Examenvragen Histologie (BMW – 1e bachelor) - (2023-
2024)
Open vragen (leg uit aan de hand van een tekening en geef de nodige uitleg):
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie
elektronenmicroscopie (TEM). Wat kan je met beide technieken onderzoeken?
Hoe moet het te onderzoeken weefsel voorbewerkt worden voor deze methoden
en waarom?
Transmissie elektronenmicroscopie (TEM):
• De elektronen gaat door het staal heen (bundel van elektronen worden door een dun
monster geschoten. De elektronen interageren met het monster. Op basis van de
interactie kan men een beeld creëren (elektronen worden opgevangen op een gevoelige
plaat)
o Heeft een hogere resolutie dan conventionele lichtmicroscopie, details van kleine
structuren zijn hierdoor meer zichtbaar. (Er kan naar interne structuren van
cellen en materialen op moleculaire niveau gekeken worden) (tot 0,1 nm)
o Vereist uitgebreide monsterpreparatie (dun snijden en aanbrengen van zware
metalen kleuringen)
Conventionele lichtmicroscopie
• Maakt gebruik van zichtbaar licht om objecten te verlichten waardoor ze vergroot
worden en dus meer zichtbaar
o Beperkte resolutie, details van bepaalde structuren zijn maar beperkt zichtbaar
(resolutie is minder vanwege de golflengte van het zichtbare licht) (tot 0,2 micro
meter)
o Vereist weinig monsterpreparatie (fixatie/invriezen/…)
Overzicht:
,Lichtmicroscopie Elektronenmicroscopie
gebruikmaken van zichtbaar licht Gebruikmaken van een bundel elektronen
Kleine resolutie Hoge resolutie (versnelde e- kleinere golflengte dan
fotonen)
Cellulaire structuur bekijken Intracellulaire structuur bekijken
tot een grootte van ± 0.2 μm tot 0.1 nm
Onderzoek op haren, bloedcellen, bacteriën Onderzoek op bloedcellen, bacteriën, virussen, DNA,
glucose, atomen
Fixeren (cel niet afbreken), invriezen (hard worden) Enkel fixeren (glutaaraldehyde, osmiumtetroxide)
Cellulaire structuur weefsel beoordelen: TEM-analyse:
- Ingevroren materiaal: direct aangesneden door
1) fixeerde weefsel ingebed in epoxyhars (hard materiaal)
vriesmicrotoom
2) aansnijden met diamantmes of glasmes
- Gefixeerd materiaal:
1) plaatsen in oplopende gradiënt van
alcoholoplossingen
2) uitspoelen met tolueen/ xyleen
3) ingebed in paraffine
4) aansnijden met microtoom
Kleuring!!!!!
Gesneden coupes 5-10 µm dik Gesneden coupes 1µm dik
- stereomicroscoop = licht valt op object en weerkaatst - transmissie electronenmicroscopie
- ‘gewone’ microscoop= doorvallend licht - raster/scanning electronenmicroscopie
- oculairen en objectieven verwisselbaar andere - anatomopathologisch onderzoek
vergrotingen
- anatomopathologisch onderzoek
, 2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en
glutaraldehyde bij de staalpreparatie voor histologie. Voor welke
histologische methoden worden deze gebruikt?
Bij fixatie wordt het staal in een chemische oplossing gelegd waardoor het gefixeerd wordt,
hierbij worden alle chemische processen stil gelegd.
Fixeren is eigenlijk een soort chemische reactie waarbij heel veel nieuwe connecties worden gelegd.
• Fixatie aan de hand van formaldehyde
o Gebruik bij lichtmicroscopie
o Macromoleculaire structuren zo intact mogelijk houden
o Weefsel wordt ondergedompeld in fixator= formol (waterige oplossing
formaldehyde)
o Door onderdompeling worden covalente bindingen gevormd tussen de N-
terminale groep van de eiwitten = crosslinking (eiwitten linken)
▪ Gevolg: eiwitten worden aan cytoskelet en hun interagerende eiwitten
vastgehecht (hierdoor wordt de structuur van het weefsel zo goed mogelijk
bewaren)
o Nadelen:
▪ Door fixatie proces verliezen de meeste enzymen hun enzymatische
werking
▪ DNA en RNA kunnen crosslinken —> nucleïnenzuren gefragemnteerd—>
deels afgebroken
o Duur: x aantal uren (afhankelijk van de grootte van het fragment, welke fixator,
gebruikte methoden)
• Fixatie aan de hand van glutaraldehyde
o Gebruikt bij elektronen microscopie
o Snelle fixatie nodig: enkele minuten nadat cellen gescheiden raken van hun
bloedvoorziening —> osmotische zwelling van mitochondria en ER
o Kwaliteit van de fixatie is afhankelijk van de grootte van het weefselfragment en
de fixator
o Grootte van de fragmenten is tussen 1-2 mm
, o Eerst fixatie in gekoelde (4°C) glutaaraldehyde
o Tweede fixatie in osmiumtetroxide (—> vetten bewaren+zichtbaar in
elektronenmicroscoop door “extra” gewicht)
3. Geef de gelijkenissen en verschillen tussen immunohistochemie en
immunofluorescentie.
Het zijn beide methoden om de aanwezigheid van eiwitten kwalitatief te bepalen door gebruik
van specifieke antistoffen;
Gelijkenissen:
• Beide kunnen monoclonaal(heel specifiek—> 1 antilichaam voor 1 antigen—> reageren
maar met 1 epitoop(bindingsplaats)) of polyclonaal(minder specifiek—> bevat meerdere
antilichamen tegen een bepaald antigeen—> antilichamen binden op andere epitopen
van het antigeen, hierdoor zijn er kruisreacties mogelijk) zijn
• Detectietechnieken zijn gebaseerd op concept antigeen-antilichaamcomplex
• Worden gebruikt voor diagnose kanker en infectieziekten
• Vinden plaats in in vitro omstandigheden
Bij immunohistochemie zal een secundair antistof met label binden aan een primaire antistof
(zonder label).
Dit zal een chemische reactie uitlokken en bruine kleuring geven. Het is minder specifiek en
nauwkeurig omdat men maar 1 antistof tegelijk kan laten binden.
Bij immunofluorescentie zal een antistof gelabeld met fluorescente eigenschappen binden op het
eiwit. Dit zal een fluorescent signaal
met zich meegeven dat men direct kan visualiseren..
Verschillen:
Immunohistochemie Immunofluorescentie
Zichtbaar maken van antigen door middel van een Zichtbaar maken van antigen door middel van
enzym (vb. peroxidase) fluorescentie
1 antigen zichtbaar maken Meerdere antigenen zichtbaar maken door
verschillende fluorforen te gebruiken
Lichtmicroscopie Fluorescentiemicroscopie
Minder specifiek Specifiek
2024)
Open vragen (leg uit aan de hand van een tekening en geef de nodige uitleg):
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie
elektronenmicroscopie (TEM). Wat kan je met beide technieken onderzoeken?
Hoe moet het te onderzoeken weefsel voorbewerkt worden voor deze methoden
en waarom?
Transmissie elektronenmicroscopie (TEM):
• De elektronen gaat door het staal heen (bundel van elektronen worden door een dun
monster geschoten. De elektronen interageren met het monster. Op basis van de
interactie kan men een beeld creëren (elektronen worden opgevangen op een gevoelige
plaat)
o Heeft een hogere resolutie dan conventionele lichtmicroscopie, details van kleine
structuren zijn hierdoor meer zichtbaar. (Er kan naar interne structuren van
cellen en materialen op moleculaire niveau gekeken worden) (tot 0,1 nm)
o Vereist uitgebreide monsterpreparatie (dun snijden en aanbrengen van zware
metalen kleuringen)
Conventionele lichtmicroscopie
• Maakt gebruik van zichtbaar licht om objecten te verlichten waardoor ze vergroot
worden en dus meer zichtbaar
o Beperkte resolutie, details van bepaalde structuren zijn maar beperkt zichtbaar
(resolutie is minder vanwege de golflengte van het zichtbare licht) (tot 0,2 micro
meter)
o Vereist weinig monsterpreparatie (fixatie/invriezen/…)
Overzicht:
,Lichtmicroscopie Elektronenmicroscopie
gebruikmaken van zichtbaar licht Gebruikmaken van een bundel elektronen
Kleine resolutie Hoge resolutie (versnelde e- kleinere golflengte dan
fotonen)
Cellulaire structuur bekijken Intracellulaire structuur bekijken
tot een grootte van ± 0.2 μm tot 0.1 nm
Onderzoek op haren, bloedcellen, bacteriën Onderzoek op bloedcellen, bacteriën, virussen, DNA,
glucose, atomen
Fixeren (cel niet afbreken), invriezen (hard worden) Enkel fixeren (glutaaraldehyde, osmiumtetroxide)
Cellulaire structuur weefsel beoordelen: TEM-analyse:
- Ingevroren materiaal: direct aangesneden door
1) fixeerde weefsel ingebed in epoxyhars (hard materiaal)
vriesmicrotoom
2) aansnijden met diamantmes of glasmes
- Gefixeerd materiaal:
1) plaatsen in oplopende gradiënt van
alcoholoplossingen
2) uitspoelen met tolueen/ xyleen
3) ingebed in paraffine
4) aansnijden met microtoom
Kleuring!!!!!
Gesneden coupes 5-10 µm dik Gesneden coupes 1µm dik
- stereomicroscoop = licht valt op object en weerkaatst - transmissie electronenmicroscopie
- ‘gewone’ microscoop= doorvallend licht - raster/scanning electronenmicroscopie
- oculairen en objectieven verwisselbaar andere - anatomopathologisch onderzoek
vergrotingen
- anatomopathologisch onderzoek
, 2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en
glutaraldehyde bij de staalpreparatie voor histologie. Voor welke
histologische methoden worden deze gebruikt?
Bij fixatie wordt het staal in een chemische oplossing gelegd waardoor het gefixeerd wordt,
hierbij worden alle chemische processen stil gelegd.
Fixeren is eigenlijk een soort chemische reactie waarbij heel veel nieuwe connecties worden gelegd.
• Fixatie aan de hand van formaldehyde
o Gebruik bij lichtmicroscopie
o Macromoleculaire structuren zo intact mogelijk houden
o Weefsel wordt ondergedompeld in fixator= formol (waterige oplossing
formaldehyde)
o Door onderdompeling worden covalente bindingen gevormd tussen de N-
terminale groep van de eiwitten = crosslinking (eiwitten linken)
▪ Gevolg: eiwitten worden aan cytoskelet en hun interagerende eiwitten
vastgehecht (hierdoor wordt de structuur van het weefsel zo goed mogelijk
bewaren)
o Nadelen:
▪ Door fixatie proces verliezen de meeste enzymen hun enzymatische
werking
▪ DNA en RNA kunnen crosslinken —> nucleïnenzuren gefragemnteerd—>
deels afgebroken
o Duur: x aantal uren (afhankelijk van de grootte van het fragment, welke fixator,
gebruikte methoden)
• Fixatie aan de hand van glutaraldehyde
o Gebruikt bij elektronen microscopie
o Snelle fixatie nodig: enkele minuten nadat cellen gescheiden raken van hun
bloedvoorziening —> osmotische zwelling van mitochondria en ER
o Kwaliteit van de fixatie is afhankelijk van de grootte van het weefselfragment en
de fixator
o Grootte van de fragmenten is tussen 1-2 mm
, o Eerst fixatie in gekoelde (4°C) glutaaraldehyde
o Tweede fixatie in osmiumtetroxide (—> vetten bewaren+zichtbaar in
elektronenmicroscoop door “extra” gewicht)
3. Geef de gelijkenissen en verschillen tussen immunohistochemie en
immunofluorescentie.
Het zijn beide methoden om de aanwezigheid van eiwitten kwalitatief te bepalen door gebruik
van specifieke antistoffen;
Gelijkenissen:
• Beide kunnen monoclonaal(heel specifiek—> 1 antilichaam voor 1 antigen—> reageren
maar met 1 epitoop(bindingsplaats)) of polyclonaal(minder specifiek—> bevat meerdere
antilichamen tegen een bepaald antigeen—> antilichamen binden op andere epitopen
van het antigeen, hierdoor zijn er kruisreacties mogelijk) zijn
• Detectietechnieken zijn gebaseerd op concept antigeen-antilichaamcomplex
• Worden gebruikt voor diagnose kanker en infectieziekten
• Vinden plaats in in vitro omstandigheden
Bij immunohistochemie zal een secundair antistof met label binden aan een primaire antistof
(zonder label).
Dit zal een chemische reactie uitlokken en bruine kleuring geven. Het is minder specifiek en
nauwkeurig omdat men maar 1 antistof tegelijk kan laten binden.
Bij immunofluorescentie zal een antistof gelabeld met fluorescente eigenschappen binden op het
eiwit. Dit zal een fluorescent signaal
met zich meegeven dat men direct kan visualiseren..
Verschillen:
Immunohistochemie Immunofluorescentie
Zichtbaar maken van antigen door middel van een Zichtbaar maken van antigen door middel van
enzym (vb. peroxidase) fluorescentie
1 antigen zichtbaar maken Meerdere antigenen zichtbaar maken door
verschillende fluorforen te gebruiken
Lichtmicroscopie Fluorescentiemicroscopie
Minder specifiek Specifiek