoffen )
ga op zoek naar een ‘experiment’ toevallig heeft plaats gevonden ( buiten labo ) en dit dan
vergelijken met een andere groep
( vb: neem kinderen die ooit per ongeluk verf binnen namen en vergelijk deze met een groep
kinderen die nooit verf binnen kregen )
Surveys: vragenonderzoek, reactie bestuderen op van tevoren vastgestelde lijst met vragen
natuurlijke observatie: observeren in natuurlijke omgeving
voordeel = gedragingen zoals ze zich in de natuur voordoen
nadeel = veel minder controle
Gevalsstudie – Case Study: onderzoek van 1 object
vb: denkprocessen van Einstein
nadeel: subjectief
,Bias beperken
expectancy bias = verwachting van de waarnemer over de resultaten van het onderzoek kunnen
het onderzoek beïnvloeden.
oplossing = single of double blinding
single: persoon weet niet of hij/zij placebo heeft ( onderzoeker wel )
double: hierbij weet de onderzoeker het ook niet
dierenstudies
omdat ze een makkelijk zenuwstelsel hebben en makkelijk in grote groep controleer baar zijn
vergunningen nodig!
, H3: sensatie en perceptie
sensatie: proces waarbij de zintuigen informatie ontvangen en dit sturen ze door naar de
hersenen
perceptie: proces waarbij de hersenen de informatie verwerken. je begrijpt wat je ziet, voelt,
hoort,…
perceptie geeft een betekenis aan de sensaties
grens tussen sensatie en perceptie = grijze zone
kenmerken die alle zintuigen met elkaar gemeen hebben:
transductie, sensorische adaptie en drempels
deze bepalen welke stimuli in sensaties worden omgezet, wat de kwaliteit hiervan zal zijn of
het tot ons bewustzijn zal doordringen
transductie: stimulatie in sensatie veranderen
zintuigelijke indrukken = neurale representaties van stimuli, niet de werkelijke stimuli
hersenen nemen de wereld indirect waar
zintuigen zetten stimuli om in de taal van het zenuwstelsel = neurale impulsen
stimulatie transductie sensatie perceptie
transductie: proces waarbij fysische energie wordt omgezet in neurale impulsen. Omzetten van
stimulus informatie in een zenuwimpuls
lett omvorming
veranderen stimulatie in sensatie
begint op moment dat sensorisch neuron een fysische stimulus opvangt
receptor: zet prikkels om in een zenuwimpuls
Sensoren in de zintuigen vangen de prikkels op en zetten ze om in zenuwimpulsen.
1. De zenuwimpulsen reizen via de sensorische zenuwen naar de thalamus, een
tussenstation in je hersenen.
2. De thalamus stuurt de informatie naar de specifieke sensorische verwerkingscentra
in de hersenen (zoals de visuele of auditieve cortex).
3. De informatie wordt daar verwerkt en geïntegreerd, zodat je een waarneming hebt
(bijvoorbeeld, je ziet een object of hoort een geluid).
Fosfenen: visuele beelden die ontstaan doordat je je visuele systeem voor de gek houd d.m.v.
druk ( als je op je oog duwt zie je licht, deze druk is in je hersenen gelijk aan een lichtstraal )
Sensorische adaptie: proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus
een bepaalde tijd op hetzelfde niveau wordt aangeboden
(vb: als je langdurig een geluid of een geur ruikt merk je dit na een tijd minder hard )
nieuwe veranderingen trekken de aandacht vb: ziekenwagen
drempels:
absolute drempel= minimumhoeveelheid fysische energie die nodig is om tot een sensorische
ervaring te leiden. hoe fel een lichtje moet staan om dit waar te nemen
h1: geest, gedrag en psychologische wetenschap
psychologie: wetenschap van gedrag en mentale processen.
intern geestelijke = denken, voelen.. ( niet waarneembaar )
externe processen = praten, lopen, .. ( waarneembaar )
verschillende domeinen: schoolpsychologie, sportpsychologie, …
psychiatrie: een medisch specialisme, psychiaters hebben een medische opleiding
klinische psychologie: opleiding is niet medisch
psychotherapie: een behandelvorm ( bijkomende opleiding )
pseudopsychologie: horoscopen, zesde zintuig, paranormale activiteiten,..
dus kritisch nadenken! ( wat is de bron, redelijk of extreem, bewijs? Beinvloed door bias,
worden denkfouten vermeden? Invalshoek? )
bias: emotioneel ( oordelen o.b.v. gevoelens), confirmation ( tegenstrijdige bewijzen negeren) en
expectancy ( op verwachtingen uitgaan )
verschillende perspectieven:
1. biologisch ( lichaam staat apart van geest ) modern = neurowetenschappen
2. cognitief ( richt op de mentale processen )
Wilhelm Wundt: structuralisme
psychologie structureren zoals periodiek systeem
“elementen”: aandacht, perceptie, geheugen, emotie, sensatie en denken
introspectie: beschrijving van de sensorische en emotionele reacties op verschillende
prikkels. Eerste experiment ooit!
gestaltpsychologie
functionalisme: richt zich op de functies van ons bewustzijn ( waarom gebeurt dit? )
modern cognitief perspectief: nadruk op mentale processen? Gedachten en
handelingen zijn het resultaat van het cognitief patroon.
3. behavioristisch ( gedrag staat centraal )
Watson en Skinner ( Skinner box )
4. Perspectief van de gehele persoon
psychodynamische psychologie ( Sigmund Freud ) ijsberg theorie
het menselijk functioneren + onbewuste behoeften, verlangen, herinneringen
humanistische psychologie: ( Rogers en Maslow )
innerlijk is even belangrijk!! ( opstand tegen behaviorisme )
onze mogelijkheden, groei en potentie ( persoon staat volledig centraal )
5. ontwikkeling (genetische veranderingen )
nature en nurture
Piaget experiment met glas ( cognitieve ontwikkeling van het kind )
6. sociocultureel ( socioculturele factoren kunnen gedrag beïnvloeden )
,hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?
essentie= empirisch onderzoek: op basis van ervaring
4 stappen
1. een hypothese ontwikkelen
hypothese = voorspelling van de uitkomt van een wetenschappelijk onderzoek
alle variabelen worden gedefinieerd. ( opperante definitie )
2. hypothese toetsen
verzameling van objectieve data
experimentele conditie: mensen die onderzocht worden
controlegroep en experimentele groep
onafhankelijke variabele = de hoeveelheid suiker er werd gegeven aan de kinderen
afhankelijke variabele = het gevolg van de onafhankelijke variabele
randomisering ( groep wordt volledig per toeval ingedeeld )
3. de resultaten analyseren
wiskundige analyse nodig aan de hand van statische methoden berekenen of de
waargenomen resultaten significant zijn
= resultaat echt of toeval?
4. de resultaten publiceren
- bestand tegen de kritische blik?
- in vakblad publiceren
-…
soorten onderzoek
experiment: type onderzoek waarbij de onderzoeker gebruikmaakt van vergelijkbare groepen en
alle omstandigheden controleert en rechtstreeks manipuleert, inclusief de onafhankelijke
variabele
enige onderzoeksmethode om betrouwbaar causaliteit te kunnen nagaan
( = oorzaak – gevolg relatie )
correlatieonderzoek: wanneer controle slechts beperkt is wegens praktische of ethische
redenen.
( vb: onderzoek met giftige stoffen )
ga op zoek naar een ‘experiment’ toevallig heeft plaats gevonden ( buiten labo ) en dit dan
vergelijken met een andere groep
( vb: neem kinderen die ooit per ongeluk verf binnen namen en vergelijk deze met een groep
kinderen die nooit verf binnen kregen )
Surveys: vragenonderzoek, reactie bestuderen op van tevoren vastgestelde lijst met vragen
natuurlijke observatie: observeren in natuurlijke omgeving
voordeel = gedragingen zoals ze zich in de natuur voordoen
nadeel = veel minder controle
Gevalsstudie – Case Study: onderzoek van 1 object
vb: denkprocessen van Einstein
nadeel: subjectief
,Bias beperken
expectancy bias = verwachting van de waarnemer over de resultaten van het onderzoek kunnen
het onderzoek beïnvloeden.
oplossing = single of double blinding
single: persoon weet niet of hij/zij placebo heeft ( onderzoeker wel )
double: hierbij weet de onderzoeker het ook niet
dierenstudies
omdat ze een makkelijk zenuwstelsel hebben en makkelijk in grote groep controleer baar zijn
vergunningen nodig!
, H3: sensatie en perceptie
sensatie: proces waarbij de zintuigen informatie ontvangen en dit sturen ze door naar de
hersenen
perceptie: proces waarbij de hersenen de informatie verwerken. je begrijpt wat je ziet, voelt,
hoort,…
perceptie geeft een betekenis aan de sensaties
grens tussen sensatie en perceptie = grijze zone
kenmerken die alle zintuigen met elkaar gemeen hebben:
transductie, sensorische adaptie en drempels
deze bepalen welke stimuli in sensaties worden omgezet, wat de kwaliteit hiervan zal zijn of
het tot ons bewustzijn zal doordringen
transductie: stimulatie in sensatie veranderen
zintuigelijke indrukken = neurale representaties van stimuli, niet de werkelijke stimuli
hersenen nemen de wereld indirect waar
zintuigen zetten stimuli om in de taal van het zenuwstelsel = neurale impulsen
stimulatie transductie sensatie perceptie
transductie: proces waarbij fysische energie wordt omgezet in neurale impulsen. Omzetten van
stimulus informatie in een zenuwimpuls
lett omvorming
veranderen stimulatie in sensatie
begint op moment dat sensorisch neuron een fysische stimulus opvangt
receptor: zet prikkels om in een zenuwimpuls
Sensoren in de zintuigen vangen de prikkels op en zetten ze om in zenuwimpulsen.
1. De zenuwimpulsen reizen via de sensorische zenuwen naar de thalamus, een
tussenstation in je hersenen.
2. De thalamus stuurt de informatie naar de specifieke sensorische verwerkingscentra
in de hersenen (zoals de visuele of auditieve cortex).
3. De informatie wordt daar verwerkt en geïntegreerd, zodat je een waarneming hebt
(bijvoorbeeld, je ziet een object of hoort een geluid).
Fosfenen: visuele beelden die ontstaan doordat je je visuele systeem voor de gek houd d.m.v.
druk ( als je op je oog duwt zie je licht, deze druk is in je hersenen gelijk aan een lichtstraal )
Sensorische adaptie: proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus
een bepaalde tijd op hetzelfde niveau wordt aangeboden
(vb: als je langdurig een geluid of een geur ruikt merk je dit na een tijd minder hard )
nieuwe veranderingen trekken de aandacht vb: ziekenwagen
drempels:
absolute drempel= minimumhoeveelheid fysische energie die nodig is om tot een sensorische
ervaring te leiden. hoe fel een lichtje moet staan om dit waar te nemen