Samenvatting Goederenrecht
HC 1 – Verdieping Goederenrecht
Vermogen: iemands op geld waardeerbare rechten en plichten
Verbintenissenrecht:
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer
personen op grond waarvan de ene partij (schuldenaar) verplicht is tot een bepaalde
prestatie, waartoe de andere partij (schuldeiser) is gerechtigd.
Verbintenissen hebben dus ook een actieve zijde: een vorderingsrecht dat
toekomst aan de schuldeiser en dat een verplichting inhoudt voor de schuldenaar.
Het verschil tussen goederenrecht en verbintenissenrecht is dat rechten op goederen
tegenover iedereen ingeroepen kunnen worden (absoluut recht), terwijl bij
verbintenissenrecht de rechten alleen ingeroepen kunnen worden tegenover de persoon
met wie een verbintenisrechtelijke verhouding bestaat (relatief recht).
Daarnaast kent het goederenrecht een gesloten systeem, het goederenrecht erkent
slechts de in de wet geregelde absolute rechten (dwingend recht). Het
verbintenissenrecht kent een open systeem, aangezien contractsvrijheid en
partijautonomie voorop staat (regelend recht).
Wat zijn goederen?
‘’Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.’’ (art. 3:1 BW)
Goederen:
Zaken (art. 3:2 BW)
o Onroerend (art. 3:3 lid 1 BW)
o Roerend (art. 3:3 lid 2 BW)
Vermogensrechten (art. 3:6 BW)
o Rechten op naam
o Rechten uit overeenkomsten
o Beperkte rechten
Onroerende zaken zijn ‘’de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond
zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of
werken.’’
Of een gebouw of werk duurzaam met de grond is verenigd, hangt af van de vraag of het
naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
In HR Portacabin zijn criteria vastgesteld om te bepalen of een gebouw of werk bestemd
is om duurzaam ter plaatse te verblijven:
Een gebouw kan duurzaam met de grond zijn verenigd doordat het naar aard en
inrichting bedoeld is duurzaam ter plaatse te blijven
Daarbij kan tevens worden gekeken naar de bedoeling van de bouwer, maar
alleen voor zover die naar buiten toe blijkt
De verkeersopvatting vormt geen zelfstandige maatstaf wanneer het gaat om de
vraag of een zaak roerend of onroerend is, dient slechts ter invulling (het moet
gaan om objectieve factoren)
Registergoederen:
‘’Goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is.’’ (art. 3:10 BW)
Let op! Niet alle goederen waarvoor registers bestaan zijn registergoederen.
Motorrijtuigen, aandelen op naam en merkenrechten/octrooirechten zijn dus GEEN
registergoederen. Alle onroerende zaken en teboekstaande zee- en binnenschepen en
luchtvaartuigen zijn registergoederen.
,Bestanddelen
Bestanddelen zijn onzelfstandige onderdelen van een zaak (art. 3:4 BW), ze zijn daarom
zelf geen zaak. Art. 3:4 BW geeft 2 criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld
of er sprake is van bestanddeelvorming:
1. Verkeersopvatting (HR Dépex/Curatoren)
o De ruimte is zonder de zaak onvoltooid/incompleet
o Constructieve afstemming (bv. of het gebouw is afgestemd op de machine)
2. Schadecriterium (de zaak kan niet worden verwijderd zonder dat er aanzienlijke
schade ontstaat)
Het gevolg van bestanddeelvorming is dat er natrekking plaatsvindt (art. 5:14 BW voor
natrekking van roerende zaken, art. 5:20 BW voor natrekking van onroerende zaken). Het
voorwerp wordt bestanddeel van de andere zaak. Roerende zaken die natrekken aan een
onroerende zaak worden daardoor dus ook onroerend (verticale natrekking, art. 5:2 jo.
5:20 lid 2 onder e BW). De eigenaar van de onroerende zaak wordt dan dus ook eigenaar
alle bestanddelen (art. 5:3 BW). Je kan dus bijv. geen eigenaar zijn van een kamer in een
huis, wel huren.
LET OP! Dit is dus niet hetzelfde als zaaksvorming, hierbij wordt van meerdere
voorwerpen één voorwerp met een geheel nieuwe identiteit gevormd. Wanneer
natrekking plaatsvindt, betekent dit ook dat het bestanddeel bijv. ook onder het pand- of
hypotheekrecht valt dat op de hoofdzaak is gevestigd. Ook alle banden met het verleden
worden doorgesneden, dus in het verleden gevestigde zekerheidsrechten op het
bestanddeel vervallen ook.
In sommige gevallen kunnen meerdere zaken of goederen een eenheid vormen omdat zij
een gemeenschappelijke bestemming hebben, denk aan een kudde schapen, een
bibliotheek of een inboedel. De hoofdregel in het goederenrecht is hier dat het
vermogenscomplex niet meer is dan een verzameling goederen en eventueel schulden.
Het zijn dus individuele boeken en schapen die ieder afzonderlijk moeten worden
geleverd.
Toekomstige goederen
Dit zijn goederen die als zodanig nog in het geheel niet bestaan (denk aan fruitopbrengst
van een boomgaard, of de huur van een nog niet verlopen huurtermijn). Dit worden
‘’absoluut toekomstige’’ goederen genoemd. Als toekomstige goederen worden ook
aangemerkt bestaande goederen waarover men nog niet de beschikking heeft, terwijl
men wel verwacht die beschikking te eniger tijd te zullen krijgen (denk aan een zaak die
is gekocht maar nog niet aan de koper is overgedragen). Dit worden ook wel ‘’relatief
toekomstige’’ goederen genoemd.
Beperkte rechten
‘’Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk
met het beperkte recht is bezwaard.’’ (art. 3:8 BW)
Een beperkt recht hoeft niet tevens ook een zakelijk recht te zijn. Het beperkte recht
hoeft namelijk geen zaak als object te hebben. Beperkte rechten die soms wel en soms
geen zakelijke rechten zijn, staan in boek 3. Boek 5 ziet volgens het opschrift slechts op
zakelijke rechten.
Een voorbeeld van een beperkt recht dat niet zakelijk is, is het vruchtgebruik. Art. 3:201
BW bepaalt dat vruchtgebruik het recht geeft om goederen (dus niet persé zaken) die
aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.
Ook bij pand en hypotheek bepaalt art. 3:228 BW dat alle goederen vatbaar zijn voor de
vestiging van een recht van pand hetzij van hypotheek.
,Art. 3:248 lid 1 jo. 3:268 lid 1 BW de pand- of hypotheekhouder heeft het recht van
parate executie. Dit houdt in dat hij niet eerst naar de rechter hoeft te gaan om tot een
betaling veroordelend vonnis te halen.
Hypotheekrecht: het recht is gevestigd op een registergoed (art. 3:10 BW)
Pandrecht: het recht is gevestigd op een ander goed
Beperkte rechten:
Boek 3: kunnen op zowel zaken als vermogensrechten rusten
o Vruchtgebruik
o Pandrecht
o Hypotheek
Boek 5: rusten uitsluitend op (onroerende) zaken
o Erfdienstbaarheid
o Erfpacht
o Opstalrecht
Er is ook nog een onderscheid te maken tussen genotsrechten en zekerheidsrechten.
Genotsrechten
Beperkte rechten die de rechthebbende de bevoegdheid geven het goed te
gebruiken en het genot ervan te hebben, ook al behoort het goed aan een ander
toe.
o Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW)
o Erfpacht (art. 5:85 BW)
o Opstalrecht (art. 5:101 BW)
o Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
Zekerheidsrechten
Strekken niet tot genot van het goed, maar verschaffen de schuldeiser een
sterkere positie bij verhaal
o Pandrecht (art. 3:227 BW)
o Hypotheek (art. 3:227 BW)
Afhankelijke rechten:
Rechten die teniet gaan met het recht waaraan zij zijn verbonden. Ze kunnen alleen
overgaan op een andere persoon in samenhang met dat (hoofd)recht (art. 3:7 BW).
Bezitter het houden van een goed voor zichzelf
Houderschap het houden van een goed voor een ander
Eigenaar heeft betrekking op zaken
Rechthebbende heeft betrekking op vermogensrechten
Let op! Een bezitter is dus niet altijd ook daadwerkelijk de eigenaar van een goed! Een
dief houdt een goed bijv. wel voor zichzelf, maar hij is geen eigenaar
Verkrijging en verlies van goederen
De wet kent een gesloten systeem met betrekking tot de wijzen van verkrijgen van
goederen. Dit houdt in dat er niet meer wijzen van verkrijging van goederen zijn dan die
uit de wet voortvloeien. Partijen kunnen niet buiten de wet om een eigen, nieuwe wijze
van verkrijging van goederen in het leven roepen.
2 wijzen van verkrijging (art. 3:80 lid 1 BW):
1. Onder algemene titel
De overgang voltrekt zich van rechtswege door het voordoen van het rechtsfeit
(lid 2 geeft een limitatieve opsomming). Er is geen levering van de afzonderlijke
goederen noodzakelijk.
2. Onder bijzondere titel
Verkrijging van een nader bepaald goed (denk aan overdracht)
Nemo-plus beginsel een rechthebbende kan niet meer recht overdragen dan hij zelf
heeft. Dit brengt bijvoorbeeld met zich mee dat indien er een beperkt recht op een goed
, is gevestigd, de rechthebbende alleen kan beschikken over het goed bezwaard met het
beperkte recht.
Een nieuwe rechthebbende is niet gebonden aan de persoonlijke verplichtingen die zijn
rechtsvoorganger met betrekking tot het goed is aangegaan. Denk aan ovk tussen A en B
dat B over A’s pad naar de openbare weg mag lopen. Als A zijn erf verkoopt aan C, rust er
op C geen verplichting om de afspraak na te komen. LET OP! Dit is anders bij een
verkrijging onder algemene titel. Als C het erf bijv. niet door overdracht, maar als
erfgenaam krijgt, verkrijgt hij ook de schulden, dus de verplichtingen van A. Dan moet hij
het gebruik van B dus wel gedogen. De verkrijger profiteert wel van persoonlijke rechten
die zijn voorganger met betrekking tot het goed heeft bedongen (tenzij bijv. is
afgesproken dat garantie niet op derden overgaat).
Absoluut verlies van goederen het goed gaat teniet (denk aan een boek dat verbrand)
Relatief verlies van goederen een ander wordt rechthebbende op het goed
Bezit, houderschap en eigendom
Bezit is de uiterlijke machtsuitoefening van de eigenaar, maar is nooit de eigendom zelf.
Normaal gesproken is de bezitter ook tevens de eigenaar van een zaak.
Een voorbeeld van een bezitter die niet tevens eigenaar is: A steelt een auto van B en
verkoopt deze door aan een heler. A en de heler houden het goed voor zichzelf, maar zijn
geen eigenaar, want dit is B.
Soms kan het voorkomen dat de eigenaar het goed niet onder zich heeft. Hij kan het
bijvoorbeeld tijdelijk bij een ander hebben staan. Die ander houdt het goed dan voor de
eigenaar.
Bezitter het houden van een goed voor jezelf (ook middellijk en onmiddellijk mogelijk).
Art. 3:107 BW. Het hoeft dus niet persé om een zaak te gaan, kan ook vorderingsrecht
zijn.
Houder middellijk (iemand anders houdt het goed, maar jij bent nog steeds eigenaar)
onmiddellijk houder (je houdt het goed bij jezelf). Je houdt een goed voor een ander (je
kunt dus nooit eigenaar en houder tegelijk zijn). De houder wordt ook wel detentor
genoemd.
Art. 3:111 BW een houder kan zich nooit door een enkele wilswijziging (buiten de
bezitter om) tot bezitter maken. ‘’Eenmaal detentor, altijd detentor’’.
Om te kijken of iemand een goed voor zichzelf of een ander houdt, dient naar
verkeersopvattingen op grond van de uiterlijke feiten te worden beoordeeld (art. 3:108
BW). Een houder kan bijvoorbeeld niet zijn auto in een andere kleur laten spuiten, een
eigenaar kan dat wel.
Daarnaast bepaalt art. 3:109 BW dat iemand die een goed houdt, wordt vermoed de
bezitter te zijn. Er is echter wel tegenbewijs mogelijk (denk aan art. 3:110 en 3:111 BW)!
Art. 3:119 BW bepaalt dat de bezitter wordt vermoed rechthebbende/eigenaar te zijn.
Overdracht (art. 3:84 BW)
Een belangrijke wijze van verkrijging van een goed is overdracht. Bij overdracht gaat een
goed door een partijhandeling onder bijzondere titel over uit het vermogen van de
vervreemder in dat van de verkrijger.
Voordat naar de voorwaarden van overdracht gekeken kan worden, moet eerst worden
nagegaan of het goed overdraagbaar is. Art. 3:83 lid 1 BW bepaalt dat eigendom,
beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van
het recht zich daartegen verzet. Lid 2 bepaalt dat er voor vorderingsrechten een
onoverdraagbaarheidsbeding kan worden opgenomen, zodat deze niet overdraagbaar
zijn. LET OP! Dit geldt dus alleen voor vorderingsrechten. De overdraagbaarheid van
eigendom en beperkte rechten kan dus niet door een dergelijk beding worden
uitgesloten.
Vereisten voor overdracht (art. 3:84 lid 1 BW)
HC 1 – Verdieping Goederenrecht
Vermogen: iemands op geld waardeerbare rechten en plichten
Verbintenissenrecht:
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer
personen op grond waarvan de ene partij (schuldenaar) verplicht is tot een bepaalde
prestatie, waartoe de andere partij (schuldeiser) is gerechtigd.
Verbintenissen hebben dus ook een actieve zijde: een vorderingsrecht dat
toekomst aan de schuldeiser en dat een verplichting inhoudt voor de schuldenaar.
Het verschil tussen goederenrecht en verbintenissenrecht is dat rechten op goederen
tegenover iedereen ingeroepen kunnen worden (absoluut recht), terwijl bij
verbintenissenrecht de rechten alleen ingeroepen kunnen worden tegenover de persoon
met wie een verbintenisrechtelijke verhouding bestaat (relatief recht).
Daarnaast kent het goederenrecht een gesloten systeem, het goederenrecht erkent
slechts de in de wet geregelde absolute rechten (dwingend recht). Het
verbintenissenrecht kent een open systeem, aangezien contractsvrijheid en
partijautonomie voorop staat (regelend recht).
Wat zijn goederen?
‘’Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.’’ (art. 3:1 BW)
Goederen:
Zaken (art. 3:2 BW)
o Onroerend (art. 3:3 lid 1 BW)
o Roerend (art. 3:3 lid 2 BW)
Vermogensrechten (art. 3:6 BW)
o Rechten op naam
o Rechten uit overeenkomsten
o Beperkte rechten
Onroerende zaken zijn ‘’de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond
zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of
werken.’’
Of een gebouw of werk duurzaam met de grond is verenigd, hangt af van de vraag of het
naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
In HR Portacabin zijn criteria vastgesteld om te bepalen of een gebouw of werk bestemd
is om duurzaam ter plaatse te verblijven:
Een gebouw kan duurzaam met de grond zijn verenigd doordat het naar aard en
inrichting bedoeld is duurzaam ter plaatse te blijven
Daarbij kan tevens worden gekeken naar de bedoeling van de bouwer, maar
alleen voor zover die naar buiten toe blijkt
De verkeersopvatting vormt geen zelfstandige maatstaf wanneer het gaat om de
vraag of een zaak roerend of onroerend is, dient slechts ter invulling (het moet
gaan om objectieve factoren)
Registergoederen:
‘’Goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is.’’ (art. 3:10 BW)
Let op! Niet alle goederen waarvoor registers bestaan zijn registergoederen.
Motorrijtuigen, aandelen op naam en merkenrechten/octrooirechten zijn dus GEEN
registergoederen. Alle onroerende zaken en teboekstaande zee- en binnenschepen en
luchtvaartuigen zijn registergoederen.
,Bestanddelen
Bestanddelen zijn onzelfstandige onderdelen van een zaak (art. 3:4 BW), ze zijn daarom
zelf geen zaak. Art. 3:4 BW geeft 2 criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld
of er sprake is van bestanddeelvorming:
1. Verkeersopvatting (HR Dépex/Curatoren)
o De ruimte is zonder de zaak onvoltooid/incompleet
o Constructieve afstemming (bv. of het gebouw is afgestemd op de machine)
2. Schadecriterium (de zaak kan niet worden verwijderd zonder dat er aanzienlijke
schade ontstaat)
Het gevolg van bestanddeelvorming is dat er natrekking plaatsvindt (art. 5:14 BW voor
natrekking van roerende zaken, art. 5:20 BW voor natrekking van onroerende zaken). Het
voorwerp wordt bestanddeel van de andere zaak. Roerende zaken die natrekken aan een
onroerende zaak worden daardoor dus ook onroerend (verticale natrekking, art. 5:2 jo.
5:20 lid 2 onder e BW). De eigenaar van de onroerende zaak wordt dan dus ook eigenaar
alle bestanddelen (art. 5:3 BW). Je kan dus bijv. geen eigenaar zijn van een kamer in een
huis, wel huren.
LET OP! Dit is dus niet hetzelfde als zaaksvorming, hierbij wordt van meerdere
voorwerpen één voorwerp met een geheel nieuwe identiteit gevormd. Wanneer
natrekking plaatsvindt, betekent dit ook dat het bestanddeel bijv. ook onder het pand- of
hypotheekrecht valt dat op de hoofdzaak is gevestigd. Ook alle banden met het verleden
worden doorgesneden, dus in het verleden gevestigde zekerheidsrechten op het
bestanddeel vervallen ook.
In sommige gevallen kunnen meerdere zaken of goederen een eenheid vormen omdat zij
een gemeenschappelijke bestemming hebben, denk aan een kudde schapen, een
bibliotheek of een inboedel. De hoofdregel in het goederenrecht is hier dat het
vermogenscomplex niet meer is dan een verzameling goederen en eventueel schulden.
Het zijn dus individuele boeken en schapen die ieder afzonderlijk moeten worden
geleverd.
Toekomstige goederen
Dit zijn goederen die als zodanig nog in het geheel niet bestaan (denk aan fruitopbrengst
van een boomgaard, of de huur van een nog niet verlopen huurtermijn). Dit worden
‘’absoluut toekomstige’’ goederen genoemd. Als toekomstige goederen worden ook
aangemerkt bestaande goederen waarover men nog niet de beschikking heeft, terwijl
men wel verwacht die beschikking te eniger tijd te zullen krijgen (denk aan een zaak die
is gekocht maar nog niet aan de koper is overgedragen). Dit worden ook wel ‘’relatief
toekomstige’’ goederen genoemd.
Beperkte rechten
‘’Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk
met het beperkte recht is bezwaard.’’ (art. 3:8 BW)
Een beperkt recht hoeft niet tevens ook een zakelijk recht te zijn. Het beperkte recht
hoeft namelijk geen zaak als object te hebben. Beperkte rechten die soms wel en soms
geen zakelijke rechten zijn, staan in boek 3. Boek 5 ziet volgens het opschrift slechts op
zakelijke rechten.
Een voorbeeld van een beperkt recht dat niet zakelijk is, is het vruchtgebruik. Art. 3:201
BW bepaalt dat vruchtgebruik het recht geeft om goederen (dus niet persé zaken) die
aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.
Ook bij pand en hypotheek bepaalt art. 3:228 BW dat alle goederen vatbaar zijn voor de
vestiging van een recht van pand hetzij van hypotheek.
,Art. 3:248 lid 1 jo. 3:268 lid 1 BW de pand- of hypotheekhouder heeft het recht van
parate executie. Dit houdt in dat hij niet eerst naar de rechter hoeft te gaan om tot een
betaling veroordelend vonnis te halen.
Hypotheekrecht: het recht is gevestigd op een registergoed (art. 3:10 BW)
Pandrecht: het recht is gevestigd op een ander goed
Beperkte rechten:
Boek 3: kunnen op zowel zaken als vermogensrechten rusten
o Vruchtgebruik
o Pandrecht
o Hypotheek
Boek 5: rusten uitsluitend op (onroerende) zaken
o Erfdienstbaarheid
o Erfpacht
o Opstalrecht
Er is ook nog een onderscheid te maken tussen genotsrechten en zekerheidsrechten.
Genotsrechten
Beperkte rechten die de rechthebbende de bevoegdheid geven het goed te
gebruiken en het genot ervan te hebben, ook al behoort het goed aan een ander
toe.
o Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW)
o Erfpacht (art. 5:85 BW)
o Opstalrecht (art. 5:101 BW)
o Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
Zekerheidsrechten
Strekken niet tot genot van het goed, maar verschaffen de schuldeiser een
sterkere positie bij verhaal
o Pandrecht (art. 3:227 BW)
o Hypotheek (art. 3:227 BW)
Afhankelijke rechten:
Rechten die teniet gaan met het recht waaraan zij zijn verbonden. Ze kunnen alleen
overgaan op een andere persoon in samenhang met dat (hoofd)recht (art. 3:7 BW).
Bezitter het houden van een goed voor zichzelf
Houderschap het houden van een goed voor een ander
Eigenaar heeft betrekking op zaken
Rechthebbende heeft betrekking op vermogensrechten
Let op! Een bezitter is dus niet altijd ook daadwerkelijk de eigenaar van een goed! Een
dief houdt een goed bijv. wel voor zichzelf, maar hij is geen eigenaar
Verkrijging en verlies van goederen
De wet kent een gesloten systeem met betrekking tot de wijzen van verkrijgen van
goederen. Dit houdt in dat er niet meer wijzen van verkrijging van goederen zijn dan die
uit de wet voortvloeien. Partijen kunnen niet buiten de wet om een eigen, nieuwe wijze
van verkrijging van goederen in het leven roepen.
2 wijzen van verkrijging (art. 3:80 lid 1 BW):
1. Onder algemene titel
De overgang voltrekt zich van rechtswege door het voordoen van het rechtsfeit
(lid 2 geeft een limitatieve opsomming). Er is geen levering van de afzonderlijke
goederen noodzakelijk.
2. Onder bijzondere titel
Verkrijging van een nader bepaald goed (denk aan overdracht)
Nemo-plus beginsel een rechthebbende kan niet meer recht overdragen dan hij zelf
heeft. Dit brengt bijvoorbeeld met zich mee dat indien er een beperkt recht op een goed
, is gevestigd, de rechthebbende alleen kan beschikken over het goed bezwaard met het
beperkte recht.
Een nieuwe rechthebbende is niet gebonden aan de persoonlijke verplichtingen die zijn
rechtsvoorganger met betrekking tot het goed is aangegaan. Denk aan ovk tussen A en B
dat B over A’s pad naar de openbare weg mag lopen. Als A zijn erf verkoopt aan C, rust er
op C geen verplichting om de afspraak na te komen. LET OP! Dit is anders bij een
verkrijging onder algemene titel. Als C het erf bijv. niet door overdracht, maar als
erfgenaam krijgt, verkrijgt hij ook de schulden, dus de verplichtingen van A. Dan moet hij
het gebruik van B dus wel gedogen. De verkrijger profiteert wel van persoonlijke rechten
die zijn voorganger met betrekking tot het goed heeft bedongen (tenzij bijv. is
afgesproken dat garantie niet op derden overgaat).
Absoluut verlies van goederen het goed gaat teniet (denk aan een boek dat verbrand)
Relatief verlies van goederen een ander wordt rechthebbende op het goed
Bezit, houderschap en eigendom
Bezit is de uiterlijke machtsuitoefening van de eigenaar, maar is nooit de eigendom zelf.
Normaal gesproken is de bezitter ook tevens de eigenaar van een zaak.
Een voorbeeld van een bezitter die niet tevens eigenaar is: A steelt een auto van B en
verkoopt deze door aan een heler. A en de heler houden het goed voor zichzelf, maar zijn
geen eigenaar, want dit is B.
Soms kan het voorkomen dat de eigenaar het goed niet onder zich heeft. Hij kan het
bijvoorbeeld tijdelijk bij een ander hebben staan. Die ander houdt het goed dan voor de
eigenaar.
Bezitter het houden van een goed voor jezelf (ook middellijk en onmiddellijk mogelijk).
Art. 3:107 BW. Het hoeft dus niet persé om een zaak te gaan, kan ook vorderingsrecht
zijn.
Houder middellijk (iemand anders houdt het goed, maar jij bent nog steeds eigenaar)
onmiddellijk houder (je houdt het goed bij jezelf). Je houdt een goed voor een ander (je
kunt dus nooit eigenaar en houder tegelijk zijn). De houder wordt ook wel detentor
genoemd.
Art. 3:111 BW een houder kan zich nooit door een enkele wilswijziging (buiten de
bezitter om) tot bezitter maken. ‘’Eenmaal detentor, altijd detentor’’.
Om te kijken of iemand een goed voor zichzelf of een ander houdt, dient naar
verkeersopvattingen op grond van de uiterlijke feiten te worden beoordeeld (art. 3:108
BW). Een houder kan bijvoorbeeld niet zijn auto in een andere kleur laten spuiten, een
eigenaar kan dat wel.
Daarnaast bepaalt art. 3:109 BW dat iemand die een goed houdt, wordt vermoed de
bezitter te zijn. Er is echter wel tegenbewijs mogelijk (denk aan art. 3:110 en 3:111 BW)!
Art. 3:119 BW bepaalt dat de bezitter wordt vermoed rechthebbende/eigenaar te zijn.
Overdracht (art. 3:84 BW)
Een belangrijke wijze van verkrijging van een goed is overdracht. Bij overdracht gaat een
goed door een partijhandeling onder bijzondere titel over uit het vermogen van de
vervreemder in dat van de verkrijger.
Voordat naar de voorwaarden van overdracht gekeken kan worden, moet eerst worden
nagegaan of het goed overdraagbaar is. Art. 3:83 lid 1 BW bepaalt dat eigendom,
beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van
het recht zich daartegen verzet. Lid 2 bepaalt dat er voor vorderingsrechten een
onoverdraagbaarheidsbeding kan worden opgenomen, zodat deze niet overdraagbaar
zijn. LET OP! Dit geldt dus alleen voor vorderingsrechten. De overdraagbaarheid van
eigendom en beperkte rechten kan dus niet door een dergelijk beding worden
uitgesloten.
Vereisten voor overdracht (art. 3:84 lid 1 BW)