Inhoudsopgave
1. Eukaryote cel .........................................................................................................3
1.1 De opbouw van eukaryote cellen ................................................................3
1.2 Celtransport ......................................................................................................6
1.3 orgaanstelsels bij dieren ..........................................................................7
2. Chemische stoffen .................................................................................................9
2.1 Anorganische moleculen .................................................................................9
2.2 Organische moleculen ................................................................................... 10
3. Energetische omzettingen in de cel ........................................................... 17
3.1 Fotosynthese .................................................................................................... 17
3.2 Celademhaling .................................................................................................. 20
3.3 Enzymen............................................................................................................... 23
4. Erfelijke informatie......................................................................................... 25
4.1 DNA als codesysteem ..................................................................................... 25
4.2 Transcriptie en ....................................................................................... 25
4.3 Genregulatie .................................................................................................... 28
4.4 Mutaties ............................................................................................................ 29
4.5 Karyogramanalyse ........................................................................................... 30
5. Celvermeerdering ................................................................................................. 31
6. Erfelijkheid.......................................................................................................... 37
7. Evolutie .................................................................................................................. 40
7.1 Evolutie theorie van Darwin .................................................................... 40
7.2 Moderne evolutietheorie ............................................................................. 41
7.3 Natuurlijke en kunstmatige selectie ................................................... 41
7.4 Ontstaan van soorten ................................................................................... 42
7.5 Genetic drift .................................................................................................. 42
7.6 Evolutie van de mens ................................................................................... 42
8. Voortplanting van de mens .............................................................................. 44
9. Skelet en bewegingsstelsel ............................................................................ 59
10. Zenuwstelsel ....................................................................................................... 65
11. Hormonaal en endocrien coördinatiestelsel .......................................... 69
,
,1. Eukaryote cel
1.1 De opbouw van eukaryote cellen
Eukaryote cel : cellen bevatten een celkern waarin het erfelijk
materiaal (DNA) ligt
• Prokaryoten hebben geen celkern, mitochondriën en golgisysteem
Lichtmicroscopische bouw van dier- en plantencel
• Plantencellen (links) hebben min of meer dezelfde structuur,
dierlijke cellen (rechts)niet
• Beide hebben een celkern, cytoplasma en membraan, plantencellen
hebben nog een extra celwand
Onderdelen van een dierlijke cel (elektronenmicroscopie)
• Celkern : bevat erfelijk materiaal
o Een kern bestaat uit kernplasma
omgeven door een dubbelmembraan
(kernmembraan)
o Bevat chromosomen waarin de
erfelijke informatie in DNA is
opgeslagen
o Functie : regeling van
celprocessen zoals transcriptie
voor eiwitsynthese
, • Kernmembraan : zit om de celkern, bevat kernporiën voor
transport
• Kernporiën : zorgen voor transport van erfelijk materiaal vanaf
de celkern, het cytoplasma in
• DNA : zit in de kern
• Nucleolus (kernlichaampje) : stukje in de kern wat erfelijk
materiaal bevat om ribosomen te maken
• Ruw endoplasmatisch reticulum (RER) : zit om de celkern, heeft
een functie bij proteïne productie, ruw doordat er ribosomen
opzitten
o Bevat holten- en kanalensysteem gevormd door tegen elkaar
liggende membranen
o Komt niet voor bij bacteriën
o Functie : transport van stoffen in de cel
• Smooth endoplasmatisch reticulum (SER) : zit om de celkern,
heeft een functie bij proteïne productie, bevat geen ribosomen
o Bevat holten- en kanalensysteem gevormd door tegen elkaar
liggende membranen
o Komt niet voor bij bacteriën
o Functie : transport van stoffen in de cel
• Ribosomen op ER : speelt een functie bij eiwitsynthese
• Vrije ribosomen : functie bij de productie van proteïne vanuit
RNA
o Bevatten geen membraan, bestaan uit 2 subeenheden
o Zijn complexen van eiwitten en RNA-ketens
• Mitochondrion : energiefabrieken van de cel, bevat een matrix
met daarom 2 membranen
o Bevat eigen mitochondriaal DNA
o Functie : ATP-productie door middel van
aërobe dissimilatie
• Golgi-apparaat : bestaat uit allemaal blaasjes op elkaar
gedrukt en kunnen blaasjes afsnoeren en opnemen
o Functie : opslag en vorming van stoffen voor transport
binnen en buiten de cel
• Lysosoom : blaasje met verteringsenzymen, heeft één membraan
o Kunnen een virus omsluiten om zo de virussen te verteren
in een afgesloten ruimte → fagocytose
o Worden gevormd door Golgi-systeem