Samenvatting bedrijfseconomie
Hoofdstuk 13 – Organisatie en maatschappij
13.1 Omvang
Bij de absolute grootte gaat het om een meetbare omvang.
3 criteria om een organisatie in te delen naar grootte (groottecriteria):
- De waarde van de activa (balanstotaal)
- De netto-omzet (omzet na kortingen)
- Gemiddeld aantal werknemers
Een onderneming valt in een groottegroep als ze aan minimaal 2 van de 3 criteria
voldoet. Je hebt micro, klein, middelgroot en groot.
Hoeveel informatie je moet publiceren hangt af van de grootte, dus de micro
hoeft bijv. alleen de balans te delen, de kleine alleen balans en toelichting,
middelgroot alles maar vereenvoudigd en groot moet alles uitgebreid publiceren.
- -> aandeelhouders, beleggers, banken, leveranciers, klanten en
concurrenten willen deze info weten.
Het bestuursverslag bevat een verslag over de gang van zaken in de
onderneming over het afgelopen boekjaar en de verwachte ontwikkelingen. De
overige gegevens gaan over de accountant, winstverdeling, aandelen,
zeggenschap en nevenvestigingen.
Marktaandeel van de afzet:
- Afzet van de onderneming in een bepaalde periode
X 100%.
Totale afzet in een bepaalde regio over een bepaalde periode
Marktaandeel van de omzet:
- Omzet van de onderneming in een bepaalde regio over een bepaalde
periode
X 100%
Totale omzet in een bepaalde regio over een bepaalde periode
De onderneming die het grootste marktaandeel heeft is de marktleider. De plaats
van de onderneming in de markt ten opzichte van de concurrentie is de
marktpositie.
, 13.2 Maatschappelijke behoeften
De economie en maatschappij bestaat uit de overheid, ondernemingen en
gezinnen en er zijn relaties met het buitenland.
Ondernemingen produceren (bieden goederen en diensten aan). Om te
kunnen produceren zijn er kapitaalgoederen nodig. Om deze te kunnen
financieren moeten ondernemingen aan vermogen zien te komen, maar
ook aan medewerkers.
De gezinnen komen erbij door: Ondernemingen betalen de medewerkers.
Met dit inkomen kunnen medewerkers producten kopen. Er gaat dus een
geldstroom van de gezinnen naar de ondernemingen en een
productenstroom van de onderneming naar de gezinnen (producten
kopen). De ondernemingen leveren producten aan de gezinnen en de
gezinnen leveren hun product -arbeid- aan de ondernemingen. Zo ontstaat
de economische kringloop.
De overheid komt erbij door de belastingheffing, zij herverdeelt de
beschikbare middelen weer en investeert (bijv. in infrastructuur).
Het buitenland komt erbij door import en export.
Organisaties voldoen aan de volgende maatschappelijke behoeften:
Leveren van producten
Producten zijn niet alleen goederen maar ook diensten (vakantie,
elektriciteit, scholing). Organisaties, de overheid en gezinnen hebben
behoefte aan deze producten.
Bieden van werkgelegenheid:
Personen hebben werk nodig, voor inkomen en voor zichzelf (nieuwe
dingen leren en ontwikkelen). Dit inkomen is nodig om producten te kopen.
Innovatie:
Door innovatie blijven organisaties concurrerend van elkaar en ten
opzichte van concurrenten uit het buitenland. Innovatie kan leiden tot
oplossingen en tot nieuwe behoeften van gezinnen en tot nieuwe
producten. Nieuwe producten worden verbeterd en zo ontstaan er weer
nieuwe. Innovatie heeft op effect op scholing.
Inkomen:
Organisaties produceren en verkopen, door de verkoop krijgen ze
ontvangsten (inkomen). Hiermee betalen ze werknemers. Zo krijgen de
gezinnen een inkomen.
Belasting:
Een onderneming die winst maakt moet over de winst belasting betalen.
Via loon zorgen ondernemingen er ook weer voor dat werknemers
belasting moeten betalen aan de overheid.
Hoofdstuk 13 – Organisatie en maatschappij
13.1 Omvang
Bij de absolute grootte gaat het om een meetbare omvang.
3 criteria om een organisatie in te delen naar grootte (groottecriteria):
- De waarde van de activa (balanstotaal)
- De netto-omzet (omzet na kortingen)
- Gemiddeld aantal werknemers
Een onderneming valt in een groottegroep als ze aan minimaal 2 van de 3 criteria
voldoet. Je hebt micro, klein, middelgroot en groot.
Hoeveel informatie je moet publiceren hangt af van de grootte, dus de micro
hoeft bijv. alleen de balans te delen, de kleine alleen balans en toelichting,
middelgroot alles maar vereenvoudigd en groot moet alles uitgebreid publiceren.
- -> aandeelhouders, beleggers, banken, leveranciers, klanten en
concurrenten willen deze info weten.
Het bestuursverslag bevat een verslag over de gang van zaken in de
onderneming over het afgelopen boekjaar en de verwachte ontwikkelingen. De
overige gegevens gaan over de accountant, winstverdeling, aandelen,
zeggenschap en nevenvestigingen.
Marktaandeel van de afzet:
- Afzet van de onderneming in een bepaalde periode
X 100%.
Totale afzet in een bepaalde regio over een bepaalde periode
Marktaandeel van de omzet:
- Omzet van de onderneming in een bepaalde regio over een bepaalde
periode
X 100%
Totale omzet in een bepaalde regio over een bepaalde periode
De onderneming die het grootste marktaandeel heeft is de marktleider. De plaats
van de onderneming in de markt ten opzichte van de concurrentie is de
marktpositie.
, 13.2 Maatschappelijke behoeften
De economie en maatschappij bestaat uit de overheid, ondernemingen en
gezinnen en er zijn relaties met het buitenland.
Ondernemingen produceren (bieden goederen en diensten aan). Om te
kunnen produceren zijn er kapitaalgoederen nodig. Om deze te kunnen
financieren moeten ondernemingen aan vermogen zien te komen, maar
ook aan medewerkers.
De gezinnen komen erbij door: Ondernemingen betalen de medewerkers.
Met dit inkomen kunnen medewerkers producten kopen. Er gaat dus een
geldstroom van de gezinnen naar de ondernemingen en een
productenstroom van de onderneming naar de gezinnen (producten
kopen). De ondernemingen leveren producten aan de gezinnen en de
gezinnen leveren hun product -arbeid- aan de ondernemingen. Zo ontstaat
de economische kringloop.
De overheid komt erbij door de belastingheffing, zij herverdeelt de
beschikbare middelen weer en investeert (bijv. in infrastructuur).
Het buitenland komt erbij door import en export.
Organisaties voldoen aan de volgende maatschappelijke behoeften:
Leveren van producten
Producten zijn niet alleen goederen maar ook diensten (vakantie,
elektriciteit, scholing). Organisaties, de overheid en gezinnen hebben
behoefte aan deze producten.
Bieden van werkgelegenheid:
Personen hebben werk nodig, voor inkomen en voor zichzelf (nieuwe
dingen leren en ontwikkelen). Dit inkomen is nodig om producten te kopen.
Innovatie:
Door innovatie blijven organisaties concurrerend van elkaar en ten
opzichte van concurrenten uit het buitenland. Innovatie kan leiden tot
oplossingen en tot nieuwe behoeften van gezinnen en tot nieuwe
producten. Nieuwe producten worden verbeterd en zo ontstaan er weer
nieuwe. Innovatie heeft op effect op scholing.
Inkomen:
Organisaties produceren en verkopen, door de verkoop krijgen ze
ontvangsten (inkomen). Hiermee betalen ze werknemers. Zo krijgen de
gezinnen een inkomen.
Belasting:
Een onderneming die winst maakt moet over de winst belasting betalen.
Via loon zorgen ondernemingen er ook weer voor dat werknemers
belasting moeten betalen aan de overheid.