Muilkorf (HR 12 april 1897, W1897)
Casus
In de gemeente Bergen op Zoom gold een regel dat het verboden was om honden die langer dan 65
cm waren zonder muilkorf buiten los te laten lopen, dit was vastgelegd in art. 214 lid 1 van de APV. In
lid 2 van dit artikel stond dat honden, die buiten zonder muilkorf door de politie werden
aangetroffen en waarvan werd vermoed dat zij langer waren 65 cm, naar het politiebureau gebracht
moesten worden om daar te worden opgemeten. De hond van een man was op straat door de politie
aangetroffen en de man kreeg te horen dat hij met de hond naar het politiebureau moest komen
voor een meting. De man gaf hier echter geen gevolg aan en werd veroordeeld tot een boete van 1
gulden.
Rechtsvraag
Mocht de man tot een boete van 1 gulden veroordeeld worden omdat hij geen gevolg gaf aan de
aanwijzing van de agenten?
Overweging
De Hoge Raad stelde dat de plaatsing van art. 1 Sv, de grondslag voor strafvordering, aan het begin
van het Wetboek van Strafvordering, met zich mee brengt dat hier over strafvordering in de ruimste
zin van het woord wordt gesproken. Dit woord omvat dus ook de opsporing van strafbare feiten. De
plaatsing van een regeling, om een strafbaar feit op te sporen, in een APV is derhalve in strijd met de
wet, omdat een APV geen formele wet is. De man had dus geen boete opgelegd mogen krijgen
omdat hij geen gevolg gaf aan de aanwijzing van de agenten. De Hoge Raad vernietigt derhalve het
vonnis van de rechtbank.
Rechtsregel
Op grond van art. 1 Sv mogen regels over strafvordering alleen in een formele wet worden gegeven.
,Hoornse taart (HR 19 juni 1911, W1911,9203, m.nt )
Casus
Een man uit Haarlem had met de bedoeling om een man uit Amsterdam om het leven te brengen in
een taart een dodelijke hoeveelheid arseen gestopt en deze taart naar de man opgestuurd. De taart
werd echter niet door de man, maar door zijn vrouw en het dienstmeisje opgegeten. De vrouw
overleed aan een arseenvergiftiging en het dienstmeisje raakte ernstig ziek. De man werd vervolgd
voor moord, maar stelde dat het oogmerk om de vrouw te doden ontbrak.
Rechtsvraag
Kan de verdachte in casu voor moord veroordeeld worden, of ontbreekt opzet?
Overweging
Het hof stelde dat de man wist dat degene die van de taart zou eten zou komen te overlijden, en
veroordeelde de man derhalve voor moord en poging tot moord. De Hoge Raad sloot zich hier bij aan
en stelde dat de man het oogmerk had om de andere man om het leven te brengen en dat hij wist
dat degene die van de taart zou eten zou komen te overlijden. Het plan om de man te vermoorden
omvatte dus tevens de kans dat andere personen zouden komen te overlijden wegens het eten van
de taart. De verdachte heeft deze kans aanvaard en derhalve was er in casu sprake van
voorwaardelijk opzet.
Rechtsregel
Indien iemand bij de uitvoering van zijn misdrijf niet het oogmerk heeft om andere personen te
raken, maar deze kans wel aanvaard, is er sprake van voorwaardelijk opzet en kan er derhalve toch
aan het bestanddeel opzet worden voldaan.
,Inrijden op agent (HR 6 februari 1951,
ECLl:NL:HR:1951:2, NJ 1951/47)
Casus
Agent probeert verdachte die in zijn auto rijdt, tot stoppen te dwingen omdat hij verdacht werd van
een verkeersovertreding. Verdachte trapt echter het gaspedaal in en rijdt door. De agent stond
midden op de weg en hij moest opzij springen omdat hij anders zou worden geraakt. Verdachte
wordt vervolgd en veroordeeld voor poging tot doodslag op de agent. Verdediging geeft aan dat
diens opzet gericht op de dood van de agent ontbreekt.
De rechtsvraag
Is er sprake van voorwaardelijk opzet?
Overweging
De Hoge Raad overweegt “dat toch de automobilist, die bewust een kans om een ander omver te
rijden en dan naar redelijke verwachting van het leven te beroven, zo hachelijk dat hem alleen een
ijlings opzij springen van dien ander zelf nog aan haar verwerkelijking kan onttrekken, in het leven
roept en blijkens zijn doorrijden blijft aanvaarden, handelt met het voor poging tot doodslag vereiste
opzet”.
Rechtsregel
De Hoge Raad heeft bepaald dat het bestanddeel ‘voornemen’ in
artikel 45 Sr, moet worden aanvaard als voorwaardelijk opzet. De persoon die bewust de kans in het
leven roept en deze aanvaardt, handelt met het voor poging tot doodslag vereiste opzet.
, Cicero (HR 9 november 1954,
ECLl:NL:HR:1954:1, NJ 1955/55)
Casus
De toneelvereniging `Cicero' was van plan het toneelstuk `De man in burger' op te voeren. Om dit te
mogen doen moesten auteursrechten aan het internationale Bureau voor Auteurs en
Opvoeringsrechten (I.B.V.A.) `Holland' worden betaald. De auteursrechten fl. 25,- werden betaald,
doch de vereniging voldeed niet aan de tweede door het I.B.V.A. gestelde voorwaarde, te weten dat
acht tekstboekjes van het toneelstuk moesten worden verkocht, alvorens een opvoeringsvergunning
werd verleend.
Rechtsregel
In het onderhavige arrest erkende de HR uitdrukkelijk het voorwaardelijk opzet. De toneelvereniging
verweerde zich door te stellen dat deze tweede voorwaarde ten onrechte was gesteld. De Raad
overwoog dat de toneelvereniging `Cicero' "opzettelijk" in de zin van art. 31 Auteurswet had
gehandeld, nl. door `zich willens/en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te
verwaarlozen kans', dat deze tweede voorwaarde terecht was gesteld.