Samenvatting
Stad en Bestuur
Gemaakt door: Gerlinde en Donna
H1. Stedelijke samenleven:
De stedelijke bevolking: grote diversiteit, wat betreft beroep, opleiding,
inkomen, etniciteit, levens beschouwing en leefwijze.
De stedelijke voorziening: zijn veelzijdiger dan die van een dorp. Denk aan
ziekenhuizen, uitgaan gelegenheid en theater.
Het stedelijk grondgebied: is klein in verhouding tot het aantal mensen dat
erop leeft. Een stad beschikt over een stuk grond met daarop een relatief hoge
bevolkings-en bebouwingsdichtheid.
Fysieke werkelijkheid: zichtbare en tastbare stad. Alles wat er dus staat, zo als:
huizen, cafés, groen strook, kerk, brug en kantoren enz.
Fysiek domein: hier binnen leven de bewoners van de stad met elkaar.
Sociale werkelijkheid: samenleven.
*Bewoners van de stad beoordelen hun leefomgeving vaak negatiever dan
mensen van het platen land.
Decentraliseren: om de maatschappelijke problemen goed aan te kunnen
pakken. Werd niet alles meer door het rijk in den haag geregeld. De steden
namen bepaalde taken over van het rijk.
Stadsvernieuwingsbeleid: richten zich op de emancipatie en de integratie van
de bewoners. Ook verbeterde ze de samenhang in de wijken.
(PCG) Problemen Cumulatie Gebieden beleid: moest meer sociaal
georiënteerd zijn, dan stads vernieuwingsbeleid. PCG, richtte zich op sociale
achtenstand in wijken.
Sociaal vernieuwingsbeleid: verving het PCG beleid. De Sociaal
vernieuwingsbeleid richtte zich op werk gelegenheid en Scholings projecten.
, Verkokering: houdt in dat autonoom opperende organisaties in gescheiden
beleidssectoren met eigen middelen bezig zijn om problemen op te lossen.
(terug dringen van bemoeienis van verschillende instanties)
Actoren: betrokkenen. Personen of instanties.
1.3 Het grootsteden beleid.
*Begin 1990: de werkgelegenheid bleef laag in de steden. In vergelijking met de
rest van Nederland. Opleidingsniveau was in de stad gemiddeld ook lager.
Selectieve migratie: de bewoners met hogen en middel inkomen verlieten de
stad. De immigranten (buitenlanders) en laag gescholden kwamen er voor terug.
De woningen waren goedkoop en onaantrekkelijk.
* Door de selectieve migratie en de vernieuwde stads wijken die daar bij
hoorden. Werd de sociale samenhang zwakker, slechte kwaliteit en niet veilig.
(Kwetsbaren groepen mensen zo als verslaafde en daklozen)
(KOK-1) Grote stedenbeleid 1: 1994-1998.
Burgemeester Rotterdam wilde een onorthodoxe { laagdrempelige/ anders dan
gebruikelijk) aanpak van hier boven genoemde stedelijke problematiek.
1995: G4 en G15 en het kabinet ondertekende een convenant( overeenkomst).
Wat de basis werd voor de grootstedenbeleid. Waarin prestatie afspraken
werden vastgelegd. Doel: de economische en sociale structuur te verterken.
Herstructurering: door grootschalig te slopen en herbouwen wordt de
eenzijdige samen stelling doorbroken. (Sociale problemen oplossen)
Grotestedenbeleid
Bestuurlijke vernieuwing: terugdringen dat mensen zich met het rijk
bemoeien.
Het bevorderen van bevoegdheden en middelen.
Het versterken van de steden zo dat zij de samenhang tussen de beleidssectoren
konden bevorderen.
Verbeteren van de financiële verdeling.
Interactief bestuur: houdt in dat het rijk en de steden gezamenlijk beleid
maken.
Bottom-up: het beleid moet van onder af worden ontwikkeld. ( de problematiek
van de steden en wijken vormen een uitgaanspunt)
Stad en Bestuur
Gemaakt door: Gerlinde en Donna
H1. Stedelijke samenleven:
De stedelijke bevolking: grote diversiteit, wat betreft beroep, opleiding,
inkomen, etniciteit, levens beschouwing en leefwijze.
De stedelijke voorziening: zijn veelzijdiger dan die van een dorp. Denk aan
ziekenhuizen, uitgaan gelegenheid en theater.
Het stedelijk grondgebied: is klein in verhouding tot het aantal mensen dat
erop leeft. Een stad beschikt over een stuk grond met daarop een relatief hoge
bevolkings-en bebouwingsdichtheid.
Fysieke werkelijkheid: zichtbare en tastbare stad. Alles wat er dus staat, zo als:
huizen, cafés, groen strook, kerk, brug en kantoren enz.
Fysiek domein: hier binnen leven de bewoners van de stad met elkaar.
Sociale werkelijkheid: samenleven.
*Bewoners van de stad beoordelen hun leefomgeving vaak negatiever dan
mensen van het platen land.
Decentraliseren: om de maatschappelijke problemen goed aan te kunnen
pakken. Werd niet alles meer door het rijk in den haag geregeld. De steden
namen bepaalde taken over van het rijk.
Stadsvernieuwingsbeleid: richten zich op de emancipatie en de integratie van
de bewoners. Ook verbeterde ze de samenhang in de wijken.
(PCG) Problemen Cumulatie Gebieden beleid: moest meer sociaal
georiënteerd zijn, dan stads vernieuwingsbeleid. PCG, richtte zich op sociale
achtenstand in wijken.
Sociaal vernieuwingsbeleid: verving het PCG beleid. De Sociaal
vernieuwingsbeleid richtte zich op werk gelegenheid en Scholings projecten.
, Verkokering: houdt in dat autonoom opperende organisaties in gescheiden
beleidssectoren met eigen middelen bezig zijn om problemen op te lossen.
(terug dringen van bemoeienis van verschillende instanties)
Actoren: betrokkenen. Personen of instanties.
1.3 Het grootsteden beleid.
*Begin 1990: de werkgelegenheid bleef laag in de steden. In vergelijking met de
rest van Nederland. Opleidingsniveau was in de stad gemiddeld ook lager.
Selectieve migratie: de bewoners met hogen en middel inkomen verlieten de
stad. De immigranten (buitenlanders) en laag gescholden kwamen er voor terug.
De woningen waren goedkoop en onaantrekkelijk.
* Door de selectieve migratie en de vernieuwde stads wijken die daar bij
hoorden. Werd de sociale samenhang zwakker, slechte kwaliteit en niet veilig.
(Kwetsbaren groepen mensen zo als verslaafde en daklozen)
(KOK-1) Grote stedenbeleid 1: 1994-1998.
Burgemeester Rotterdam wilde een onorthodoxe { laagdrempelige/ anders dan
gebruikelijk) aanpak van hier boven genoemde stedelijke problematiek.
1995: G4 en G15 en het kabinet ondertekende een convenant( overeenkomst).
Wat de basis werd voor de grootstedenbeleid. Waarin prestatie afspraken
werden vastgelegd. Doel: de economische en sociale structuur te verterken.
Herstructurering: door grootschalig te slopen en herbouwen wordt de
eenzijdige samen stelling doorbroken. (Sociale problemen oplossen)
Grotestedenbeleid
Bestuurlijke vernieuwing: terugdringen dat mensen zich met het rijk
bemoeien.
Het bevorderen van bevoegdheden en middelen.
Het versterken van de steden zo dat zij de samenhang tussen de beleidssectoren
konden bevorderen.
Verbeteren van de financiële verdeling.
Interactief bestuur: houdt in dat het rijk en de steden gezamenlijk beleid
maken.
Bottom-up: het beleid moet van onder af worden ontwikkeld. ( de problematiek
van de steden en wijken vormen een uitgaanspunt)