Rechtsgeleerdheid 1
Probleem 1
Leerdoelen:
1. Wat betekenen de begrippen voorheffing, inhoudingsplichtige, belastingplichtige en
heffingskorting?
2. Wat is het verschil tussen aangiftebelasting en een aanslagbiljet?
3. Wat is het object, subject en het tarief van de inkomstenbelasting en de loonbelasting en wat
is de verhouding tussen deze twee?
4. Waarom krijgen sommigen een deel van de betaalde loonheffing terug?
5. Kun je in bezwaar tegen een belastingaanslag en is de AWB van toepassing in het fiscale
recht?
0 Inleiding
0.9 Materieel en formeel belastingrecht
Het materieel belastingrecht:
- Belastingrecht dat gevonden wordt in de heffingswetten.
- Ziet op de totstandkoming van de materiële belastingschulden ingevolge de heffingswetten.
Het formeel belastingrecht:
- Belastingrecht dat ergens anders dan in de heffingswetten is geregeld met name in de
genoemde algemene wetten:
o De Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
o De Algemene wet bestuursrecht (Awb)
o De Invorderingswet 1990
- Heeft onder meer betrekking op de wijze van heffing, informatie- en
administratieverplichting van belastingplichtigen, controle, navorderen en naheffen door de
Belastingdienst, bezwaar, beroep, rechtsvinding, bestuurlijke boeten, algemene beginselen
van behoorlijk bestuur, internationale rechtsbescherming, invordering belastingaanslagen en
fiscaal strafrecht.
1 Formeel belastingrecht
1.2 Materiële en formele belastingschulden
Een belastingschuld is een uit de wet voortvloeiende publiekrechtelijke verbintenis. Ontstaan
doordat een belastingplichtige op enig moment dan wel door tijdsverloop belastbare feiten
voordoen materiële belastingschulden. Materiële belastingschulden moeten worden
geformaliseerd (bv. In een aanslag) om tot belastingheffing te kunnen komen. Door formalisering
,wordt de reeds bestaande materiële belastingschuld vastgesteld (declaratoir) en ontstaat voorts een
afdwingbare betalingsverplichting (constitutief).
1.3 Wijzen van heffing ingevolge de AWR
De AWR onderscheidt twee hoofdmethoden:
- Heffing bij wege van aanslag (aanslagbelastingen):
o Formalisering: inspecteur d.m.v. aanslag (bezien van aangifte van de belasting- of
inhoudingsplichtige).
o Achteraf: aanslag < materieel verschuldigd inspecteur legt navordering op.
- Heffing bij wege van vol doening of afdracht op aangifte (aangiftebelastingen):
o Formalisering: belastingplichtige d.m.v. aangifte/ inhoudingsplichtige d.m.v. bedrag
afdragen ter delging belastingplichtige.
o Achteraf: aangifte < materieel verschuldigd inspecteur legt naheffingsaanslag op.
Wijzen van heffingen: art. 6 t/m 20 AWR.
Voor alle belastingen geldt dat de inspecteur aan degene die vermoedelijk belastingplichtig of
inhoudingsplichtig is een aangiftebiljet kan uitreiken (art. 6 AWR). Deze dient dan aangifte te doen
(art. 8 lid 1 AWR). De belastingplichtige of inhoudingsplichtige die geen uitnodiging tot het doen van
aangifte heeft ontvangen, is verplicht de inspecteur te verzoeken hem een aangiftebiljet uit te reiken
(art. 6 lid 3 AWR jo. art. 2 en 3 Uitvoeringsregeling AWR). Van vrijblijvendheid is dus geen sprake.
1.4 Hoofdstuk III AWR: Heffing van belastingen bij wege van aanslag
Art. 11 lid 1 bevat de kern: ‘De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.’ Aangifte =
hulpmiddel voor de inspecteur (de Belastingdienst) bij de vaststelling van de aanslag. De inspecteur
kan van de aangifte afwijken en heeft in bepaalde gevallen zelfs geen aangifte nodig om een aanslag
te kunnen opleggen= ‘ambtshalve aanslag’ hoogte naar redelijk inzicht inspecteur (lid 2).
Termijn:
De inspecteur heeft gedurende drie jaar na het ontstaan van de materiële belastingschuld de
gelegenheid een aanslag vast te stellen. Deze termijn wordt verlengd met het op verzoek van de
belastingplichtige verleende uitstel voor het doen van aangifte (art. 11 lid 3). Bij een belasting die
per tijdvak (kalenderjaar) wordt geheven, zoals de inkomstenbelasting, begint de termijn te lopen bij
het einde van het tijdvak (art. 11 lid 4).
Een te laat opgelegde aanslag is vernietigbaar, niet nietig. Tijdig bezwaar door belastingplichtige
vernietiging. Zo niet aanslag formele rechtskracht, blijft in stand aanslag moet betaald worden
ondanks dat hij te laat is opgelegd.
Gedurende het lopende belastingjaar kunnen geschatte voorlopige aanslagen worden opgelegd (art.
13). Indien gedurende een jaar verlies wordt geleden dat achterwaarts kan worden verrekend met
eerdere winstjaren (carry back), kan op verzoek voorlopige teruggaaf van inkomsten- of
vennootschapsbelasting worden verleend bij ‘negatieve’ voorlopige aanslag (art. 13 lid 2). Het ‘pay
as you go’-principe (=belasting betalen zo veel mogelijk tegelijkertijd met het ontvangen van de
,inkomsten) wordt bij werknemers vooral gewaarborgd door de afdracht van loonbelasting over
salarisbetalingen (voorheffing). Voorlopige aanslagen en voorheffingen worden verrekend met
(afgetrokken van) de aanslag dan wel, als geen aanslag wordt opgelegd, bij afzonderlijke beschikking
verrekend of teruggegeven (art. 15). Wordt een aanslag wegens verjaring vernietigd, dan dienen
reeds opgelegde voorlopige aanslagen door de inspecteur te worden terugbetaald.
1.4.1 Navordering (art. 16)
Inspecteur heeft in een aanslag een te laag bedrag vastgesteld navorderingsaanslag. Eisen:
- Binnen termijn van 5jr na het tijdstip waarop de materiële belastingschuld is ontstaan
(einde tijdvak), verlengd met het desgevraagd verleende uitstel voor het doen van de
aangifte (art. 16 lid 3). Gaat het om buitenlandse bestanddelen, dan termijn 12jr +
desgevraagd verleend uitstel (art. 16 lid 4) en is de navorderingstermijn voor de erfbelasting
onbeperkt (art. 66 lid 3 Successiewet 1956).
- ‘Nieuw feit’ (art. 16 lid 1) = omstandigheden die de inspecteur eerst na de aanslag ter kennis
is gekomen vertrouwen van belastingplichtige dat inspecteur bij vaststellen zijn standpunt
heeft bepaald en daar niet op terugkomt. Indien de inspecteur niet aan de onderzoeksplicht
heeft voldaan = ambtelijk verzuim geen nieuw feit.
o Uitzondering: kwader trouw =belastingplichtige heeft m.b.t. het aan de navordering
ten grondslag liggende feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthouden
of opzettelijk de onjuiste inlichtingen vertrekt geen nieuw feit nodig.
o Kenbare fout = als de belastingplichtige er van uit kan gaan dat de te lage aanslag
een foutje is. Dan is er geen reden om het opgewekte vertrouwen te beschermen,
want dat is er niet.
1.5 Hoofdstuk IV AWR: Heffing van belastingen bij wege van voldoening
of afdracht op aangifte
Art. 19 lid 1: ‘In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd
geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting voorschrijft, is de belastingplichtige,
onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van
dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen.’
Als blijkt dat er te weinig belasting is betaald, kan in beginsel een naheffingsaanslag worden
opgelegd (art. 20) binnen 5jr na het einde van het kalenderjaar waarin de materiële belastingschuld
is ontstaan.
Voor naheffing geldt niet het vereiste van een ‘nieuw feit’ (anders dan bij navordering). Dat is
begrijpelijk, omdat bij het ontbreken van een aanslag de naheffingsaanslag pas de eerste
standpuntbepaling van de inspecteur is. In de praktijk ziet men echter geregeld dat er ‘tijdens de rit’
vooroverleg plaatsvindt met de inspecteur. Indien de inspecteur in dat kader een bepaald standpunt
heeft ingenomen jegens de belastingplichtige, staat het vertrouwensbeginsel er in principe aan in de
weg dat daarop later wordt teruggekomen bij wege van naheffing.
, 1.9 Bezwaar
Er is sprake van een gesloten stelsel van rechtsbescherming je kunt niet overal bezwaar op
maken.
Wanneer:
Op grond van art. 8:1 lid 1 Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de
rechtbank. In art. 26 AWR is bepaald dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit
slechts beroep kan worden ingesteld als het betreft:
- Een belastingaanslag (zie art. 2 lid 3 onderdeel e AWR) en de verrekening van voorlopige
aanslagen en voorheffingen (art. 26 lid 1 aanhef en onderdeel a AWR);
- Als zodanig aangeduide voor bezwaar vatbare beschikkingen;
- De voldoening of afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige
van een bedrag als belasting.
In art. 7:1 lid 1 Awb iemand met het recht om naar de administratieve rechter te stappen, moet eerst
bezwaar maken voor hij beroep kan instellen. Het is mogelijk om één bezwaar tegen meerdere
belastingaanslagen te maken (art. 24 AWR). Als bezwaar is gemaakt tegen meerdere
belastingaanslagen kan de inspecteur, indien hij dat wenst, in één geschrift uitspraak doen met
betrekking tot meerdere belastingaanslagen (art. 25 lid 4 AWR). Dat is met name geschikt als de
bezwaren zien op eenzelfde kwestie die in een aantal belastingjaren of -tijdvakken speelt.
Wie:
Het recht om een rechtsmiddel in te stellen komt alleen toe aan de direct belanghebbende (art. 26a
lid 1 AWR). Één uitzondering: degene wiens inkomensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp
van belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft
(art. 26a lid 2 AWR), vb. partnerregeling.
Ook komt het voor dat in verband met een bepaalde rechtsvraag heel veel belastingplichtigen
binnen korte tijd bezwaar maken. De minister kan ex art. 25a AWR er dan toe overgaan die
bezwaren als zogenoemd massaal bezwaar aan te wijzen. Eén of meer bezwaren worden hiervan
uitgezonderd en op reguliere wijze afgedaan. Als het standpunt van die belanghebbende door de
rechter bij onherroepelijke uit spraak is afgewezen, dan wordt in de overige bezwaren een
collectieve uitspraak gedaan, die bekend wordt gemaakt in bijvoorbeeld een dagblad. De
belanghebbenden worden daaraan voorafgaand niet gehoord en ontvangen in beginsel geen
individuele uitspraak.
Op bezwaar en beroep is de Awb van toepassing, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in de
AWR. Op hoger beroep en beroep in cassatie zijn grote delen van hoofdstuk 8 van de Awb van
overeenkomstige toepassing verklaard (art. 27gd en 29 AWR).
Formele eisen:
Art. 6:4 lid 1 Awb: bezwaar dient te worden gemaakt door het indienen van een bezwaarschrift bij
het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen; veelal is dat de inspecteur. Art. 6:5 Awb: het