Jurisprudentielijst
Week 1
/
Week 2
Decembermoorden Suriname
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002/559 m.nt. N.J. Schrijver en J.M. Reijntjes
(Decembermoorden Suriname).
Samenvatting: OvJ weigert Bouterse te vervolgen voor zijn betrokkenheid bij Decembermoorden.
Nabestaanden starten art. 12-procedure. Kan Bouterse in Nederland worden vervolgd voor zijn
vermeende betrokkenheid bij Decembermoorden, gezien de bepalingen van de Uitvoeringswet
folteringsverdrag en het Nederlandse strafrechtelijke systeem?
Rechtsregel(s):
- Art. 1 en 2 van Uitvoeringswet folteringsverdrag kunnen niet met terugwerkende kracht
worden toegepast, niet toegestaan op basis van ongeschreven volkerenrecht.
- Doden van personen zonder dat dit vergezeld gaat van mishandeling kan niet worden
aangemerkt als foltering.
- Indien enige vorm van mishandeling in het spel is, zijn deze feiten verjaard.
- Vervolging in Nederland van strafbare feiten gepleegd in het buitenland kan alleen
plaatsvinden wanneer er een aanknopingspunt is voor Nederlandse rechtsmacht, zoals het
hebben van een Nederlandse verdachte of slachtoffer, of het feit dat de verdachte zich in
Nederland bevindt ten tijde van zijn aanhouding.
Overdracht oorlogsmisdadiger Rwanda (Joseph Mpambara)
HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6568, NJ 2009/108 m.nt. N. Keijzer
Samenvatting: Mpambara vroeg politiek asiel aan in Nederland en werd in 2006 gearresteerd in
Amsterdam ter verdenking van oorlogsmisdrijven gepleegd in Rwanda. Rwanda-tribunaal diende
verzoek in om strafvervolging over te nemen, wat werd goedgekeurd door Nederlands Minister van
Justitie. Kan Nederland rechtsmacht uitoefenen over een verdachte die wordt vervolg voor misdrijven
gepleegd in Rwanda, op basis van overname van strafvervolging door het Rwanda-tribunaal, waarbij
wordt gesteld dat het Rwanda-tribunaal kan worden beschouwd als “vreemde staat” zoals bedoeld in
art. 4a Sr?
Rechtsregel: Rwanda-tribunaal kan niet als “vreemde staat” worden beschouwd omdat de term
“staat” in zowel nationaal al internationaal juridisch taalgebruik een specifieke betekenis heeft, die
geen VN-tribunalen omvat.
Verder werd geoordeeld dat er geen verdrag bestaat tussen Nederland en het Rwanda-tribunaal dat
basis biedt voor overname van strafvervolging. Nederland kan op basis van art. 4a Sr geen afgeleide
rechtsmacht uitoefenen in deze zaak.
Week 3
Aranyosi en Căldăraru
HvJ EU, 5 april 2016, zaak C-404/15 en C-659/15 PPU (Aranyosi en Căldăraru).
Samenvatting: Een Hongaar en Roemeen die in Duitsland werden gearresteerd met openstaande
straffen in hun landen van herkomst. Er waren twijfels over de detentieomstandigheden in die
landen.
Rechtsregel: wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit geconfronteerd wordt met betrouwbare
en actuele gegevens over gebreken in de detentieomstandigheden van de uitvaardigende lidstaat, is
, deze autoriteit verplicht om te onderzoeken of er een reëel gevaar bestaat dat de overgeleverde
persoon zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling (art. 4
Handvest). Uitvoerende autoriteit moet aanvullende gegevens aanvragen bij de uitvaardigende
autoriteit en kan de beslissing over de overlevering uitstellen totdat zij voldoende informatie heeft
om dit gevaar uit te sluiten. Als dit gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten,
moet de overlevering worden geweigerd. Tweetrapstoets:
1. Algemene beoordeling: in het algemeen een reëel gevaar schending grondrechten?
2. Individuele beoordeling: individueel reëel gevaar schending grondrechten?
Grundza
HvJ EU, 11 januari 2017, zaak C-289/15, (Grundza)
Samenvatting: man werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden wegens diefstal met
braak en belemmeren van uitvoering van overheidsbeslissing, namelijk niet naleven van tijdelijk
rijverbod. Twijfel over de dubbele strafbaarheid, omdat feiten niet als strafbare feiten werden
beschouwd op lijst art. 7 Kaderbesluit. Moet dubbele strafbaarheid worden beoordeeld op basis van
een concrete beoordeling van de feiten of is het voldoende dat de feiten in abstracto strafbaar zijn
volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.
Rechtsregel: de artt. 7, lid 3, en 9, lid 1, onder d) van Kaderbesluit moeten aldus worden
geïnterpreteerd dat aan voorwaarde dubbele strafbaarheid is voldaan als feitelijke elementen van het
strafbare feit, zoals vastgesteld in vonnis van beslissingsstaat, ook strafbaar zouden zijn geweest op
grondgebied van tenuitvoerleggingsstaat, indien de feiten daar zouden hebben plaatsgevonden.
Onafhankelijkheid rechterlijke macht Polen
HvJ EU, 17 december 2020, zaak C-354/20 PPU and C-412/20 PPU
Samenvatting: twijfels over onafhankelijkheid rechterlijke macht Polen, na uitspraken HvJ EU die
tekortkomingen in Poolse rechtspraak aankaarten.
Rechtsregel: de uitvoerende rechtelijke autoriteit kan niet enkel op basis van structurele of
fundamentele gebreken in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aannemen dat er een reëel
gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces bestaat. Er moet een concrete, nauwkeurige
verificatie plaatsvinden, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de
aard van het strafbare feit en de context van het aanhoudingsbevel.
Alchaster
HVJ EU, 29 juli 2024, zaak C-202/24 (Alchaster)
Samenvatting: een Noord-Ier moet worden overgeleverd aan het Ierland. Hierbij heeft hij geen
mogelijkheid gehad om in hoger beroep te gaan. In de tijd dat hij in Noord-Ierland verbleef zijn er ook
wijzigingen in de voorwaardelijke invrijheidsstelling doorgevoerd, waardoor hij langer zou moeten
zitten. Heeft een rechterlijke instantie die niet vatbaar is voor hoger beroep het recht om te oordelen
dat een gezochte persoon niet heeft aangetoond dat er een reëel gevaar bestaat dat overlevering een
schending zou vormen van art. 49, lid 2, van het Handvest, of moet de rechter nog enige vorm van
nader onderzoek verrichten, en zo ja, van welke aard en omvang dient dit onderzoek te zijn?
Rechtsregel: bij een verzoek tot overlevering dient de rechterlijke autoriteit van de lidstaat zelf te
beoordelen of overlevering art. 49 lid 1, van het Handvest zal schenden. Deze beoordeling moet
gebaseerd zijn op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en actuele gegevens. De overlevering kan
geweigerd worden als er zwaarwegende en feitelijke gronden zijn om aan te nemen dat betrokkene
een reëel gevaar loopt dat zijn rechten (art. 49 lid 1 Handvest) worden geschonden. Feit dat er een
strengere VI-regeling loopt vormt geen schending van art. 49 lid 1 Handvest.
Dus: tweestapstest geldt niet zomaar bij EU-niet EU, maar in feite komt het wel neer op een soort van
tweestapstest.
Week 1
/
Week 2
Decembermoorden Suriname
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002/559 m.nt. N.J. Schrijver en J.M. Reijntjes
(Decembermoorden Suriname).
Samenvatting: OvJ weigert Bouterse te vervolgen voor zijn betrokkenheid bij Decembermoorden.
Nabestaanden starten art. 12-procedure. Kan Bouterse in Nederland worden vervolgd voor zijn
vermeende betrokkenheid bij Decembermoorden, gezien de bepalingen van de Uitvoeringswet
folteringsverdrag en het Nederlandse strafrechtelijke systeem?
Rechtsregel(s):
- Art. 1 en 2 van Uitvoeringswet folteringsverdrag kunnen niet met terugwerkende kracht
worden toegepast, niet toegestaan op basis van ongeschreven volkerenrecht.
- Doden van personen zonder dat dit vergezeld gaat van mishandeling kan niet worden
aangemerkt als foltering.
- Indien enige vorm van mishandeling in het spel is, zijn deze feiten verjaard.
- Vervolging in Nederland van strafbare feiten gepleegd in het buitenland kan alleen
plaatsvinden wanneer er een aanknopingspunt is voor Nederlandse rechtsmacht, zoals het
hebben van een Nederlandse verdachte of slachtoffer, of het feit dat de verdachte zich in
Nederland bevindt ten tijde van zijn aanhouding.
Overdracht oorlogsmisdadiger Rwanda (Joseph Mpambara)
HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6568, NJ 2009/108 m.nt. N. Keijzer
Samenvatting: Mpambara vroeg politiek asiel aan in Nederland en werd in 2006 gearresteerd in
Amsterdam ter verdenking van oorlogsmisdrijven gepleegd in Rwanda. Rwanda-tribunaal diende
verzoek in om strafvervolging over te nemen, wat werd goedgekeurd door Nederlands Minister van
Justitie. Kan Nederland rechtsmacht uitoefenen over een verdachte die wordt vervolg voor misdrijven
gepleegd in Rwanda, op basis van overname van strafvervolging door het Rwanda-tribunaal, waarbij
wordt gesteld dat het Rwanda-tribunaal kan worden beschouwd als “vreemde staat” zoals bedoeld in
art. 4a Sr?
Rechtsregel: Rwanda-tribunaal kan niet als “vreemde staat” worden beschouwd omdat de term
“staat” in zowel nationaal al internationaal juridisch taalgebruik een specifieke betekenis heeft, die
geen VN-tribunalen omvat.
Verder werd geoordeeld dat er geen verdrag bestaat tussen Nederland en het Rwanda-tribunaal dat
basis biedt voor overname van strafvervolging. Nederland kan op basis van art. 4a Sr geen afgeleide
rechtsmacht uitoefenen in deze zaak.
Week 3
Aranyosi en Căldăraru
HvJ EU, 5 april 2016, zaak C-404/15 en C-659/15 PPU (Aranyosi en Căldăraru).
Samenvatting: Een Hongaar en Roemeen die in Duitsland werden gearresteerd met openstaande
straffen in hun landen van herkomst. Er waren twijfels over de detentieomstandigheden in die
landen.
Rechtsregel: wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit geconfronteerd wordt met betrouwbare
en actuele gegevens over gebreken in de detentieomstandigheden van de uitvaardigende lidstaat, is
, deze autoriteit verplicht om te onderzoeken of er een reëel gevaar bestaat dat de overgeleverde
persoon zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling (art. 4
Handvest). Uitvoerende autoriteit moet aanvullende gegevens aanvragen bij de uitvaardigende
autoriteit en kan de beslissing over de overlevering uitstellen totdat zij voldoende informatie heeft
om dit gevaar uit te sluiten. Als dit gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten,
moet de overlevering worden geweigerd. Tweetrapstoets:
1. Algemene beoordeling: in het algemeen een reëel gevaar schending grondrechten?
2. Individuele beoordeling: individueel reëel gevaar schending grondrechten?
Grundza
HvJ EU, 11 januari 2017, zaak C-289/15, (Grundza)
Samenvatting: man werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden wegens diefstal met
braak en belemmeren van uitvoering van overheidsbeslissing, namelijk niet naleven van tijdelijk
rijverbod. Twijfel over de dubbele strafbaarheid, omdat feiten niet als strafbare feiten werden
beschouwd op lijst art. 7 Kaderbesluit. Moet dubbele strafbaarheid worden beoordeeld op basis van
een concrete beoordeling van de feiten of is het voldoende dat de feiten in abstracto strafbaar zijn
volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.
Rechtsregel: de artt. 7, lid 3, en 9, lid 1, onder d) van Kaderbesluit moeten aldus worden
geïnterpreteerd dat aan voorwaarde dubbele strafbaarheid is voldaan als feitelijke elementen van het
strafbare feit, zoals vastgesteld in vonnis van beslissingsstaat, ook strafbaar zouden zijn geweest op
grondgebied van tenuitvoerleggingsstaat, indien de feiten daar zouden hebben plaatsgevonden.
Onafhankelijkheid rechterlijke macht Polen
HvJ EU, 17 december 2020, zaak C-354/20 PPU and C-412/20 PPU
Samenvatting: twijfels over onafhankelijkheid rechterlijke macht Polen, na uitspraken HvJ EU die
tekortkomingen in Poolse rechtspraak aankaarten.
Rechtsregel: de uitvoerende rechtelijke autoriteit kan niet enkel op basis van structurele of
fundamentele gebreken in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aannemen dat er een reëel
gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces bestaat. Er moet een concrete, nauwkeurige
verificatie plaatsvinden, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de
aard van het strafbare feit en de context van het aanhoudingsbevel.
Alchaster
HVJ EU, 29 juli 2024, zaak C-202/24 (Alchaster)
Samenvatting: een Noord-Ier moet worden overgeleverd aan het Ierland. Hierbij heeft hij geen
mogelijkheid gehad om in hoger beroep te gaan. In de tijd dat hij in Noord-Ierland verbleef zijn er ook
wijzigingen in de voorwaardelijke invrijheidsstelling doorgevoerd, waardoor hij langer zou moeten
zitten. Heeft een rechterlijke instantie die niet vatbaar is voor hoger beroep het recht om te oordelen
dat een gezochte persoon niet heeft aangetoond dat er een reëel gevaar bestaat dat overlevering een
schending zou vormen van art. 49, lid 2, van het Handvest, of moet de rechter nog enige vorm van
nader onderzoek verrichten, en zo ja, van welke aard en omvang dient dit onderzoek te zijn?
Rechtsregel: bij een verzoek tot overlevering dient de rechterlijke autoriteit van de lidstaat zelf te
beoordelen of overlevering art. 49 lid 1, van het Handvest zal schenden. Deze beoordeling moet
gebaseerd zijn op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en actuele gegevens. De overlevering kan
geweigerd worden als er zwaarwegende en feitelijke gronden zijn om aan te nemen dat betrokkene
een reëel gevaar loopt dat zijn rechten (art. 49 lid 1 Handvest) worden geschonden. Feit dat er een
strengere VI-regeling loopt vormt geen schending van art. 49 lid 1 Handvest.
Dus: tweestapstest geldt niet zomaar bij EU-niet EU, maar in feite komt het wel neer op een soort van
tweestapstest.