DEEL 1 INLEIDING IN DE PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
H1 Wat is psychologie
● Klinisch psycholoog: diagnose en behandeling
● Pseudopsychologie: intuïtieve psychologie
● Huis, tuin en keuken psychologie: intuïtieve psychologie
● Experimentele psychologie: doen wetenschappelijk onderzoek
● Docent psychologie: verzamelde kennis en inzichten verspreiden
● Toegepaste psychologie: verzamelde kennis en inzichten in de praktijk toepassen
● Reward theory of attraction: aantrekking wordt bepaald door de beloning heeft te
maken met overeenstemming
● Déjà vu: beeld wordt eerst opgeslagen hierna de prikkel = fout
H2 Perspectieven en stromingen
● Perspectief: een manier van kijken naar het studieobject
● Biologisch perspectief: lichaam apart van geest, afzonderlijke entiteiten
● Vroeg biologisch perspectief: lichaam apart van geest, machinale benadering,
rationalisering, denken en redeneren is de manier om wetenschap te beoefenen,
waarneembare gedrag is niet aan de orde
● Modern biologisch perspectief: geen scheiding lichaam en geest, invloed lichamelijke
functies op gedrag
● Cognitief perspectief: structureren, mentale processen, introspectie
● Introspectie: naar je innerlijke zelf kijken en afvragen hoe ‘ik’ iets heb ervaren
● Structuralisme: structureren menselijke geest, Wilhelm Wundt, bewuste ervaringen
● Functionalisme: structuur niet van belang wel de functie van de geest, adaptieve
functie, introspectie
● Adaptieve functie: kunnen aanpassen naar de omstandigheden in de realiteit
● Modern cognitief perspectief: mentale processen, geen introspectie, mens is
informatieverwerkingssysteem, link biologisch perspectief
● Behavioristisch perspectief: studie observeerbaar gedrag, relatie gedrag en prikkels,
niet kijken naar mentale processen omdat het niet objectief is, handelen staat
centraal niet voelen/denken/etc, mens is eerst ongeschreven blad, omgeving
beïnvloed het leren bv: Hond van Pavlov, Skinner
● Perspectieven vanuit de hele persoon: individu als geheel, gedragingen & processen
● Psychodynamische psychologie: persoonlijkheid en geestelijke stoornissen zijn
onbewuste processen die tot uiting komen in gedrag, door onderzoek maak je de
onbewuste processen weer bewust, Freudiaanse verspreking
● Freudiaanse verspreking: je verspreekt je omdat je onbewust aan iets anders denkt
● Id (Freud): driften van de mens, geest is vat vol energie dat gedrag stuurt de energie
zijn onze driften en deze sturen ons gedrag
● Superego (Freud): opvattingen over goed en kwaad
● Humanistische psychologie: menselijke groei en potentieel, nadruk op vrije wil,
verwerping mechanische benadering, behoeftenpiramide van Maslow
● Behoeftenpiramide van Maslow: pas wanneer lagere behoeftes vervuld zijn dan
streeft de mens naar meer.. de top is zelfontploiing
● Psychologie van karakter en temperament: mens begrijpen in termen van
temperament (neiging) en karaktertrekken (stabiel), karakter zijn
persoonlijkheidstrekken, big 5
, ● Big 5: extraversie - introversie, sterk inschikkelijk - weinig inschikkelijk, zorgvuldig -
onzorgvuldig, emotionele stabiliteit - emotionele labiliteit, openheid - conservatief
● Ontwikkelingsperspectief: verandering door interactie erfelijke kenmerken (nurture)
en omgeving (nature), verandering is enige constante in het leven, beetje combinatie
van behavioristisch en biologisch perspectief
● Socio-cultureel perspectief: nadruk op situatie sociale en culturele invloeden kunnen
alle andere factoren die gedrag beïnvloeden overstemmen
H3 Deelgebieden
● Psycholoog: beschermde titel, masterdiploma psychologie
● Therapeut: korte opleidingen, geen beschermde titel MAAR in Ned. wel beschermde
titel
● Klinische psychologie: doel is diagnosticeren van mentale en gedragsproblemen en
behandelen
● DSM - IV: Diagnostic and statistical manual for mental disorders
● Ontwikkelingspsychologie: studie ontwikkeling lichaam en geest in verschillende
levensfases
● Sociale psychologie: invloed van sociale omgeving op denken, voelen en handelen
van de mens en hoe de mens elkaar waarneemt
● Arbeids en organisatiepsychologie: gedrag beïnvloed door werksituatie en
werkomgeving
● Persoonlijkheidspsychologie: studie persoonlijkheid, temperament en karakter,
ontwikkeling persoonlijkheidstesten, leunt sterk aan bij klinische psychologie
● Leerpsychologie: hoe de mens gedrag leert, afleren of in stand houden
● Gezondheidspsychologie: Invloed van slechte of goede levensstijl op de mens
H4 Onderzoeksmethoden in de psychologie
● Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: onderzoek naar theoretische
opvattingen
● Toegepaste wetenschappelijk onderzoek: gaat na of de opvattingen werken in de
praktijk
● Empirisch wetenschappelijk onderzoek: op zoek naar objectieve gegevens in de
realiteit, los van of iets goed of slecht is
● Normatief wetenschappelijk onderzoek: hier handt waardeoordeel aan vast
● Betrouwbaarheid: consistentie >< in dagelijks leven ‘juistheid’
● Validiteit: accuraatheid
● Beschrijvend onderzoek: bepaald fenomeen gaan beschrijven, geen verbanden
leggen
● Explorerend onderzoek: eerste verkenning van een nieuw fenomeen er kunnen
verbanden gelegd worden
● Verklarend onderzoek: oorzaak-gevolg
● Evaluerend onderzoek: evaluatie van iets
● Deductief: theorie bestaat al en toetsen in de praktijk
● Inductief: theorie ontwikkelen
● Conceptualiseren: omschrijven waar het onderzoek betrekking op heeft
● Operationaliseren: meetbaar maken van het concept
● Kwantitatief onderzoek: aan de oppervlakte, groot aantal variabelen
H1 Wat is psychologie
● Klinisch psycholoog: diagnose en behandeling
● Pseudopsychologie: intuïtieve psychologie
● Huis, tuin en keuken psychologie: intuïtieve psychologie
● Experimentele psychologie: doen wetenschappelijk onderzoek
● Docent psychologie: verzamelde kennis en inzichten verspreiden
● Toegepaste psychologie: verzamelde kennis en inzichten in de praktijk toepassen
● Reward theory of attraction: aantrekking wordt bepaald door de beloning heeft te
maken met overeenstemming
● Déjà vu: beeld wordt eerst opgeslagen hierna de prikkel = fout
H2 Perspectieven en stromingen
● Perspectief: een manier van kijken naar het studieobject
● Biologisch perspectief: lichaam apart van geest, afzonderlijke entiteiten
● Vroeg biologisch perspectief: lichaam apart van geest, machinale benadering,
rationalisering, denken en redeneren is de manier om wetenschap te beoefenen,
waarneembare gedrag is niet aan de orde
● Modern biologisch perspectief: geen scheiding lichaam en geest, invloed lichamelijke
functies op gedrag
● Cognitief perspectief: structureren, mentale processen, introspectie
● Introspectie: naar je innerlijke zelf kijken en afvragen hoe ‘ik’ iets heb ervaren
● Structuralisme: structureren menselijke geest, Wilhelm Wundt, bewuste ervaringen
● Functionalisme: structuur niet van belang wel de functie van de geest, adaptieve
functie, introspectie
● Adaptieve functie: kunnen aanpassen naar de omstandigheden in de realiteit
● Modern cognitief perspectief: mentale processen, geen introspectie, mens is
informatieverwerkingssysteem, link biologisch perspectief
● Behavioristisch perspectief: studie observeerbaar gedrag, relatie gedrag en prikkels,
niet kijken naar mentale processen omdat het niet objectief is, handelen staat
centraal niet voelen/denken/etc, mens is eerst ongeschreven blad, omgeving
beïnvloed het leren bv: Hond van Pavlov, Skinner
● Perspectieven vanuit de hele persoon: individu als geheel, gedragingen & processen
● Psychodynamische psychologie: persoonlijkheid en geestelijke stoornissen zijn
onbewuste processen die tot uiting komen in gedrag, door onderzoek maak je de
onbewuste processen weer bewust, Freudiaanse verspreking
● Freudiaanse verspreking: je verspreekt je omdat je onbewust aan iets anders denkt
● Id (Freud): driften van de mens, geest is vat vol energie dat gedrag stuurt de energie
zijn onze driften en deze sturen ons gedrag
● Superego (Freud): opvattingen over goed en kwaad
● Humanistische psychologie: menselijke groei en potentieel, nadruk op vrije wil,
verwerping mechanische benadering, behoeftenpiramide van Maslow
● Behoeftenpiramide van Maslow: pas wanneer lagere behoeftes vervuld zijn dan
streeft de mens naar meer.. de top is zelfontploiing
● Psychologie van karakter en temperament: mens begrijpen in termen van
temperament (neiging) en karaktertrekken (stabiel), karakter zijn
persoonlijkheidstrekken, big 5
, ● Big 5: extraversie - introversie, sterk inschikkelijk - weinig inschikkelijk, zorgvuldig -
onzorgvuldig, emotionele stabiliteit - emotionele labiliteit, openheid - conservatief
● Ontwikkelingsperspectief: verandering door interactie erfelijke kenmerken (nurture)
en omgeving (nature), verandering is enige constante in het leven, beetje combinatie
van behavioristisch en biologisch perspectief
● Socio-cultureel perspectief: nadruk op situatie sociale en culturele invloeden kunnen
alle andere factoren die gedrag beïnvloeden overstemmen
H3 Deelgebieden
● Psycholoog: beschermde titel, masterdiploma psychologie
● Therapeut: korte opleidingen, geen beschermde titel MAAR in Ned. wel beschermde
titel
● Klinische psychologie: doel is diagnosticeren van mentale en gedragsproblemen en
behandelen
● DSM - IV: Diagnostic and statistical manual for mental disorders
● Ontwikkelingspsychologie: studie ontwikkeling lichaam en geest in verschillende
levensfases
● Sociale psychologie: invloed van sociale omgeving op denken, voelen en handelen
van de mens en hoe de mens elkaar waarneemt
● Arbeids en organisatiepsychologie: gedrag beïnvloed door werksituatie en
werkomgeving
● Persoonlijkheidspsychologie: studie persoonlijkheid, temperament en karakter,
ontwikkeling persoonlijkheidstesten, leunt sterk aan bij klinische psychologie
● Leerpsychologie: hoe de mens gedrag leert, afleren of in stand houden
● Gezondheidspsychologie: Invloed van slechte of goede levensstijl op de mens
H4 Onderzoeksmethoden in de psychologie
● Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: onderzoek naar theoretische
opvattingen
● Toegepaste wetenschappelijk onderzoek: gaat na of de opvattingen werken in de
praktijk
● Empirisch wetenschappelijk onderzoek: op zoek naar objectieve gegevens in de
realiteit, los van of iets goed of slecht is
● Normatief wetenschappelijk onderzoek: hier handt waardeoordeel aan vast
● Betrouwbaarheid: consistentie >< in dagelijks leven ‘juistheid’
● Validiteit: accuraatheid
● Beschrijvend onderzoek: bepaald fenomeen gaan beschrijven, geen verbanden
leggen
● Explorerend onderzoek: eerste verkenning van een nieuw fenomeen er kunnen
verbanden gelegd worden
● Verklarend onderzoek: oorzaak-gevolg
● Evaluerend onderzoek: evaluatie van iets
● Deductief: theorie bestaat al en toetsen in de praktijk
● Inductief: theorie ontwikkelen
● Conceptualiseren: omschrijven waar het onderzoek betrekking op heeft
● Operationaliseren: meetbaar maken van het concept
● Kwantitatief onderzoek: aan de oppervlakte, groot aantal variabelen