Hoofdstuk 1: Inleiding
Een RCT (Randomized Controlled Trial) is een wetenschappelijke studie waarbij deelnemers
willekeurig worden toegewezen aan een experimentele groep (die de behandeling krijgt) of een
controlegroep (bijvoorbeeld een placebobehandeling), om de effectiviteit van een interventie objectief
te testen.
Hoofdstuk 2: Cognitieve Gedragstherapie (CGT)
Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een wetenschappelijk bewezen, effectieve behandeling voor veel
psychische stoornissen. Het is kortdurend, gestructureerd en richt zich op het veranderen van
disfunctionele gedachten en gedragingen. Ondanks de effectiviteit wordt CGT in de praktijk weinig
toegepast door barrières zoals gebrek aan training, negatieve overtuigingen van therapeuten,
beperkte toegang, en praktische bezwaren bij patiënten. Oplossingen zijn o.a. betere scholing, meer
voorlichting, en gebruik van digitale vormen van CGT.
Obstakels van CGT in de klinische praktijk
1. Therapeuten
Weinig training/opleiding in CGT
Twijfels en weerstand
Eigen voorkeuren: ze denken dat hun eigen taak aanpak al effectief genoeg is
Gebrek aan tijd en geld om te investeren in CGT
2. Organisaties en instellingen
Verschillende opleidingsachtergronden met weinig CGT-training
Zorgverzekeraars bieden goedkopere behandelaars aan die geen gespecialiseerde CT-
opleiding hebben gevolgd
3. Patiënten
Weinig kennis: mensen weten vaak niet of een therapeut CGT aanbiedt en hoe goed die
dat doet
Andere behoeften: veel patiënten zoeken vooral zingeving of sociale steun, terwijl CGT
zich focust op klachtenreductie
4. Onderzoek en aanbod van therapieën
Teveel soorten ‘bewezen’ therapieën, wat het moeilijk maakt te kiezen wat het beste is
Te veel variatie
CGT werkt in onderzoek vaak effectiever wegens specifieke patiënten die zijn
geïncludeerd, wat niet generaliseerbaar is naar de klinische praktijk
CGT is vooral voor angststoornissen zeer effectief voor depressie is het evengoed als
andere interventies
Hoofdstuk 3: Angsten en specifieke fobieën
Specifieke fobieën zijn intense, onredelijke angsten voor een bepaald object of situatie en ontstaan
vaak in de kindertijd.
De tripartite model verklaart angst als een interactie tussen lichamelijke reacties, gedachten en
gedrag. Angst kan ontstaan door klassieke conditionering, modeling of negatieve informatie, met
erfelijkheid als aanvullende factor.
De belangrijkste behandeling is exposuretherapie, waarbij de cliënt stapsgewijs wordt blootgesteld
aan het gevreesde object om angstreacties en denkfouten af te bouwen; dit werkt het best in real-life
situaties. Andere interventies zijn:
Psycho-educatie: uitleg over angst en behandeling
, Modeling voorbeeldgedrag van de therapeut
Cognitieve herstructurering catastrofale gedachten bevragen
Aanmoediging en beloning motivatie verhogen
Applied tension/relaxation bij bloedfobie (tegen flauwvallen).
Behandeling moet aangepast worden bij comorbiditeit, culturele factoren en medicatiegebruik.
Flexibiliteit van de therapeut is cruciaal voor het slagen van de behandeling.
Hoofdstuk 4: Paniekstoornis en Agorafobie
Paniekstoornis en agorafobie ontstaan o.a. door anxiety sensitivity, neuroticisme, interoceptieve
gevoeligheid en stressvolle levensgebeurtenissen. Volgens het conditioneringsmodel worden
lichamelijke sensaties gekoppeld aan angst via klassieke conditionering, waardoor paniekaanvallen
ontstaan en in stand blijven.
Cognitieve gedragstherapie (CGT) is de meest bewezen effectieve behandeling en bestaat uit:
Psycho-educatie over angstmechanismen,
Ademhaling- en ontspanningstechnieken (beperkt effectief),
Cognitieve herstructurering om catastrofale gedachten uit te dagen,
Exposure (in vivo en interoceptief) om angstige verwachtingen te ontkrachten,
Acceptatietechnieken als toevoeging aan exposure,
Relapspreventie via planning en normalisatie van terugval.
Belangrijke principes die terugval beperken zijn: variatie in exposure, diepe extinctie (twee angsten
tegelijk aanpakken), verwijderen van veiligheidssignalen, verwachtingsschending, affect labeling, D-
cycloserine (stofje), herinneringen ophalen en retrieval cues. CGT bouwt zo een nieuw inhiberend
leerproces op in plaats van het angstgeheugen te wissen.
Hoofdstuk 5: Sociale angst
Sociale angststoornis wordt in stand gehouden door negatieve zelfperceptie, hoge sociale
standaarden, vermijding, veiligheidsgedrag en post-event ruminatie, zoals verklaard in cognitieve
modellen van SAD. CGT (cognitieve gedragstherapie) is de meest effectieve behandeling en bestaat
uit psycho-educatie, exposure, cognitieve herstructurering en eventueel sociale vaardigheidstraining.
Behandeling wordt versterkt door:
Social mishap exposure om sociale kosten te relativeren
Het afbouwen van veiligheidsgedrag
Aandachtstraining om focus van bedreiging af te halen
En concrete feedback om negatieve zelfbeelden te corrigeren.
Individuele CGT werkt iets beter dan groeps-CGT; online therapie en SSRI’s zijn alternatieven, maar
CBT heeft minder kans op terugval.
Hoofdstuk 6: Obsessies en dwang
Dwangstoornissen bestaan uit obsessies (ongewenste, angstige gedachten) en compulsies
(handelingen om deze angst te neutraliseren). Volgens leer- en cognitieve modellen ontstaan en
blijven deze klachten bestaan door klassieke conditionering en disfunctionele interpretaties van
normale intrusies.
De meest effectieve behandeling is Exposure met Responspreventie (ERP), waarbij men de
confrontatie aangaat zonder toe te geven aan dwanghandelingen, om zo nieuwe, niet-gevaarlijke
associaties aan te leren (inhibitorisch leren). Cognitieve technieken (zoals Socratisch bevragen)
kunnen dit aanvullen, en Acceptance and Commitment Therapy (ACT) biedt mogelijk een alternatief
door acceptatie en psychologische flexibiliteit te bevorderen. Relapsepreventie en het voorkomen van
accommodatie door naasten zijn cruciaal voor blijvend resultaat.
, Hoofdstuk 7: Verzamelstoornis
Een stoornis waarbij mensen moeite hebben met het wegdoen van spullen vanwege een sterke drang
om ze te bewaren, wat leidt tot een overmatige verzameling en verstoring van het dagelijks
functioneren. Volgens het cognitieve model ontstaat verzamelstoornis door kwetsbaarheden in
informatieverwerking (zoals bij ADHD) en disfunctionele overtuigingen over bezittingen. Emoties en
vermijdingsgedrag spelen een centrale rol in het in stand houden van de klachten.
De meest gebruikte behandeling is cognitieve gedragstherapie (CGT) gericht op motivatieverhoging,
cognitieve herstructurering, en exposure aan opruimen en niet-verzamelen. Motivational
interviewing verhoogt therapietrouw en effectiviteit. Cognitieve revalidatie en community-based
harm-reduction bieden aanvullende mogelijkheden, maar onderzoek naar effectieve interventies is
nog beperkt.
Hoofdstuk 8: Gegeneraliseerde angststoornis
Gegeneraliseerde angststoornis wordt gekenmerkt door overmatig piekeren en heeft verschillende
theoretische verklaringsmodellen. Binnen het cognitieve model wordt piekeren gezien als vermijding
van negatieve gevoelens of onzekerheid (zoals in het intolerance of uncertainty model) en als
bescherming tegen een plotselinge emotionele schok (contrast avoidance model). In het
interpersoonlijke model ligt de focus op hechtingsproblemen en disfunctionele relaties.
Effectieve behandelingen zijn onder meer
Cognitieve therapie, gericht op het herkennen en corrigeren van disfunctionele gedachten,
Relaxatietraining, zoals ademhalings- en spierontspanningstechnieken. Andere bewezen
werkzame componenten zijn
Stimuluscontrole (bijv. worry-tijdstip instellen)
Self-control desensitisatie.
Behandeling start meestal met psycho-educatie en zelfmonitoring, gevolgd door het aanleren van
copingstrategieën en gedragsverandering. Een combinatie van technieken blijkt het meest effectief.
Hoofdstuk 9: PTSS
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontstaat door traumatische ervaringen en wordt in stand
gehouden door angst, vermijding en negatieve overtuigingen.
Er zijn verschillende theoretische modellen:
Tweefactorentheorie: vermijding wordt versterkt doordat angst daalt na het vermijden van
prikkels.
Emotionele verwerkingsmodellen: foutieve associaties en fragmentarische herinneringen
zorgen voor een ontregeld angstnetwerk.
Cognitieve modellen: negatieve overtuigingen en slecht geïntegreerde herinneringen spelen
een centrale rol.
Effectieve behandelingen richten zich op exposure, cognitieve verwerking en probleemoplossing:
CPT (Cognitieve verwerkingstherapie): schrijven over trauma + negatieve gedachten
uitdagen.
Prolonged Exposure: herhaald vertellen en herbeleven van het trauma.
EMDR: trauma verwerken terwijl men oogbewegingen volgt.
PCT (Present-centered therapy): focus op huidige problemen en vaardigheden.
Seeking Safety: aanpak van PTSS én middelengebruik.